Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:1969

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:1969, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08/952977-18 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/952977-18 (P)Datum vonnis: 11 juni 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1966 in [geboorteplaats 1] ,nu gedetineerd in de P.I. Zutphen.

ECLI:NL:RBOVE:2019:1969:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/952977-18 (P)Datum vonnis: 11 juni 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1966 in [geboorteplaats 1] ,nu gedetineerd in de P.I. Zutphen.
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 mei 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. de Waard en van wat door de door verdachte uitdrukkelijk gemachtigde raadsman mr. M.A.J. van der Klaauw, advocaat in Haarlem, naar voren is gebracht.
2

- zich naar het winkelpand van [bedrijf 1] . te begeven en/of

- (vervolgens) zich aldaar geïnteresseerd te tonen en/of om informatie te

- (vervolgens) voornoemde goederen te bestellen op naam van een bedrijf, te

- de goederen te laten leveren en/of

- (vervolgens) telefonisch contact op te nemen met voornoemde winkel voor de

- daarbij aan te geven dat hij het geld direct zou overmaken en/of

- (vervolgens) telefonisch contact op te nemen met voornoemde winkel voor de

- een of meer e-mails te sturen dat de betaling (spoedig) zou volgen en/of

- zich (telkens) voor te doen als bonafide afnemer van voornoemde goederen en/of

- de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij voornoemde winkel en/of

- op datingsite [naam 3] contact te zoeken met voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- daarbij foto's te gebruiken van een ander en/of

- een vertrouwensband te creëren en/of

- aan te geven een iPhone X te kunnen regelen voor 1000 euro en/of

- te vragen (grote) bedragen over te maken ten behoeve van zijn, verdachtes,

- een of meer e-mails te sturen uit naam van [naam 4] , een door verdachte

- een of meermalen aan voornoemde [slachtoffer 1] te beloven de/het geldbedrag(en) te retourneren;

- zich te begeven op een camping te Luttenberg en/of

- aldaar het vertrouwen te winnen van mede-campinggasten en/of

- aan te geven iPads te kunnen leveren voor een lage prijs en/of

- (vervolgens) een of meer e-mails te versturen met daarin een (spoedige)

- de indruk en/of het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen dat hij,

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:

feit 2:

feit 3:

feit 4:

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 juli 2018

tot en met 26 juli te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, in elk geval in

Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[bedrijf 1] . en/of [naam 1] en/of [naam 2] heeft

bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter

beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet

doen van een inschuld, te weten

een Led TV, voorlader, koelkast, magnetron, stofzuiger, verlengsnoer, IPhone 7

plus en/of IPhone 8 plus en/of het leveren van voornoemde goederen door

weten [bedrijf 2] (wetende dat die naam in het klantenbestand

stond en/of dat het bedrijf reeds was opgeheven) en/of

2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april 2017

tot en met 5 april 2018 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, in elk geval in

Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een (groot) geldbedrag tot een

hoogte van 28 000 euro, door

gefingeerd persoon, waarvan verdachte in strijd met de waarheid heeft

voorgewend dat deze bij [Instelling] werkt en/of uit diens naam te

vragen bedragen over te maken ten behoeve van hulp die deze [naam 4] zou

bieden aan verdachte en/of ten behoeve van levensonderhoud van verdachte en/of

3
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 april 2018

tot en met 13 april 2018 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, in elk geval in

Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim,

[slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van 350 euro, althans enig geldbedrag,

geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] , in elk geval

aan een ander of anderen dan verdachte,

immers heeft hij, verdachte,

tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij ten overstaan van (onder andere) een of

meer media en/of de burgemeester van Hellendoorn en/of de moeder van die [slachtoffer 1]

zou openbaren dat voornoemde [slachtoffer 1] zich had voorgedaan als politieambtenaar

als zij voornoemd geldbedrag niet zou betalen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 juni 2018

tot en met 12 juli 2018 te Luttenberg, gemeente Raalte, in elk geval in

Nederland,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van 825 euro en/of

[slachtoffer 3] heeft bewogen tot een de afgifte van 350 euro,

in elk geval een of meer personen heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen,

door

vragen en/of aankoop van een iPhone 7 plus en/of aankoop van een iPhone 8 plus en/of een verlengsnoer en/of personen dat hij, verdachte, de goederen daadwerkelijk zou betalen; scheiding en/of levensonderhoud en/of leverdatum van voornoemde iPads en/of verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou toezenden/leveren.
3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak. Voor wat betreft de ontvankelijkheid van de officier van justitie ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit is door de raadsman verweer gevoerd.

3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit ontvankelijk is. Hoewel een formele klacht ontbreekt, heeft aangeefster uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij de vervolging van verdachte wenst. Dit blijkt uit haar aangifte en ook uit hetgeen zij ter zitting naar voren heeft gebracht.

3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de daarvoor vereiste klacht ontbreekt in het procesdossier. Dit kan niet hersteld worden door hetgeen aangeefster ter zitting heeft gezegd omdat de aan de klacht verbonden termijn van drie maanden inmiddels is overschreden.

3.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat artikel 318 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) een klachtdelict is. Dit houdt in dat een verdachte pas vervolgd kan worden als de aangever van een delict heeft verklaard strafrechtelijke vervolging te wensen. De formele vereisten als opgenomen in artikel 164, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zijn echter bij arrest van de Hoge Raad, 11 januari 1994, 1994, 278, gerelativeerd. Het bestaan van een klacht kan volgens de Hoge Raad (ook) worden aangenomen in geval op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. De rechtbank stelt vast dat aan dat vereiste is voldaan, nu aangeefster ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij bij het indienen van haar aangifte de bedoeling had dat de vervolging zou worden ingesteld.

De rechtbank acht de officier van justitie derhalve ontvankelijk in de vervolging en oordeelt dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat zijn cliënt moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde iPhone X ter waarde van € 1.000,- en het in mei 2017 in delen overgemaakte bedrag van € 20.000,- gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de bewijsbaarheid van het onder 3 ten laste gelegde feit.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 18 juli 2018 samen met [naam 5] in de winkel [bedrijf 1] . is geweest. [naam 2] , de medewerker die hen heeft geholpen, spreekt in zijn aangifte over een ‘bolle’ man (verdachte) en een ‘oude’ man ( [naam 5] ). [naam 2] hoorde verdachte zeggen dat zij meerdere goederen hadden uitgezocht en geadviseerd wilden worden over een magnetron. Uiteindelijk werd een offerte opgemaakt voor levering van een led TV, voorlader, koelkast, magnetron en stofzuiger op rekening van het voormalige bedrijf van [naam 5] . Daags later is telefonisch door verdachte aan [bedrijf 1] . bevestigd dat de bestelling akkoord was. Op 21 juli 2019, kort nadat de levering van de hiervoor genoemde goederen had plaatsgevonden, heeft verdachte opnieuw gebeld naar [bedrijf 1] . in verband met de aankoop van een iPhone 7 plus. In de middag kwam verdachte samen met [naam 5] in de winkel om het toestel op te halen. Verdachte ondertekende de rekening, wederom op naam van het voormalige bedrijf van [naam 5] , en kwam met [naam 2] overeen dat hij het geld direct zou overmaken. Op 26 juli 2018 nam verdachte wederom telefonisch contact op met [bedrijf 1] . voor de aankoop van een iPhone 8 plus en een verlengsnoer. Deze producten werden dezelfde dag afgeleverd aan het door verdachte opgegeven adres zonder dat ze werden afgerekend. Omdat daarna iedere betaling uitbleef, is op 6 augustus 2018 namens [bedrijf 1] . aangifte gedaan van oplichting. Door de eigenaar van de winkel zijn bij de aangifte e-mails overgelegd die afkomstig zijn van het adres [emailadres 1] , waarin werd toegezegd dat er reeds was betaald dan wel dat deze betaling zou volgen.
De vraag die voorligt is of sprake is geweest van oplichting. De rechtbank stelt in dit verband vast dat [naam 2] heeft verklaard dat verdachte telkens het woord voerde en dat [naam 5] nagenoeg niets zei. Verdachte was degene die de factuur heeft ondertekend en afspraken heeft gemaakt over de levering. Verdachte gaf bij alle bestellingen de naam [bedrijf 2] op. Het adres van deze voormalige VOF heeft hij ter plekke gewijzigd in het adres [adres 1] . Ook heeft verdachte verklaard dat hij de e-mails heeft verstuurd met het adres [emailadres 1] . De rechtbank stelt voorts vast dat de verdachte nimmer enige bevoegdheid heeft gehad in de VOF [bedrijf 2] . Ook blijkt dat deze VOF reeds in 2008 was ontbonden en verdachte van die ontbinding op de hoogte was. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de facturen niet zijn betaald, ook niet binnen de op de facturen vermelde betalingstermijn van veertien dagen na factuurdatum.
Hieruit volgt dat verdachte zonder bevoegdheid gebruik heeft gemaakt van de naam van voornoemde VOF en dat hij, door een adreswijziging door te geven, de factuur te ondertekenen en het mailadres van [emailadres 1] te gebruiken, heeft voorgewend handelingsbevoegd te zijn voor de (ontbonden) VOF [bedrijf 2] . Hierdoor heeft verdachte bij [naam 2] de indruk gewekt dat de VOF [bedrijf 2] nog bestond, dat hij [naam 5] was, dat hij bevoegd was om namens de VOF een bestelling te plaatsen en dat de praktijk van het op rekening kopen door de VOF kon worden voortgezet. [naam 2] geeft aan dat hij door dit alles is bewogen tot de afgifte van de goederen en dat als verdachte de bedrijfsnaam niet had opgegeven, hij de goederen niet op bestelling had laten afleveren dan wel ophalen.

Verdachte heeft verklaard dat hij wel degelijk de intentie had om de goederen te betalen. De rechtbank acht de betalingsbereidheid van verdachte op grond van deze enkele verklaring niet aannemelijk omdat verdachte tevens heeft verklaard dat hij de goederen op rekening wilde kopen omdat hij toen niet het geld direct voorhanden had. Dat strookt niet met de uitlating van verdachte die hij tegenover [naam 2] heeft gedaan, namelijk dat hij de iPhone 7 plus direct zou betalen. De rechtbank overweegt dat verdachte zich derhalve telkens heeft voorgedaan als een bonafide afnemer van de goederen en de indruk en het vertrouwen heeft gewekt dat hij de goederen daadwerkelijk zou betalen terwijl hij dat niet kon of ging doen. Een overtuigende aanwijzing voor de betalingsonwil volgt ook uit het gegeven dat verdachte bij [bedrijf 1] twee iPhones heeft gekocht voor een bedrag van € 924,69 en deze vervolgens binnen enkele dagen en zonder dat hij ze heeft betaald, heeft doorverkocht voor het lagere bedrag van € 700,- per stuk.

De rechtbank acht, gelet op bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 18 juli 2018 tot en met 26 juli 2018 heeft schuldig gemaakt aan oplichting van [bedrijf 1] . door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels.
Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat aangeefster [slachtoffer 1] in de periode van 1 april 2017 tot en met 1 september 2018 een geldbedrag van € 27.476,- heeft overgemaakt naar de bankrekening van verdachte en een geldbedrag van € 525,- heeft overgemaakt naar de bankrekening van [naam 5] . Verdachte heeft erkend dat deze transacties hebben plaatsgevonden.
De vraag die voorligt is of sprake is geweest van oplichting. [slachtoffer 1] verklaart hierover dat zij op 6 april 2017 een match op [naam 3] kreeg met de vijftigjarige [verdachte] . Zij heeft hem haar telefoonnummer gegeven en zij hebben met elkaar geappt en gebeld. Tot een persoonlijke ontmoeting is het lang niet gekomen omdat verdachte hun afspraakjes steeds afzegde. [slachtoffer 1] vertelt dat het contact met deze [verdachte] intensief werd en dat hij alles van haar afwist, ook dat zij gescheiden was. Omdat [verdachte] zei te handelen in mobiele telefoons en haar een iPhone X kon leveren tegen de inkoopprijs, maakte [slachtoffer 1] in april 2017 een geldbedrag van € 1.000,- naar hem over. Zij heeft deze telefoon echter nooit ontvangen. Daarnaast maakte [slachtoffer 1] in mei 2017 een geldbedrag van ongeveer € 20.000,- naar [verdachte] over vanwege een scheiding waarin hij zei te zijn verwikkeld. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [verdachte] inspeelde op haar gevoel. Op enig moment ontstond bij [slachtoffer 1] argwaan over haar relatie met [verdachte] , waarop zij besloot hem op te zoeken. Tijdens deze ontmoeting kwam [slachtoffer 1] tot de ontdekking dat [verdachte] in feite [verdachte] heet en dat hij op [naam 3] foto’s heeft gebruikt van een ander persoon. Ondanks deze onthulling bleef [slachtoffer 1] geld overmaken naar verdachte. In januari 2018 heeft verdachte tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij contact had gezocht met iemand van [Instelling] , namelijk [naam 4] , die hem zou gaan helpen met zijn problemen en financiën. [slachtoffer 1] ontving meerdere e-mails afkomstig van het adres [emailadres 2] met het verzoek om de behandeling dan wel de kosten van levensonderhoud te betalen. Hierop heeft [slachtoffer 1] wederom meermalen geldbedragen overgemaakt. Achteraf blijken [naam 4] en de behandeling verzinsels van verdachte te zijn, waarmee hij hoopte vertrouwen te kweken bij [slachtoffer 1] dat hij aan zijn problemen werkte, om zo nog meer geld van haar te krijgen. Verdachte heeft [slachtoffer 1] meermalen beloofd haar de geldbedragen terug te betalen, maar heeft nooit de daad bij het woord gevoegd.

De rechtbank acht, gelet op bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 6 april 2017 tot en met 5 april 2018 heeft schuldig gemaakt aan het oplichten van [slachtoffer 1] door het aannemen van een valse naam, valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Dat [slachtoffer 1] op enig moment de ware identiteit van verdachte heeft onthuld doet niet af aan de aanwezigheid van andere oplichtingsmiddelen. Verdachte heeft immers ook daarna meermalen gelogen tegen [slachtoffer 1] en zich bovendien voorgedaan als een hulpverlener van [Instelling] . Daarnaast blijkt uit het verhoor van verdachte dat hij tegen [slachtoffer 1] heeft gelogen over de besteding van het geld, dat in feite namelijk grotendeels werd aangewend voor zijn levensonderhoud en voor het kopen van Toto-kaarten.

Het scenario dat sprake was van een lening en dat verdachte [slachtoffer 1] het geld wilde terugbetalen, acht de rechtbank onaannemelijk. Verdachte heeft haar meermalen per e-mail toegezegd voor een bepaalde datum het geldbedrag over te maken, maar is die afspraak telkens niet nagekomen.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), in de bijlage zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte in de periode van 12 juni 2018 tot 26 juli 2018 samen met [naam 5] verbleef op een camping in Luttenberg. Ook staat niet ter discussie dat verdachte daar contact heeft gelegd met meerdere campinggasten, waaronder aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , en hen heeft verteld dat hij in iPads handelde en deze tegen lage prijzen kon leveren. Verder blijkt dat zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] tot de koop en betaling van iPads zijn overgegaan en dat verdachte in beide gevallen de iPads nooit heeft geleverd.
De vraag die voorligt is of sprake is geweest van oplichting. Zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] hebben verklaard dat verdachte hun vertrouwen had gewonnen, mede doordat hij erg behulpzaam was. Nadat verdachte hen had verteld dat hij goedkope iPads kon leveren, heeft [slachtoffer 2] op 14 juni 2018 twee iPads besteld en heeft [slachtoffer 3] op 16 juni 2018 vier iPads besteld. Zij hebben € 350,- respectievelijk € 825,- aan verdachte betaald. [slachtoffer 2] ontving direct na de koop een e-mail van het adres [emailadres 1] . Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij dit account in gebruik had en daarmee e-mails verstuurde. Door verdachte is aan [slachtoffer 2] toegezegd dat de aflevering van de iPad op 2 juli 2018 zou plaatsvinden. Ook werd [slachtoffer 2] op de hoogte gehouden van de data en tijdstippen waarop de andere iPads zouden worden geleverd. Aan [slachtoffer 3] heeft verdachte in eerste instantie toegezegd dat de levering op 22 juni 2018 zou plaatsvinden. Later beloofde verdachte de iPads op 25 juni 2018 te bezorgen bij de dochter van [slachtoffer 3] . Verdachte heeft echter alle afspraken en beloftes geschonden en aangevers hebben hun bestelde iPads nooit ontvangen. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij wel degelijk van plan was de iPads in te kopen en te leveren, acht de rechtbank die verklaring onaannemelijk. Verdachte heeft namelijk ook verklaard dat hij aangevers aan het lijntje heeft gehouden en dat hij het ene gat vulde met het andere gat. Daarbij komt dat verdachte heeft gezegd het geld van aangevers te hebben verdeeld met [naam 5] ter besteding van dagelijkse uitgaven. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte helemaal geen geld had om de inkopen te doen. Bovendien verliest de verklaring van verdachte geloofwaardigheid doordat hij tijdens zijn verhoor op 12 december 2018, een half jaar nadat aangevers hem hadden betaald, heeft gezegd dat hij binnenkort geld zou krijgen en het dan goed zou maken. Verdachte heeft dat niet gedaan.

De rechtbank acht, gelet op bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 12 juni 2018 tot en met 12 juli 2018 heeft schuldig gemaakt aan het oplichten van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels.

4.4
De bewezenverklaring

- zich naar het winkelpand van [bedrijf 1] . te begeven;

- (vervolgens) zich aldaar geïnteresseerd te tonen en om informatie te vragen;

- (vervolgens) voornoemde goederen te bestellen op naam van een bedrijf, te weten [bedrijf 2] (wetende dat die naam in het klantenbestand stond en dat het bedrijf reeds was opgeheven);

- de goederen te laten leveren;

- (vervolgens) telefonisch contact op te nemen met voornoemde winkel voor de aankoop van een iPhone 7 plus;

- daarbij aan te geven dat hij het geld direct zou overmaken;

- (vervolgens) telefonisch contact op te nemen met voornoemde winkel voor de aankoop van een iPhone 8 plus en een verlengsnoer;

- een e-mail te sturen dat de betaling (spoedig) zou volgen;

- zich (telkens) voor te doen als bonafide afnemer van voornoemde goederen;

- de indruk en het vertrouwen te wekken bij voornoemde winkel en/of personen dat hij, verdachte, de goederen daadwerkelijk zou betalen;

- op datingsite [naam 3] contact te zoeken met voornoemde [slachtoffer 1] ;

- daarbij foto's te gebruiken van een ander;

- een vertrouwensband te creëren;

- aan te geven een iPhone X te kunnen regelen voor 1000 euro;

- te vragen (grote) bedragen over te maken ten behoeve van zijn, verdachtes, scheiding en/of levensonderhoud;

- e-mails te sturen uit naam van [naam 4] , een door verdachte gefingeerd persoon, waarvan verdachte in strijd met de waarheid heeft voorgewend dat deze bij [Instelling] werkt en uit diens naam te vragen bedragen over te maken ten behoeve van hulp die deze [naam 4] zou bieden aan verdachte en ten behoeve van levensonderhoud van verdachte;

- meermalen aan voornoemde [slachtoffer 1] te beloven de/het geldbedrag(en) te retourneren.

- zich te begeven op een camping te Luttenberg;

- aldaar het vertrouwen te winnen van mede-campinggasten;

- aan te geven iPads te kunnen leveren voor een lage prijs;

- (vervolgens) e-mails te versturen met daarin een (spoedige) leverdatum van voornoemde iPads;

- de indruk en het vertrouwen te wekken bij voornoemde personen dat hij, verdachte, de te koop aangeboden goederen na betaling daadwerkelijk zou toezenden/leveren.

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1
hij in de periode van 18 juli 2018 tot en met 26 juli 2018 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1] . en/of [naam 1] en/of [naam 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het verlenen van een dienst, te weten een Led TV, voorlader, koelkast, magnetron, stofzuiger, verlengsnoer, iPhone 7 plus en iPhone 8 plus en het leveren van voornoemde goederen door

2
hij in de periode van 6 april 2017 tot en met 5 april 2018 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van een (groot) geldbedrag tot een hoogte van 28 000 euro, door

3
hij in de periode van 6 april 2018 tot en met 13 april 2018 te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van 350 euro, toebehorende aan die [slachtoffer 1] , immers heeft hij, verdachte, tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij ten overstaan van (onder andere) media, de burgemeester van Hellendoorn en de moeder van die [slachtoffer 1] zou openbaren dat voornoemde [slachtoffer 1] zich had voorgedaan als politieambtenaar als zij voornoemd geldbedrag niet zou betalen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4
hij in de periode van 12 juni 2018 tot en met 12 juli 2018 te Luttenberg, gemeente Raalte, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van 825 euro;

[slachtoffer 3] heeft bewogen tot een de afgifte van 350 euro door

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 juncto 318 en 326 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feiten 1, 2 en 4

telkens het misdrijf:
oplichting

feit 3

het misdrijf:
poging tot afdreiging

6

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.

7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan zijn cliënt geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan de duur van het voorarrest.

7.3
De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichtingen en aan een poging tot afdreiging. De rechtbank stelt voorop dat de door verdachte gepleegde feiten buitengewoon laf en verwerpelijk zijn waarbij uitsluitend zijn eigen gewin een rol speelde. Zo heeft verdachte bij [bedrijf 1] . meerdere (elektronische) goederen op rekening besteld, maar deze nooit betaald. Daarnaast heeft verdachte op de camping aan twee campinggasten iPads verkocht, maar deze nooit geleverd. Het zwaartepunt ligt voor de rechtbank echter bij de feiten die verdachte jegens [slachtoffer 1] heeft gepleegd. Hij heeft zich als een ander persoon voorgedaan, haar vertrouwen gewonnen en haar vervolgens opgelicht, waardoor zij een bedrag van € 28.000,- aan hem heeft overgemaakt. Toen [slachtoffer 1] op enig moment geen geld meer wilde betalen, heeft hij gedreigd aan de media, haar werkgever en haar moeder bekend te maken dat zij zich tegenover hem als politieambtenaar had voorgedaan. De rechtbank vindt dit ernstige feiten en overweegt dat het een grote impact heeft gehad op [slachtoffer 1] , die ter terechtzitting heeft verklaard dat verdachte misbruik van haar vertrouwen heeft gemaakt en dat zij het als bedreigend heeft ervaren dat verdachte haar probeerde af te dreigen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij op zo’n grove wijze en gedurende een zo lange periode misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van [slachtoffer 1] . Het feit dat verdachte, nadat [slachtoffer 1] niet meer kon worden overtuigd om nog meer geld aan verdachte over te maken, haar is gaan bedreigen haar in diskrediet te brengen, geeft voor de rechtbank aan dat hij zich meedogenloos in haar richting heeft gedragen. Verdachte heeft zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen behoefte aan geld voor levensonderhoud en gokken. De rechtbank rekent het verdachte ook zwaar aan dat hij geen oog heeft gehad voor het gegeven dat dergelijke feiten, naast financiële schade, ook soms gedurende lange tijd, gevoelens van angst met zich brengen, zeker wanneer de oplichting plaatsvindt in een sfeer van vertrouwen die verdachte zeer geraffineerd eerst zelf probeerde te creëren. Tot slot rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij op geen enkele manier inzicht heeft willen geven in zijn beweegredenen en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag. Het niet verschijnen ter zitting past in dit beeld.

De rechtbank heeft op het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte, gedateerd 16 april 2019, gezien dat hij in het verleden vaker is veroordeeld wegens het plegen van soortgelijke vermogensdelicten. Verdachte liep in het kader van deze veroordelingen in een proeftijd en trekt zich blijkbaar weinig aan van de in die veroordeling besloten liggende waarschuwing. Verder houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 Sr.

Verder heeft de rechtbank gelet op het psychologische onderzoek van Pro Justitia van 19 februari 2019, opgemaakt door drs. N.A. Schoenmaker, GZ-psycholoog. De psycholoog rapporteert dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in die zin dat bij hem sprake is van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. De psycholoog beschrijft dat verdachte ten tijde van het begaan van de feiten als gevolg van zijn gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis psychisch disfunctioneerde. Dit maakt hem opportunistisch, berekenend en onbetrouwbaar. Ook toont hij hierdoor weinig empathie en stelt hij zijn eigen belangen centraal. De gedragsdeskundige adviseert de rechtbank de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen. Ondanks de gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis kende verdachte wel keuzevrijheid met betrekking tot zijn gedrag. Hij had er, met andere woorden, ook voor kunnen kiezen de feiten niet te plegen. De rapporteur schat het recidiverisico van verdachte in als matig tot hoog en weegt daarbij mee dat bij hem veel risicofactoren aanwezig zijn. De reclassering zou kunnen helpen bij deze praktische problematiek, maar de psycholoog acht tegelijkertijd de kans aanwezig dat verdachte zich zal onttrekken aan het toezicht.
Tot slot heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsrapport van 5 maart 2019. De reclassering adviseert de rechtbank een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Hoewel het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, acht de reclassering interventies of toezicht niet uitvoerbaar, omdat zij denkt dat verdachte zich niet laat sturen of begeleiden.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Bij het bepalen van de duur daarvan tilt de rechtbank zwaar aan de oplichtingsperiode en het benadelingsbedrag. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel met verplicht reclasseringstoezicht gelet op het advies van de reclassering weinig zinvol. Ten eerste niet omdat verdachte zelf zegt geen hulpvragen zegt te hebben maar ook omdat door zijn niet-verschijnen ter zitting er geen gelegenheid is geweest om met verdachte zijn bereidheid tot het naleven van voorwaarden te bespreken.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

8

8.1
De vordering van de benadeelde partij

Feiten 2 en 3:

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 29.500,- (negenentwintigduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bedraagt € 28.000,-. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 1.500,- gevorderd.
Feit 4:

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om materiële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 825,- (achthonderdvijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om materiële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 350,- (driehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

8.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente.

8.3
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4
Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen. De opgevoerde schadeposten zijn aannemelijk, voldoende onderbouwd en niet betwist. De rechtbank zal alle drie de vorderingen dan ook geheel toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.

8.5
De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal ten aanzien van alle benadeelde partijen de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens hen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

10

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;
- veroordeelt verdachte tot een voor de duur van ; - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2018;- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten tot , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2018, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 182 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2018; - veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde feit tot , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 16 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2018; - veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde feit tot , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 7 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
1. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] namens [bedrijf 1]
2. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 2] van 9 augustus 2018 (pagina’s 165-168):
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (pagina 161):
4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 11 december 2018 (pagina’s 196-207):
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 13 april 2018, inclusief bijlagen (pagina’s 233-370):
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 5] van 11 december 2018 (pagina’s 213-227):
3. Het proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2018, inclusief bijlagen (pagina’s 380-401):
4. Het proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2018, inclusief bijlagen (pagina’s 402-408):
5. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 11 december 2018 (pagina’s 429-434):
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 13 april 2018, inclusief bijlagen (pagina’s 233-370);2. Het proces-verbaal van bevindingen van 4 november 2018 (pagina’s 378-380);3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 11 december 2018 (pagina 434).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 12 juli 2018, inclusief bijlagen (pagina’s 458-462):
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 9 juli 2018, inclusief bijlagen (pagina’s 489-518):
3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 12 december 2018 (pagina’s 519-524):
De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

feiten 1, 2 en 4 oplichting
feit 3 poging tot afdreiging
strafbaarheid verdachte

straf

schadevergoeding

Feiten 2 en 3:

Feit 4:

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. M. Nan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Doldersum, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.
Buiten staat

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district Twente, basisteam Twente-West met nummer [nummer 1] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1:

van 6 augustus 2018, inclusief de bijlagen (pagina’s 139-162):
(…) Ik ben mede-eigenaar van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is gevestigd aan de [adres 2] te Nijverdal. Ik hoorde van een medewerker van mij, [naam 2] , dat er op woensdag twee mannen in de winkel waren geweest en diverse goederen hadden besteld maar dat ze nog contact op zouden nemen of de bestelling door kon gaan. Er is later gebeld door één van de mannen dat de bestelling door kon gaan en dat deze kon worden afgeleverd op de [adres 1] te Nijverdal. Op donderdagavond 19 juli 2018 is er een bestelling afgeleverd op de [adres 1] te Nijverdal. De bestelling bestond uit;

Artikel Korting Totaal

Led TV 220,00 579,00

Voorlader 399,00

Koelkast 259,00

Magnetron 109,00

Stofzuiger 99,00

Diensten 30,00

Factuurkorting -75,00

Totaal 1.400,00

Diegene die besteld heeft heeft als naam opgeven [bedrijf 2] en als adres; [adres 1] te Nijverdal. (…)

Ik zag op de camerabeelden dat op zaterdag 21 juli 2018 omstreeks 12.30 uur de bolle

en [naam 5] de winkel in kwamen. (…) Ik zag dat de bolle wacht tot een medewerker van mij klaar is en vervolgens bestelde hij een Apple Iphone 7 plus. De bolle gaf als factuuradres het volgende adres door; [bedrijf 2] [adres 1] te Nijverdal. De bolle heeft toen een Apple Iphone 7 plus meegekregen met de afspraak dat hij het geld direct zou overmaken. Ik zag op de camerabeelden dat de bolle de factuur met zijn rechterhand ondertekende. De Apple Iphone 7 plus (128gb) had als serienummer: SF2LT62BWHFYD en kostte 942,69 euro inclusief btw. Deze factuur is tot op heden niet betaald. (…)

Op donderdag 26 juli 2018 is er telefonisch een bestelling gedaan. Er werd als factuuradres het volgende adres opgegeven; [bedrijf 2] [adres 1] Nijverdal. Er werd toen een Apple iPhone S plus (64GB) (924,69 euro) besteld en een verlengsnoer (20,44 euro). Deze twee producten zijn diezelfde dag, donderdag 26 juli 2018, afgeleverd op de

[adres 1] te Nijverdal. De factuur met als bedrag 945,13 euro van deze twee producten zijn tot op heden niet betaald. (…) In de mail van donderdag 2 augustus 2018 om 16.28 uur stond het volgende;

“Jammer dat na ruim 25 jaar spullen heb besteld bij jullie er een einde aan komt,

altijd heb ik netjes betaald en nu heb ik weer netjes binnen twee weken betaald. (…)

Op vrijdag 3 augustus 2018 om 23.24 ontving ik een mail van [emailadres 1] met de volgende inhoud;

Jou mail zat in mijn spam mail, vandaar nu pas mijn reactie dat mijn vrouw vanmorgen de facturen zou betalen heb ik gezegd en gezeg mail mij de factuur dan kan mijn vrouw die ook meteen overalem aan gezien er ene [naam 6] die nog moet leren met klanten om te gaan die al 25 jaar spullen bestellen en altijd netjes betaald hebben !! En geen telefoon en geen factuur bedankt namens mijn vrouw en mijn zoon die jarig was !!! Je bent ons als klant kwijt en nog meer vaste klanten!! Nijverdal is klein en verhaal gaat snel rond

Met vr [naam 5] ” (…)

[bedrijf 2]

[adres 1]

NIJVERDAL

Factuurdatum 20.07.2018 (…)

Betaling binnen 14 dagen na factuurdatum (…)

(…) Ik ben werkzaam bij [bedrijf 1] aan de [adres 2] te Nijverdal. Ik werk daar als verkoper. Bij [bedrijf 1] is het doorgaans normaal als vaste klanten in het systeem staan om de optie te geven om op rekening te kopen. (…) Op woensdag 18 juli 2018 was ik aan het werk bij [bedrijf 1] . Ergens in de middag kwamen er twee mannen in de winkel. (…) Op een gegeven moment kwamen de mannen weer naar mij toe. Ik hoorde dat de bolle

tegen mij zei dat ze eruit waren. Ze hadden een tv, wasmachine, koelkast en stofzuiger uitgezocht en ze wilden nog advies over een magnetron. Ik heb ze vervolgens geadviseerd over een magnetron. Vervolgens zijn we naar de kassa gelopen en heb ik een bon opgemaakt met een totaal bedrag van 1400,- euro. (…) De bolle was telkens aan het woord en de oude heeft nagenoeg niets gezegd. De bolle gaf [bedrijf 2] op als bedrijfsnaam ik heb dit opgezocht en zag dat dit in het systeem stond. Ik zag dat ze niet echt een aankoop geschiedenis hadden. De bolle gaf ook een e-mailadres op namelijk; [emailadres 1] . Ik nam dus aan dat de bolle [naam 5] was. (…) Diezelfde dag werd er gebeld naar de winkel en werd er specifiek naar mij gevraagd.

Ik nam het gesprek aan en ik hoorde dat het ging om de bolle, hij vertelde mij dat de bestelling kon doorgaan en toen hebben we gelijk een afspraak gemaakt voor het leveren. De afspraak werd gezet op vrijdag 20 juli 2018 in de ochtend.

Zaterdag 21 juli 2018 werd er gebeld naar de winkel en er werd weer specifiek naar mij gevraagd. Ik nam het gesprek aan en ik hoorde dat het om de bolle ging. Hij sprak mij aan met mijn naam ik hoorde dat bij vroeg om een Apple iPhone 7 Plus. (…) Ergens in de middag zag ik de oude en de bolle de winkel binnenkomen. (…) De bolle nam de iPhone mee en ondertekende de rekening van 924,69. (…)

Op donderdag 26 juli 2018 werd er gebeld naar de winkel en werd er weer specifiek naar mij gevraagd. (…) Ik vertelde aan de bolle dat ik alleen nog de Apple iPhone 8 had liggen ik hoorde de bolle zeggen dat dit ook wel goed was. De Apple iPhone 8 kostte op dat moment 924,69 euro. (…) Ik hoorde dat de bolle zei dat hij het graag bezorgd wilde hebben ik vertelde dat dat wel kon. (…) Tegelijkertijd bestelde hij ook een verlengsnoer en een stekkerdoos voor de reeds geleverde magnetron met een gezamenlijke waarde van 20,44 euro. (…) Ik heb ook nog op [naam 5] gezocht en ik zag een foto op facebook.

Op de foto stond een man die ik herken als de oude welke bij mij in de winkel is geweest.

De bolle heeft zich dus als een ander voorgedaan, ook heeft hij een bedrijfsnaam

opgegeven van een bedrijf wat niet meer bestaat. De mannen hebben misbruik gemaakt

van het vertrouwen wat ik had in de bedrijfsnaam. De bolle heeft mij op deze manier

bewogen tot afgifte van de goederen. Als de bolle niet de bedrijfsnaam had opgegeven

dan had ik de goederen niet op bestelling laten afleveren en ophalen. (…)

(…) Naam: Stukadoorsbedrijf [bedrijf 2] (…)

Ontbinding reden ontbinding: 01-01-2008, door Uittreden van een of meer vennoten/maten (…) Adres: [adres 3] Nijverdal (…)

(…) A: [naam 5] en ik moesten alles nieuw hebben voor de [adres 1] en dat moesten we

inrichten. [naam 5] zei, kom we gaan naar [bedrijf 1] , die ken ik nog van mijn bedrijf wat ik toen had, dan kon alles op factuur gekocht worden.

V: Waarom wilden jullie het op rekening kopen dan?

A: Omdat we toen niet het geld direct voor handen hadden. We zouden het op dat moment

niet gelijk kunnen betalen. Dan zou op rekening natuurlijk goed uit komen. (…)

V: Welke goederen heb je daar besteld?

A: Koelkast, wasmachine, magnetron, stofzuiger en een televisie. Merken en types weet

ik niet meer. Later heb ik nog 2 iPhones opgehaald. (…)

V: Wij hebben het idee dat je niet van plan was om die iPhones te betalen.

A: Zeker wel, maar binnen hele korte tijd haalt de politie dat eerste spul al bij mij weg, toen dacht ik ga die telefoons ook niet meer betalen. We hebben niet eens de kans gekregen om de rekeningen te betalen. (…)

V: Wie heeft de factuur ondertekend?

A: Ja, ik. (…)

V: Het is besteld op het oude bedrijf van [naam 5] . Waarom tekent hij dan niet?

A: Omdat ik altijd alles regel voor ons, dat is zeg maar mijn taak. (…)

V: Toen je de telefoons ophaalde, heb je toen afspraken gemaakt over de betaling?

A: Ja, ik zou snel betalen. Ik heb de laatste op zaterdag opgehaald en zei dat ik maandag gelijk zou betalen. Maar dat is niet gebeurd.

V: Waarom is dat niet gebeurd?

A: Omdat ik het geld niet bij elkaar had toen. (…)

V: Op donderdag 26 juli 2018 werd een telefonische bestelling gedaan bij [bedrijf 1] . Wie deed deze bestelling?

A: Dat was ik. (…)

V: Vervolgens werd er een email gestuurd near [bedrijf 1] . Wie heeft deze email verzonden?

A: Ik. [naam 5] is daar gewoon niet handig in.

V: Van wie waren de goederen die in de woning stonden?

A: Dat waren de goederen van [bedrijf 1] .

V: Door wie waren deze goederen betaald?

A: Die waren nog niet betaald. (...)

V: Van wie was het bedrijf [bedrijf 2] ?

A: Van [naam 5] en zijn compagnon. Ze hadden een stukadoorsbedrijf.

V: Wanneer is dit bedrijf beëindigd?

A: Dat weet ik niet precies, een jaar of 6 geleden. (…)

V: Waar zijn de mobiele telefoons gebleven die geleverd zijn op rekening?

A: Verkocht zoals ik zei.

V: Hoe heb je deze telefoons te koop aangeboden?

A: Volgens mij via Marktplaats.

V: Voor welk bedrag heb je de telefoons verkocht?

A: Ik denk voor 700 euro per stuk. (…)

Feit 2:

(…) Ik ben alleenstaande, en ik heb mij aangemeld op [naam 3] . Ik kreeg op 6 april 2017 een match met ene [verdachte] , 50 jr. Hij zei: Jij hebt je droomman gevonden, geeft je mobiele nummer maar en ga maar van [naam 3] . Dat heb ik gedaan. Hij beide mij, hij had een leuke stem, hij wist ook alles van mij vanaf dat ik 24 jaar was. Hij wist dat ik getrouwd was geweest en ook dat ik gescheiden ben. (…) In april 2017 heb ik 1000 euro overgemaakt naar [rekeningnummer 1] op naam van [verdachte] . (…) Dit bedrag was voor een mobiele telefoon, volgens mij een Iphone X. (…) Deze telefoon heb ik nooit gekregen. (…) In mei 2017 heb ik ongeveer 20.000 euro naar hem overgemaakt op hetzelfde rekeningnummer: [rekeningnummer 1] . Dit bedrag heb ik steeds in gedeeltes overgemaakt naar [verdachte] . Het geld was hij nodig voor zijn scheiding vertelde hij. Ik wist natuurlijk zelf dat dit veel geld kostte omdat ik het zelf had meegemaakt. Hij speelde in op mijn gevoel. (…) Toen ik hem zag wist ik dus direct dat het niet de persoon was waarvoor hij zich uit had gegeven. (…) In januari 2018 vertelde [verdachte] mij dat hij nu contact had met iemand van [Instelling] , de hulpverlener [naam 4] . [naam 4] zou de financién van [verdachte] doen. Ik kreeg van [emailadres 2] een mail. [naam 4] zou [verdachte] helpen in zijn vrije tijd, neer [naam 4] moest natuurlijk wel betaald worden. Ik heb

toen toch nog weer een aantal keren forse bedragen overgemaakt. Ik dacht nog dat het

nu goed zou komen. (…) Ik denk dat ik in totaal ongeveer 28.000,00 euro overgemaakt heb naar [verdachte] . (…)

(…) O: Wij hebben uw bankgegevens opgevraagd. Daarop is te zien dat u vier(4) keer een

bedrag van [slachtoffer 1] op een bankrekening krijgt bijgeboekt. Het gaat om een

bedrag van totaal 525 euro. (…)

V: Wat heeft u zelf met het geld gedaan wat in die periode op uw rekening kwam?

A: Het geld wat op mijn rekening kwam, het geld dat [verdachte] van die vriendin zou hebben

gekregen, heb ik afgestaan aan [verdachte] . (…)

(…) Op maandag 3 september 2018 heb ik, verbalisant [verbalisant] , een aanvraag vordering

verstrekking historische financiële gegevens ex art. 126nd lid 1 Sv gedaan op de

saldo- en transactiegegevens van het rekeningnummer [rekeningnummer 1] .

Het genoemde rekeningnummer stond op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1966 te

[geboorteplaats 1] . De gegevens welke werden gevorderd ging over de periode van 1 april 2017 tot en met 1 september 2018. Ik zag dat er een totaal bedrag van €27.476,- was bijgeschreven afkomstig van [slachtoffer 1] . (…)

(…) Op maandag 3 september 2018 heb ik, verbalisant [verbalisant] , een aanvraag vordering

verstrekking historische financiële gegevens ex art. 126nd lid 1 Sv gedaan op de

saldo- en transactiegegevens van het rekeningnummer [rekeningnummer 2] .

Het genoemde rekeningnummer stond op naam van [naam 5] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] / De gegevens welke werden gevorderd ging over de periode van 1 maart 2018 tot en met 1 september 2018. (…) Ik zag dat er vier keer een bedrag van aangeefster [slachtoffer 1] werd bij geschreven. Ik zag dat alle vier keren vrijwel direct werd gepi