Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:3216

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:3216, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 234489 KGRK 19-366


Bron: Rechtspraak

center
100
fc3f2991-b221-48c9-9ba5-ad55d2922a58
2
13
image/png

center
100
5c76a214-15b2-411b-8fcc-93564f73d234
2
523
image/png

RECHTBANK OVERIJSSEL
Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 234489 KGRK 19-366

Beslissing van 5 september 2019

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,verzoeker tot wraking.

ECLI:NL:RBOVE:2019:3216:DOC
nl

center
100
fc3f2991-b221-48c9-9ba5-ad55d2922a58
2
13
image/png

center
100
5c76a214-15b2-411b-8fcc-93564f73d234
2
523
image/png

RECHTBANK OVERIJSSEL
Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: 234489 KGRK 19-366

Beslissing van 5 september 2019

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,verzoeker tot wraking.
1

1.1.
Op 29 juni 2019 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. S.J.S. Groeneveld, rechter in deze rechtbank en in de hoedanigheid van rolrechter belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder 7434760 CV EXPL 18-7214.
1.2.
Mr. Groeneveld heeft niet berust in de wraking.
1.3.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 27 augustus 2019 in het openbaar behandeld. Verzoeker is verschenen. Mr. Groeneveld is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.
2

2.1.
Verzoeker is partij in een dagvaardingsprocedure die aanhangig is bij deze rechtbank. Bij brief van 11 juni 2019 heeft verzoeker de rechtbank verzocht de zaak te verwijzen naar een andere rechtbank in verband met bij hem bestaande vrees voor vooringenomenheid. Deze vrees is bij hem ontstaan naar aanleiding van twee eerdere vonnissen van deze rechtbank in andere zaken.
Op 11 juni 2019 heeft de rechtbank aan verzoeker de ontvangst van zijn brief bevestigd. Daarbij heeft de rechtbank verzoeker meegedeeld dat in de zaak vonnis zal worden gewezen. Bij brief van 14 juni 2019 heeft verzoeker hierop gereageerd en verzocht om meer duidelijkheid te verkrijgen of het een tussenvonnis of een eindvonnis betreft.

Omdat een reactie op zijn brief van 14 juni 2019 uitbleef, heeft verzoeker vervolgens op 29 juni 2019 het verzoek tot wraking gedaan.
3

3.1.
Verzoeker heeft – samengevat weergegeven – het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
De brief van de rechtbank van 11 juni 2019 alsmede het uitblijven van een reactie op verzoekers brief van 14 juni 2019 getuigen van een blijk van minachting voor verzoeker en zijn standpunten. Mr. Groeneveld toont zich in het geheel niet geïnteresseerd in het verweer/verzoek van verzoeker, waarbij verdere verweervoering hem wordt ontnomen. Door mr. Groeneveld is geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van verzoekers verzoeken en de argumenten/verweren die eventueel nog nader in het geding gebracht zouden kunnen worden. Mede vanuit die optiek bekeken is alle objectiviteit verloren en is mr. Groeneveld volledig partijdig.

4

4.1.
Volgens mr. Groeneveld heeft in de zaak waar het verzoek betrekking op heeft geen comparitie na antwoord plaatsgevonden, maar heeft zij besloten dat schriftelijk moet worden voortgeprocedeerd. Dat is het enige moment waarop zij persoonlijk de zaak heeft bekeken en een (proces)beslissing heeft genomen.
Na de schriftelijke reactie van verzoeker van 11 juni 2019 is de zaak zoals gebruikelijk voor vonnis gezet. In dat kader is de brief van 11 juni 2019 door de griffier verzonden.

Wat betreft het verzoek om verwijzing naar een andere rechtbank, merkt mr. Groeneveld op dat daarop bij vonnis zal moeten worden beslist. Daarop kan niet vooruit gelopen worden. Mr. Groeneveld kan zich vinden in de telefonische mededeling van een medewerker van de griffie aan verzoeker dat in het vonnis een beslissing zou worden genomen en dat nog niet kon worden gezegd of het een tussenvonnis of eindvonnis zou worden.

Uit de gang van zaken kan volgens mr. Groeneveld op geen enkele wijze de schijn van partijdigheid van haar als rechter worden afgeleid. Daarnaast meent zij dat vonnissen van collega-rechters of van haarzelf in andere procedures waarin verzoeker betrokken was als procespartij evenmin enige vrees voor partijdigheid rechtvaardigen, zodat ook om die reden geen grond voor wraking bestaat.

overwegingen

5

5.1.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.
5.2.
De wrakingskamer stelt voorop dat mr. Groeneveld in de procedure van verzoeker betrokken is geweest als rolrechter en tot nu toe enkel in die hoedanigheid bemoeienis met de zaak heeft gehad.
Aan het wrakingsverzoek ligt de vrees van verzoeker ten grondslag dat zijn verzoek om verwijzing werd genegeerd, dat hij niet meer de gelegenheid zou krijgen om zijn inhoudelijke standpunt in de zaak kenbaar te maken en dat mr. Groeneveld zich al een inhoudelijk oordeel over de zaak had gevormd, gelet op de mededeling dat er vonnis zou worden gewezen.

De wrakingskamer acht de enkele mededeling dat vonnis zou worden gewezen, zonder dat daarbij enige toelichting is gegeven, voor meerderlei uitleg vatbaar. In die zin is de communicatie van de rechtbank richting verzoeker niet erg duidelijk geweest.

De aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegde vrees van verzoeker is naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet terecht. Met de mededeling dat er vonnis zou worden gewezen, wordt – zo begrijpt de wrakingskamer – niets meer of anders bedoeld dan dat er in de vorm van een vonnis op het verzoek om verwijzing zou worden beslist. De wrakingskamer voegt daar aan toe dat zij er zonder meer van uitgaat dat mocht dit vonnis een afwijzing inhouden van het verwijzingsverzoek, dat dan in de rede ligt dat verzoeker dan alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om inhoudelijk verweer te voeren als gedaagde in de (bodem)procedure.

Dit betekent dat de bij verzoeker gewekte schijn van partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd is.

5.3.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.
beslissing

6

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. T.R. Hidma, L.M. Rijksen en A. Oosterveld, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.D. Moeke en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2019.
de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.