Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:2357

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 11-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:2357, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08/108630-17 en 08/145528-15 (TUL) (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/108630-17 en 08/145528-15 (TUL) (P)Datum vonnis: 11 juli 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,wonende in de [woonplaats] .

ECLI:NL:RBOVE:2019:2357:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/108630-17 en 08/145528-15 (TUL) (P)Datum vonnis: 11 juli 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,wonende in de [woonplaats] .
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 juni 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. de Waard en van hetgeen door verdachte en de raadsman, mr. J. Ruarus, advocaat te Borne, naar voren is gebracht.
2

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging op 27 juni 2019, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:

feit 2:

feit 3:

feit 4:

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2016 tot en met 20 juli 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning aan de [adres 1] , opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 200 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2016 tot en met 21 juli 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 314 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 314 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);
3hij in of omstreeks de periode van 18 februari 2016 tot en met 21 juli 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit/stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
4hij op of omstreeks 21 juli 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) ongeveer 465 hennepstekken/hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gezien de bekennende verklaring van verdachte, op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring kan volgen.

4.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1:

Ten aanzien van feit 2:

Ten aanzien van feit 3:

Ten aanzien van feit 4:

-

het proces verbaal van terechtzitting van 27 juni 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

het proces-verbaal van bevindingen van 21 juli 2016, dossierpagina 009;

het proces-verbaal van doorzoeking van 21 juli 2016, dossierpagina 017;

het proces-verbaal van bevindingen van 26 juli 2016, dossierpagina 054.

-

het proces verbaal van terechtzitting van 27 juni 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

het proces-verbaal van aantreffen hennepplantage, dossierpagina’s 165-167.

-

het proces verbaal van terechtzitting van 27 juni 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

het proces-verbaal van aangifte namens Enexis, dossierpagina 196.

-

het proces-verbaal van terechtzitting van 27 juni 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

het proces-verbaal van aantreffen hennepplantage, dossierpagina’s 165-167.

4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1hij in de periode van 19 juli 2016 tot en met 20 juli 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met anderen in een woning aan de [adres 1] , opzettelijk aanwezig heeft gehad, 200 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2hij in de periode van 26 mei 2016 tot en met 21 juli 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt, in een pand aan de [adres 2] , ongeveer 314 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 314 hennepplanten;
3hij in de periode van 18 februari 2016 tot en met 21 juli 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit/stroom, toebehorende aan Enexis, waarbij verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
4hij op 21 juli 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O) opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 2] , 465 hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: ;
feit 2

het misdrijf: ;
feit 3

het misdrijf: ;
feit 4

het misdrijf: .
6

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en een gevangenisstraf voor de duur van één maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van één jaar op te leggen.

7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank volstaat met het opleggen van een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar.

7.3
De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben, telen, bewerken, verwerken en bereiden van een grote hoeveelheid hennepplanten in verschillende panden. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van stroom. Hennepteelt is verboden. Bij langdurig gebruik kan hennep leiden tot gezondheidsschade en ontwrichting van het maatschappelijke en sociale leven. De productie van en handel in hennep gaan bovendien vaak gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Daar komt bij dat hennepteelt in woningen dikwijls overlast en (brand)gevaarlijke situaties in die woningen en daarmee in woonwijken veroorzaakt. Verdachte heeft zich kennelijk om deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 mei 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld, maar wel voor vermogensdelicten.

De rechtbank zoekt bij het bepalen van de strafmaat aansluiting bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van het telen van 500-1000 hennepplanten een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat op verschillende locaties een totale hoeveelheid hennepplanten is geteeld die aan de bovenkant van deze bandbreedte valt. Hennepteelt gaat vaak gepaard met diefstal van stroom, zoals ook in dit geval. Voor dat delict bestaat geen afzonderlijk oriëntatiepunt.

Alles overwegende en rekening houdend met het tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van de feiten. De rechtbank acht een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank, om verdachte er van te weerhouden dat hij zich opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig maakt, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand opleggen en hieraan een proeftijd van één jaar verbinden.

8

8.1
De vordering van de benadeelde partij

- Netwerkkosten elektriciteit/CAPTAR € 200,54;- Verbruik elektriciteit € 1.655,14;- Elektriciteitsmeter 1 fase € 19,77;- Vooronderzoek en dossieraanleg € 58,48;- Dossierverwerking en aangifte € 116,99;- Opmaken factuur € 78,01;- Afhandelingskosten € 116,99;- Uurtarief inspecteur € 304,00;- Buitengerechtelijke incassokosten € 379,99.
Enexis B.V. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.929,91 (tweeduizend negenhonderdennegenentwintig euro en eenennegentig eurocenten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
Daarnaast vordert de benadeelde partij om verdachte te veroordelen tot betaling van de proceskosten van € 350,--.

8.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade geheel toegewezen kan worden.

8.3
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard nu niet blijkt dat mr. Vaarkamp door de benadeelde partij is gemachtigd. De raadsman heeft subsidiair betoogd dat de vordering tot een bedrag van € 1.984,08 toegewezen en voor het overige afgewezen dient te worden.

8.4
Het oordeel van de rechtbank

Mr. Vaarkamp heeft ter terechtzitting verklaard door de benadeelde partij gemachtigd te zijn. De rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen en wijst ten overvloede op het bepaalde in artikel 51c Sv.

De vordering heeft betrekking op het onder feit 3 tenlastegelegde. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop verdachte geacht moet worden met de betaling in verzuim te zijn geraakt.

8.5
De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 3 bewezenverklaarde is toegebracht. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is er geen rechtsregel die zich verzet tegen het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel bij een rechtspersoon als benadeelde partij.

9

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Almelo van 28 september 2015 in de zaak met parketnummer 08/145528-15 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 250,-.

De rechtbank is van oordeel dat hoewel is komen vast te staan dat verdachte gedurende de proeftijd nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, hetgeen in beginsel de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf rechtvaardigt, het niet opportuun is om de voorwaardelijk opgelegde taakstraf ten uitvoer te leggen. De rechtbank zal de vordering afwijzen.

10

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

beslissing

11

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;
- veroordeelt verdachte tot een voor de duur van ; - bepaalt dat deze gevangenisstraf , tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:- stelt als dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;- veroordeelt verdachte tot een , bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van ;- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat zal worden toegepast voor de duur van ;- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (feit 3) van een bedrag van € 2.929,91 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2016);- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 350,--, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder feit 3 bewezenverklaarde tot 2.929,91 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 39 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- de vordering tot tenuitvoerlegging .
De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

feit 1, het misdrijf: ;

feit 2, het misdrijf: ;

feit 3, het misdrijf: ;

feit 4, het misdrijf: ;

strafbaarheid verdachte

straf

schadevergoeding

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf bij parketnummer 08/145528-15

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. J.H. Olthof en mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J.H. Muurmans, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2019.

_9e77a6a7-5bd8-410c-83e5-503f957ecdbd
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2017195171. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.