Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:2889

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:2889, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is AWB 19/1245 en AWB 19/1321


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL [eiser] , te [woonplaats] , eiser,het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder.
Zittingsplaats Zwolle
gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,
1. , te Gouda;2. , te Hengelo.

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/1245 en AWB 19/1321

uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

ECLI:NL:RBOVE:2019:2889:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL [eiser] , te [woonplaats] , eiser,het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder.
Zittingsplaats Zwolle
gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,
1. , te Gouda;2. , te Hengelo.
Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/1245 en AWB 19/1321

uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan BAM Infra Regionaal Gouda (hierna: BAM) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een ecoduct over de Rijksweg A35 (hierna: A35) op het perceel ten noorden van de Molenveld en Haimersweg te Enschede.

Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Verder heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 15 maart 2019, zaaknummer AWB 19/352, het primaire besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Bij besluit van 22 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gehandhaafd met een aanpassing van de motivering.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. Pronk, M. van de Keuken en M.B. van der Vegt. BAM heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. Zweverink en D.A. van der Louw. Rijkswaterstaat Oost-Nederland, district Oost (hierna: RWS) heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Bogaerts en F.J.G. van de Elsen.
Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2. RWS wil ten behoeve van een goede ecologische verbinding tussen de verschillende delen van het buitengebied, een ecoduct aanleggen over de A35. Hierdoor worden de (natuur)gebieden aan weerszijden van de A35 (bestaande uit bospercelen, houtwallen, graslanden, akkers en heideterreintjes) met elkaar verbonden. Voor de bouw van het ecoduct is het noodzakelijk om aan weerszijden van de A35 de gronden te bewerken en op te hogen. In de directe nabijheid van het te bouwen ecoduct staan zogeheten ‘zouthuisjes’. Ook bevinden zich in het gebied een watergang, een aardgasleiding en een hoogspanningsleiding.
3. Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
4. De bouw van het ecoduct vindt plaats op gronden waarvoor het bestemmingsplan “Buitengebied Noordwest” (hierna: het bestemmingsplan) geldt. Deze gronden hebben daarin de bestemmingen “Natuur” en “Verkeer” en de dubbelbestemmingen “Leiding-Hoogspanningsverbinding” en “Leiding-Gas”. Verder zijn de gebiedsaanduidingen “overig-ecoduct” en “bodemdalingsgebied” van toepassing.
5. Bij aanvraag van 5 juni 2018 heeft BAM verweerder verzocht haar een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een ecoduct over de A35 op het perceel ten noorden van de Molenveld en Haimersweg te Enschede. Deze aanvraag ziet op de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
6. De voorzieningenrechter heeft het primaire besluit geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het primaire besluit motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken heeft omdat, voor zover hier van belang, het advies van Gasunie zich niet bij de stukken bevond en er geen overleg is geweest met Akzo (thans: Nouryon).
7. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd met een aanvulling van de motivering. Hierbij heeft verweerder allereerst verwezen naar adviezen van Gasunie, Staatstoezicht op de mijnen (SodM) en Nouryon. Onder verwijzing naar deze adviezen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de strijd met het bestemmingsplan enkel het bepaalde in artikel 39.2 van de planregels betreft en dat hij bevoegd is om op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo in samenhang met artikel 39.3 van de planregels, af te wijken van het bestemmingsplan.
8. Eiser stelt dat verweerder de aanvraag niet in behandeling had mogen nemen. Ter onderbouwing heeft hij aangevoerd dat er een ontheffing op grond van de Wnb (soortenbescherming) nodig is en dat dit aangehaakt had moeten worden.
9. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.
10. Eiser stelt dat verweerder heeft miskend dat het bouwplan eveneens in strijd is met de bestemming “Natuur” en de gebiedsaanduiding “bodemdalingsgebied”.
11. Met betrekking tot de gestelde strijd met de bestemming “Natuur” overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
12. Met betrekking tot de gestelde strijd met de gebiedsaanduiding “bodemdalingsgebied” overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Feiten

De afstand van eisers woning tot aan het midden van het ecoduct over de A35 bedraagt circa 350 meter. Hij heeft vanaf zijn perceel rechtstreeks zicht op het te bouwen ecoduct.

Juridisch kader

Artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de activiteit in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts wordt geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Artikel 39.2, onder a, van de planregels bepaalt dat, in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemming(en), niet mag worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming.

Artikel 39.3 van de planregels bepaalt dat burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning kunnen afwijken van het bepaalde in lid 39.2, onder a, en toestaan dat ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemming(en) wordt gebouwd, mits de functionaliteit van de leiding niet nadelig wordt beïnvloed en de realisatie van het bouwwerk vanuit een oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is. De beheerder van de aardgasleiding wordt in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over het voornemen een afwijking toe te staan.

De aanvraag en besluitvorming hierover

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan omdat op grond van artikel 39.2 van de planregels enkel ten behoeve de dubbelbestemming “Leiding-Gas” mag worden gebouwd en het ecoduct niet ten behoeve van deze dubbelbestemming wordt gebouwd. De aanvraag is op grond van het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo daarom mede aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

In het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken van het bestemmingsplan’ verleend. Bij het verlenen van laatstgenoemde vergunning is toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo is samenhang met artikel 39.3 van de planregels. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de beheerder van de aardgasleiding, Gasunie, heeft ingestemd met de voorgestelde oplossing om de hoge druk aardgasleiding te beschermen door middel van een zogenaamd paalmatras.

Wat betreft het aanwenden van deze afwijkingsbevoegdheid heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat hierbij geen belangen hoeven te worden afgewogen die reeds bij recht zijn toegestaan op basis van het bestemmingsplan. Gelet op de gebiedsaanduiding “overig-ecoduct” is het te bouwen ecoduct op basis van het bestemmingsplan toegestaan. In het bestemmingsplan is onderbouwd dat het ecoduct ruimtelijk inpasbaar is. Verweerder heeft hierbij verwezen naar bijlage 9 van de toelichting bij het bestemmingsplan. Subsidiair heeft verweerder door DGMR een akoestisch onderzoek laten uitvoeren, verwezen naar de rapportage van Eelerwoude van 15 juni 2017 betreffende een flora- en faunaonderzoek alsmede een nader flora- en fauna advies van 20 juni 2018. Hieruit blijkt dat het ecoduct niet zal resulteren in een toename van de geluidsbelasting en er geen ontheffing (voor soorten) op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is.

Beoordeling van het beroep / het verzoek

De aanhaakverplichting betreffende de soortenbescherming op grond van de Wnb is geregeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) in samenhang met artikel 6.10a van het Bor. Deze aanhaakverplichting kan pas aan de orde zijn indien voor de activiteit (in deze zaak: het bouwen van het ecoduct) niet alleen een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is vereist maar dat tevens een ontheffing op grond van de Wnb is vereist.

In deze zaak heeft RWS Eelerwoude verzocht hem nader te adviseren over de flora en fauna in het gebied alwaar het ecoduct zal worden gerealiseerd. Eelerwoude heeft in zijn rapportage van 15 juni 2017 geconcludeerd dat in het plangebied meerdere beschermde vleermuissoorten (gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis) voor komen en dat dit gebied onderdeel uitmaakt van het territorium van de buizerd en sperwer. Met de realisatie van het ecoduct worden geen negatieve effecten verwacht op deze soorten. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wnb is daarom niet nodig, aldus Eelerwoude. Dit is bevestigd in het nadere advies van 20 juli 2018.

De voorzieningenrechter oordeelt dat, gelet op deze rapportage van een ter zake deskundige, geen ontheffing op grond van de Wnb is vereist. De niet onderbouwde andersluidende opvatting van eiser treft geen doel. Verweerder heeft dan ook terecht de aanvraag, zo deze was ingediend, in behandeling genomen en daarop beslist.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

De planwetgever heeft in het bestemmingsplan de realisatie van een ecoduct mogelijk gemaakt binnen de bestemming “Natuur” door het expliciet toekennen van de gebiedsaanduiding “overig-ecoduct” aan een op de verbeelding ingetekend vlak. Het is dan ook de bedoeling van de planwetgever geweest om de bouw van een ecoduct mogelijk te maken binnen deze bestemming. Reeds hierom kan niet staande worden gehouden dat het bouwplan, te weten een ecoduct, in strijd is met de bestemming “Natuur”. De voorzieningenrechter voegt hieraan toe dat bij de beoordeling of een bouwplan al dan niet in overeenstemming is met een specifieke bestemming, het bouwplan sec wordt bezien en niet de werkzaamheden om het bouwplan te realiseren. Een ecoduct sec is in overeenstemming met de bestemmingsomschrijving zoals neergelegd in artikel 24.1 van de planregels. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

Verder volgt uit de aanduidingsomschrijving in artikel 46.7.1 van de planregels dat de voor “overig-ecoduct” aangewezen gronden mede bestemd zijn voor een ecoduct met bijbehorende op- en afritten, aanplant, palen en afrasteringen. Hieruit volgt dat het realiseren van de ecopassage, te weten het ‘aankleden’ van het ecoduct en het op natuurlijke wijze inpassen van het ecoduct in de omgeving, in overeenstemming is met deze gebiedsaanduiding.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de bestemming “Natuur”. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt niet.

12.1.
Artikel 46.5 van de planregels bepaalt dat binnen de op de verbeelding door middel van de gebiedsaanduiding “overig-bodemdalingsgebied” aangegeven gronden niet mag worden gebouwd, tenzij het bevoegd gezag advies heeft ingewonnen bij het SodM over de te verwachten veiligheidsrisico’s als gevolg van bodeminstabiliteit in relatie tot de perceelslocatie en verwachte levensduur van het gebouw.
In deze zaak heeft verweerder SodM verzocht hem te adviseren over de bodemdaling in het bewuste gebied. Samengevat weergegeven heeft SodM op 4 oktober 2018 meegedeeld dat er sprake is van stabiele carvernes, zodat de inschatting is dat ‘hier qua bodemdaling geen issue is’. Verder is aangegeven dat nadere afstemming met Akzo (thans: Nouryon) - over het (versneld) afsluiten van cavernes waar geen zout meer uit wordt gewonnen - raadzaam is. Verweerder heeft Nouryon verzocht op het advies van SodM te reageren en hem nader te adviseren. Nouryon heeft vervolgens, samengevat weergegeven, meegedeeld dat de betrokken cavernes stabiel en veilig zijn, dat de maximale bodemdaling 5 centimeter in 100 jaar tijd bedraagt en dat dit geen schade zal veroorzaken aan bovengrondse functies. Het abandonneren van de putten (planning: binnen enkele jaren) is mogelijk omdat RWS bij het ontwerp van het ecoduct hiermee rekening heeft gehouden.

12.2.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) hanteert met betrekking tot deskundigenadviezen de navolgende lijn, die de voorzieningenrechter volgt.Indien een bestuursorgaan een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de inhoud inzichtelijk en concludent is. Het laatste betekent dat de gedachtegang duidelijk en voldoende controleerbaar moet zijn. Als hieraan is voldaan mag het bestuursorgaan van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht. Het inbrengen van een andersluidend advies van een andere deskundige kan een dergelijk concreet aanknopingspunt zijn. Daarbij is vereist dat deze persoon ter zake deskundig, onafhankelijk en onpartijdig is. Het plaatsen van een eigen persoonlijke mening dan wel het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de conclusies in een uitgebracht advies, kan niet worden geduid als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van een advies.
In deze zaak is met betrekking tot de veiligheidsrisico’s als gevolg van bodeminstabiliteit door twee ter zake deskundigen (te weten SodM en Nouryon) gerapporteerd. Eiser heeft geen andersluidend advies van een terzake deskundige ingebracht maar heeft volstaan met het plaatsen van kritische kanttekeningen. Eiser heeft dan ook geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van de adviezen naar voren gebracht. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder zijn standpunt met betrekking tot de bodem(in)stabiliteit heeft mogen baseren op deze adviezen.

Uit deze adviezen blijkt dat er geen veiligheidsrisico’s als gevolg van bodeminstabiliteit zijn. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de gebiedsaanduiding “bodemdalingsgebied”. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt niet.

Gelet op deze strijd met het bestemmingsplan is een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo vereist. Dit is tussen partijen niet in geschil.

Verweerder heeft in dit kader verwezen naar een positief standpunt van Gasunie. Eiser heeft volstaan met de stelling dat er geen advies van Gasunie is.

De voorzieningenrechter constateert dat Gasunie op 5 april 2019 (nogmaals) heeft meegedeeld dat hij akkoord gaat met de overhandigde berekeningen en het voorgestelde paalmatras. Deze reactie en de berekeningen waarnaar is verwezen, zijn als gedingstuk 12 ingebracht. Gelet op de reactie van Gasunie heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de functionaliteit van de gasleiding niet nadelig wordt beïnvloed en de realisatie van het ecoduct vanuit een oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is. Hierdoor wordt er voldaan aan de voorwaarde in artikel 39.3 van de planregels zodat verweerder bevoegd is om op grond van dit artikel binnenplans af te wijken.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

13. Tussen partijen is niet in geschil dat de activiteit in strijd is met artikel 39.2, onder a, van de planregels omdat het ecoduct niet ten behoeve van de dubbelbestemming “Leiding-Gas” wordt gebouwd. De voorzieningenrechter onderschrijft dit gedeelde standpunt.
14. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om, onder verwijzing naar artikel 39.3 van de planregels, af te wijken van het bestemmingsplan. Meer specifiek zijn partijen verdeeld over de vraag of er in deze zaak al dan niet wordt voldaan aan de voorwaarde, neergelegd in artikel 39.3 van de planregels, dat de functionaliteit van de leiding niet nadelig wordt beïnvloed en de realisatie van het bouwwerk vanuit een oogpunt van externe veiligheid aanvaardbaar is.
15. Met betrekking tot de aanwending van de afwijkingsbevoegdheid overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
15.1.
Van de hiervoor vermelde afwijkingsbevoegdheid kan ingevolge het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo slechts gebruik worden gemaakt indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt dat het bestuursorgaan bij zijn besluitvorming over een aanvraag als hier aan de orde beleidsruimte heeft. Dat betekent in dit geval dat verweerder de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechter toetst of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij de beantwoording van de vraag of verweerder in redelijkheid van een bestemmingsplan heeft kunnen afwijken, niet voorbij kan worden gegaan aan de mogelijkheden waarin het bestemmingsplan, waarvan wordt afgeweken, reeds voorziet.

15.2.
Eiser stelt in zijn verzoek- en beroepschrift, samengevat weergegeven, dat hij vreest dat zijn uitzicht wordt aangetast, er sprake zal zijn van luchtvervuiling en geluidhinder, er geen rekening is gehouden met de flora en fauna alsmede de mate van uitstoot van stikstof en de schade hierdoor aan Natura 2000-gebieden. De gevolgen voor het milieu hadden volgens eiser in beeld moeten worden gebracht door het opstellen van een milieueffectrapportage (hierna: MER). Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat de MER-wetgeving recentelijk is aangescherpt en heeft hij verwezen naar een recente uitspraak van de Afdeling over de programmatische aanpak stikstof (hierna: PAS).
15.3.
De voorzieningenrechter overweegt hierover dat de afweging of het ecoduct ruimtelijk aanvaardbaar is, heeft plaatsgevonden in de procedure die heeft geresulteerd in het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan. In de toelichting, meer specifiek bijlage 9 bij de toelichting, is verwoord hoe deze ruimtelijke aanvaardbaarheid is beoordeeld. Wat betreft geluid is geconcludeerd dat met de realisatie van het ecoduct de geluidsbelasting op de omgeving niet zal toenemen. Wat betreft luchtkwaliteit is geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan (waaronder het ecoduct). Wat betreft flora en fauna is geconcludeerd dat nader (veld)onderzoek of het vragen van een ontheffing niet noodzakelijk wordt geacht. Wat betreft Natura 2000-gebieden is geconcludeerd dat het ecoduct op grote afstand van Natura 2000-gebieden is gelegen en dat, gelet op de aard en de omvang van het ecoduct, de conclusie is dat er geen significante gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen. Een planMER is niet nodig geacht.
Het bestemmingsplan is onherroepelijk zodat de ruimtelijke afwegingen die hebben geresulteerd in het toekennen van specifieke bestemmingen (in casu: het toekennen van de gebiedsaanduiding “overig-ecoduct”) niet meer ter discussie kunnen worden gesteld. Ook het gestelde aantasten van het uitzicht door het ecoduct is ‘afgedekt’ door het bestemmingsplan. De gestelde nieuwe wetgeving respectievelijk jurisprudentie over de MER en de PAS kan, wat daar ook van zij, niet afdoen aan het onherroepelijke karakter van het bestemmingsplan. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De hiertegen gerichte beroepsgronden slagen niet.
16. Ten aanzien van de vereiste belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

16.1.
Eiser heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat zijn belang erop is gericht te voorkomen dat het geluid, afkomstig van het verkeer op de A35, beter hoorbaar zal zijn op zijn woonperceel vanwege de aanwezigheid van het ecoduct.
De voorzieningenrechter overweegt hierover dat de afwijkingsbevoegdheid die in deze zaak voorligt, te weten artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo in samenhang met artikel 39.3 van de planregels, enkel mag worden aangewend als de externe veiligheid niet in het geding is. Dit betekent dat bij de vraag of in een specifiek geval al dan niet gebruik wordt gemaakt van deze afwijkingsbevoegdheid, enkel het belang van de externe veiligheid in de besluitvorming mag worden meegewogen. Het verkeersgeluid heeft hier niets mee van doen, zodat verweerder dit belang niet mag meewegen in zijn besluitvorming.

16.2.
Ter zitting heeft RWS desgevraagd meegedeeld dat hij jaarlijks het verkeersgeluid nabij rijkswegen monitort en dat, indien blijkt dat de geluidsbelasting op woningen nabij rijkswegen hoger is dan de toegestane norm, hij maatregelen dient te treffen.
17. Samenvattend oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om af te wijken van het bestemmingsplan door middel van een binnenplanse afwijking (als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo in samenhang met artikel 39.3 van het bestemmingsplan) en dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Verder heeft verweerder terecht geoordeeld dat het bouwplan, voor zover bestreden, voldoet aan het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo.
18. Het beroep is ongegrond. 19. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dit betreft een handhavingskwestie. Die ligt nu niet in rechte voor.

beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

-

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningen-rechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.