Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:2342

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:2342, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/08/230150 / HA RK 19-47


Bron: Rechtspraak

center
100
bf8cd5b1-bad3-4b4e-8209-17aa122b67c6
2
13
image/png

center
100
b5ded738-8ce2-41dc-a0b7-c695d720b7a0
2
523
image/png


RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: C/08/230150 / HA RK 19-47

Beschikking van 10 juli 2019

in de zaak van

[X] [Y] , [verzoeker]
wonende te [plaats] ,verzoeker, verder te noemen: [verzoeker] ,advocaat mr. M. Mampel te Almelo,
tegen

de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V

gevestigd te Apeldoorn,verweerster, verder te noemen: Achmea,advocaat mr. A.L. Mijnssen te Leusden.

ECLI:NL:RBOVE:2019:2342:DOC
nl

center
100
bf8cd5b1-bad3-4b4e-8209-17aa122b67c6
2
13
image/png

center
100
b5ded738-8ce2-41dc-a0b7-c695d720b7a0
2
523
image/png


RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: C/08/230150 / HA RK 19-47

Beschikking van 10 juli 2019

in de zaak van

[X] [Y] , [verzoeker]
wonende te [plaats] ,verzoeker, verder te noemen: [verzoeker] ,advocaat mr. M. Mampel te Almelo,
tegen

de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V

gevestigd te Apeldoorn,verweerster, verder te noemen: Achmea,advocaat mr. A.L. Mijnssen te Leusden.
1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het verzoekschrift met producties 1 tot en met 21 het verweerschrift met productie de mondelinge behandeling het tijdens de mondelinge behandeling overgelegde arrest 10 mei 2019 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2

2.1.
[verzoeker] is op 8 februari 2016 rond 20:30 uur als passagier betrokken geweest bij een eenzijdig ongeval. [verzoeker] heeft bij dit ongeval ernstig en blijvend (hersen)letsel opgelopen. Op het moment van het ongeval was [verzoeker] 17 jaar.
2.2.
De auto waarin [verzoeker] zat werd bestuurd door [A] , een vriend van [verzoeker] . [verzoeker] zat op de bijrijderstoel. Achterin de auto zat een andere vriend, [B] .
2.3.
Voor het ongeval waren [verzoeker] , [A] en [B] van Dalfsen naar Zwolle gereden waar [A] wiet heeft gehaald. Op een parkeerplaats bij Zwolle heeft [A] (in ieder geval) één trekje genomen van een joint. Hierna is het drietal verder gereden naar Dalfsen. Rijdend op de Poppenallee (N757) van Zwolle naar Dalfsen is de auto van de weg geraakt en tegen een boom tot stilstand gekomen.
2.4.
Op het moment van het ongeval was het donker. Het regende, het wegdek was nat en er waren harde windstoten vanwege een over het land trekkende zuidwesterstorm.
2.5.
Assistentie na het ongeval is verleend door [Hoofdagent] van politie-eenheid Oost-Nederland. Zij was op dat moment vrij en reed toevallig langs de plek van het ongeval. Zij heeft haar bevindingen vastgelegd in een proces-verbaal met nummer PL0600-2016066819-8. In dat proces-verbaal staat onder meer dat er nog andere mensen (omstanders) aanwezig waren toen zij bij de plek van het ongeval aankwam. [B] was op dat moment al uit de auto. Ook staat in het proces-verbaal dat het slachtoffer [ [verzoeker] ] op het moment dat [Hoofdagent] bij hem kwam geen gordel om had en dat ze geen idee had of hij de gordel om heeft gehad. Wel heeft ze [B] horen zeggen dat hij de gordel van de bestuurder [ [A] ] heeft opengemaakt. Door [Hoofdagent] en de twee verbalisanten die later arriveerden werd in de auto een wietlucht waargenomen. Ook is in de asbak van de auto een half opgerookte joint aangetroffen. [B] heeft de avond van het ongeval rond 21:45 uur tegen één van de aanwezige verbalisanten gezegd:
2.6.
In het bloed van [B] is een concentratie THC (cannabinoïden) aangetroffen van 0,0037 mg/l.
2.7.
In verband met het ongeval is door de politie een VerkeersOngevalsAnalyse (VOA) uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn vastgelegd in een proces-verbaal met nummer 2016-066819.
In het proces-verbaal staat onder 1.4 Conclusie / beantwoording (voor zover van belang):

“Op een recht stuk weggedeelte raakte de bestuurder, om een onbekend gebleven reden, de controle over zijn voertuig kwijt. De Volkswagen raakte op de rijbaan in een rechtsom draaiende slip en slipte daarna de rechterberm in.[...]

Er kon haast met zekerheid worden vastgesteld dat de passagier rechts naast de bestuurder en de passagier op de achterbank geen gebruik hadden gemaakt van de autogordel. [...]”

2.8.
[verzoeker] heeft hierop Baan Hofman Ongevallenanalyse ingeschakeld. In haar rapportage van 3 november 2017 noemt Baan Hofman aquaplaning als meest waarschijnlijke oorzaak van het ongeval. Baan Hofman komt in haar rapportage vervolgens - voor zover van belang - tot de volgende conclusies:
-

Op de gordel van de passagier van de Volkswagen is niet te verwachten dat hier sporen van hitte of overrekking zichtbaar zijn

De ruimte van het inzittendencompartiment is verkleind tot ongeveer 78 centimeter waarin twee inzittenden bevonden. Om deze reden heeft wel of geen gebruik van de gordel geen invloed gehad op het ontstane letsel [...].

2.9.
Een door Achmea ingeschakelde deskundige (Meuwissen Verkeers Ongevallen Analyse, hierna: MVOA) heeft in een analyse van 29 januari 2018 onderschreven dat de conclusie van de politie dat er sporen op de gordel van de passagier te verwachten zouden zijn onjuist is. Bij een zijdelingse belasting zijn belastingsporen op de gordel in beginsel niet te verwachten. Ook verklaart MVOA dat er vanwege de zijdelingse belasting een grote kans was dat de gordelspanner niet werd geactiveerd. Over de conclusie van Baan Hofman dat het al dan niet dragen van een gordel geen invloed heeft gehad op het ontstaan van het letsel heeft MVOA verklaard:
“Wat betreft dit punt lees ik in het rapport van bureau Baan Hofman, dat de rechts gezeten passagier geen ruimte had om van zijn stoel te komen. Dat lijkt mij een voorbarige stelling. Bij dit soort botsingen kan het zomaar zijn, dat men “langs/voor/over” elkaar beweegt, ook binnen een relatief geringe ruimte. Ook acht ik het wat mij betreft te zeker om te stellen, dat het wel of niet dragen van de gordel geen enkele invloed heeft gehad op het ontstaan van letsel. Er zit wel een waarheid binnen deze stelling, echter nu wij achteraf niet exact het bewegingsverloop van de inzittende(n) weten, kunnen wij hier ook niet zo zeker over zijn, als bureau Baan Hofman doet voorkomen. Ik zou hier meer willen spreken over de omstandigheid dat wij over het verschil tussen het wel of niet dragen van de gordel geen zekere uitspraak kunnen doen over het verschil van het ontstaan van het letsel. Hieronder een uitleg.

Punt is, dat de gordel een bijzonder middel is om de inzittende bij een frontale belasting op de auto op te vangen om daarmee te voorkomen dat deze inzittende (met kracht) tegen de binnenzijde van het voertuigcompartiment komt. Daarnaast is de gordel een middel om de inzittende op z’n plaats te houden als het voertuig bijvoorbeeld gaat slingeren en/of over de kop gaat; dan wordt aldus voorkomen dat de inzittende van zijn stoel wordt geheven. Dit wordt anders als er een object het compartiment naar binnen dringt. Of men dan wel of geen gordel draagt, dat binnenkomend object kan het lichaam indirect belasten, vanwege het naar binnen drukken/komen van het compartiment (door die externe kracht). Dat geldt ook bij een zijdelingse belasting. Bij een zijdelingse belasting komt daar nog bij, dat het naar binnen komend object, in dit geval de boom, vrijwel direct de flank naar binnen drukt (er is geen extra afstand van bijvoorbeeld voorzijde tot compartiment te overbruggen). In deze casus is de boom ook nog deels/schuin van bovenaf naar binnen gekomen (het dak is ingedrukt). Kortom qua bewegingsverloop hebben wij van de ene zijde een van links naar rechts en deels van boven naar beneden naar binnen komend compartiment (door de boom), terwijl wij van de andere zijde (lees richting) een van rechts naar links pendelend bovenlichaam hebben, dat vanwege de wat gekantelde positie van de Volkswagen tijdens de botsing, ook uit de stoel wordt geheven. Het pendelen van het bovenlichaam wordt niet of minder opgevangen door het borstgedeelte van de autogordel, zie nog eens de afbeelding op de vorige pagina. In feite geen verschil tussen wel/geen gebruik gordel. Het van de stoel willen bewegen wordt bij wel gebruik gordel in principe door het heupgedeelte van de gordel opgevangen. Hier zouden wij aldus wel een verschil tussen wel/geen gebruik gordel zien. Echter vanwege de “standaard” speling die er voor het “draagcomfort” is, blijft er ook bij wel gebruik gordel ruimte voor het deels uit de stoel omhoog kunnen komen van het lichaam. In dat geval bestaat ook bij wel gebruik van de gordel de kans dat er sprake is van een contact van het bovenlichaam/hoofd van de rechts gezeten passagier met het van link naar rechts/ naar beneden en naar binnenkomend dak van de Volkswagen.

Aldus onder deze specifieke omstandigheid is er bij wel gebruik van de gordel ook kans voor een contact van bovenlichaam/hoofd van de rechts gezeten passagier met het naar binnen komend dak en de linkerflank van de Volkswagen. De vraag is echter op het krachtenspel en daarmee de belasting op het lichaam gelijk is met geen gebruik van de gordel. Bij geen gebruik van de gordel kan het lichaam immers “vrij” binnen het compartiment bewegen, bij wel gebruik gordel zal er toch “ergens” een grens/moment zijn, dat het lichaam door het heupgedeelte wordt opgevangen. Dat laatste is juist waarop ik qua stelligheid van het gestelde door het bureau Baan Hofman wil wijzen. Waar ligt hier die grens? Mijns inziens weten wij dat niet en daarom kan hierover niet zo stellig worden geschreven.”

2.10.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft [A] op 10 mei 2019 vrijgesproken van overtreding van het bepaalde in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Het hof heeft daarbij overwogen:
“Naar het oordeel van het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet komen vast te staan dat de verdachte onoplettend heeft gereden en niet of in onvoldoende mate heeft gelet of is blijven letten op het direct voor hem gelegen weggedeelte.

Er was de bewuste avond sprake van een zuidwesterstorm. Op de plaats van het ongeval voelde de politie tijdens het opnemen van de aanrijding hevige windstoten. Er was sprake van regenval en het wegdek ter plaatse van het ongeval was nat. De verdachte was van die weersomstandigheden op de hoogte: hij was eerder die avond over dezelfde weg van Dalfsen naar Zwolle gereden. [B] , die als passagier in de auto zat, heeft verklaard dat de auto door de harde wind telkens – dus ook voor het moment waarop de auto van de weg raakte – naar rechts trok en dat de verdachte zijn snelheid heeft verminderd en naar zijn, [B] , idee minder snel reed dan de ter plaatse toegestane 80 kilometer per uur. Met betrekking tot het moment dat de auto van de weg raakte spreekt [B] van een rukwind die de auto raakte. Uit het dossier en meer in het bijzonder het technisch onderzoek is niet komen vast te staan hoe hard de verdachte heeft gereden en hoe sterk de wind was op het moment dat de auto van de weg raakte.

De verdachte heeft zijn snelheid aan de weersomstandigheden aangepast en kennelijk ook (telkens) tegenstuur gegeven tegen de windvlagen maar is toch van de weg geraakt. Bij gebreke van verdere gegevens kan het hof niet komen tot de vaststelling dat de verdachte op het moment van het van de weg raken zijn rijsnelheid onvoldoende had aangepast.

Het feit dat de verdachte geblowd had maakt dit, gelet op de door het NFI gerapporteerde geringe overschrijding van de grenswaarde, niet anders.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel bewezen is dat sprake is van (tenminste) aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid.”

2.11.
[verzoeker] heeft Achmea als WAM-verzekeraar van de auto aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval.
3

3.1.
[verzoeker] verzoekt dat de rechtbank bij beschikking als bedoeld in artikel 1019w Rv:
I. voor recht zal verklaren (primair) dat de schadevergoedingsverplichting van Achmea ter zake het ongeval van 8 februari 2016 niet dient te worden verminderd als gevolg van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] , dan wel (subsidiair) een eigen schuld percentage vast te stellen dat minder is dan 75% of 40%;

II. de kosten van [verzoeker] ex artikel 1019aa Rv zal begroten op een bedrag van € 7.729,43 en Achmea zal veroordelen tot betaling daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na afgifte van de beschikking.

3.2.
Achmea voert verweer. Zij erkent krachtens de WAM aansprakelijk te zijn voor de schade die door [verzoeker] is geleden. [verzoeker] moet echter 75% eigen schuld worden toegerekend omdat hij is meegereden met een onder invloed van drugs verkerende bestuurder (50%) en omdat hij geen gordel droeg (25%). Op grond van de billijkheidscorrectie is er aanleiding om de schadevergoedingsplicht van Achmea te verhogen met 25%. Achmea ziet daarom aanleiding voor vergoeding van 50% van de door [verzoeker] geleden schade.
3.3.
Op de standpunten van beide partijen zal hierna nader worden ingegaan.
overwegingen

4

Deelgeschil?
4.1.
Het verzoek valt in beginsel binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Met een oordeel over de (mate van) eigen schuld kunnen partijen verder onderhandelen over de door Achmea aan [verzoeker] te vergoeden schade. [verzoeker] is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek.
Artikel 6:101 BW

4.2.
Ingevolge artikel 6:101 BW wordt de vergoedingsplicht van de aangesprokene verminderd, indien de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Vereist is dus dat niet alleen causaal verband bestaat tussen de gebeurtenis waarvoor de aangesprokene aansprakelijk is. Ook moet er causaal verband bestaan tussen de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden en de schade. Er moet dus een condicio sine qua non-verband bestaan tussen de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden en de schade, hetzij in die zin dat de schade zonder die omstandigheden in het geheel niet zou zijn ingetreden, hetzij in die zin dat de schade dan lager uitgevallen zou zijn dan in werkelijkheid is gebeurd. Ontbreekt condicio sine qua non-verband, dan is er geen plaats voor vermindering van de vergoedingsplicht.
Artikel 6:101 BW causaliteit/joint

4.3.
Vaststaat dat de bestuurder waar [verzoeker] bij in de auto zat op het moment van het ongeval onder invloed van verdovende middelen verkeerde. De vastgestelde concentratie THC in het bloed overschreed, zij het in geringe mate, de toegestane norm. Hiermee was sprake van een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 door de bestuurder. Dit gegeven leidt echter niet tot de onontkoombare conclusie dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] . Een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW kan in een geval als hier aan de orde pas slagen als moet worden geconcludeerd dat het ongeval (mede) is veroorzaakt door het gebruik van verdovende middelen door [A] .
4.4.
In paragraaf 4.2 van haar rapportage heeft Baan Hofman haar bevindingen ten aanzien van de oorzaak van het ongeval weergegeven. In deze paragraaf schetst Baan Hofman de (waarschijnlijke) wijze waarop de auto als gevolg van de (weers)omstandigheden, de omstandigheden ter plaatse (plassen op het rechterdeel van de weg) en de staat van het voertuig (bandenprofiel), al op de rijbaan in een slip is geraakt en hierna in de berm tegen een boom tot stilstand is gekomen. Baan Hofman legt ook uit hoe (juist) deze omstandigheden elkaar in negatieve zin hebben versterkt. In zijn arrest van 10 juli jl. heeft gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een beschrijving gegeven van de weersomstandigheden en de wijze waarop [A] zich daaraan heeft aangepast (aanpassing snelheid en het geven van tegenstuur tegen windvlagen). Dat [A] aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden heeft het hof niet vast kunnen stellen.
4.5.
Het voorgaande in aanmerking genomen zijn er geen aanwijzingen dat een onoplettendheid of onvoorzichtigheid van [A] , onder invloed van verdovende middelen, heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het ongeval of de (ernst van de) gevolgen daarvan.
4.6.
Achmea heeft gepleit voor toepassing van de omkeringsregel. Hiermee zou het causaal verband tussen het drugsgebruik van de bestuurder en het ongeval voorshands bewezen zijn. Daargelaten of de omkeringsregel ook kan worden toegepast in het geval de norm (het rijden onder invloed) niet door de benadeelde zelf is overtreden, leidt dit niet tot een ander oordeel. Als van een in beginsel gegeven causaal verband tussen het rijden onder invloed en het ontstaan van de schade zou moeten worden uitgegaan, geldt dat [verzoeker] voldoende onderbouwd heeft gesteld en aannemelijk heeft gemaakt dat het ongeval ook zou hebben plaatsgevonden als [A] niet onder invloed van verdovende middelen zou hebben verkeerd. Achmea heeft op haar beurt de hiervoor weergegeven conclusies van Baan Hofman en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet onderbouwd weersproken. Nu ook overigens elk aanknopingspunt voor invloed van de (geringe) overschrijding van de grenswaarde THC in het bloed van [A] op het ongeval ontbreekt, kan het beroep van Achmea op artikel 6:101 BW reeds daarom niet slagen.
Artikel 6:101 BW causaliteit/gordel

4.7.
Of een deel van de schade kan worden toegerekend aan [verzoeker] vanwege het niet dragen van een autogordel is in de eerste plaats van belang of is komen vast te staan dat [verzoeker] geen autogordel om had op het moment van het ongeval. Zowel in de rapportage van Baan Hofman als in de verklaring van het door Achmea ingeschakelde MVOA is geconcludeerd dat de afwezigheid van sporen op de gordel niet leidt tot de conclusie dat de gordel niet werd gedragen. Dit heeft te maken met de specifieke omstandigheden van dit ongeval, waarbij sprake was van een zijwaartse impact.
4.8.
Dat [verzoeker] zijn gordel niet om had op het moment dat [Hoofdagent] bij de plaats van het ongeval aankwam betekent voorts niet zonder meer dat hij de gordel ook tijdens de rit niet om had. Niet valt uit te sluiten dat [B] of één van de vóór [Hoofdagent] aanwezige omstanders de gordel van [verzoeker] heeft losgemaakt. De omstandigheid dat [B] alleen over de gordel van [A] heeft verklaard deze te hebben losgemaakt maakt dit niet anders. Uit niets blijkt dat [B] expliciet gevraagd is naar de gordel van [verzoeker] . Zijn verklaring sluit dus niet uit dat hij ook de gordel van [verzoeker] heeft losgemaakt.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat [verzoeker] geen gordel om had op het moment van het ongeval. Het beroep van Achmea kan alleen al hierom niet slagen.
4.10.
Daarbij komt nog dat [verzoeker] met een verwijzing naar het rapport van Baan Hofman voldoende onderbouwd gesteld en aannemelijk heeft gemaakt dat het wel of geen gebruik van de gordel in dit specifieke geval geen invloed heeft gehad op het ontstane letsel. Hoewel de door verweerder ingeschakelde deskundige deze conclusie van Baan Hofman als ‘te stellig’ kwalificeert, merkt hij ook op dat er wel een waarheid zit in deze (door Baan Hofman) gegeven conclusie. Dat betekent dat ook dit in de weg staat aan een succesvol beroep op eigen schuld in de zin van 6:101 BW.
Conclusie

4.11.
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Dat betekent dat de door [verzoeker] primair gevraagde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
Kosten deelgeschil

4.12.
Op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv dient de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Bij de begroting van de kosten dient de dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.13.
Voor de kosten van het deelgeschil maakt [verzoeker] in haar verzoekschrift aanspraak op een totaalbedrag van € 7.729,43 (inclusief griffierecht). Achmea heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven geen bezwaar hebben tegen omvang van de door [verzoeker] opgevoerde kosten.
4.14.
De rechtbank zal de kosten van het deelgeschil begroten op € 7.729,43. Achmea zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal worden toegewezen vanaf de veertiende dag na betekening van deze beschikking.
beslissing

5

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de schadevergoedingsverplichting van Achmea ter zake het ongeval van 8 februari 2016 niet dient te worden verminderd als gevolg van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] ,
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.729,43 en veroordeelt Achmea tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker] , te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele betaling,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2019.

_c435e5fe-1c38-4c1d-b7ec-5752f7745952
1

type: coll: