Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:1297

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 16-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:1297, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08/760202-18 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760202-18 (P)Datum vonnis: 16 april 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , woonadres: [adres 1] .

ECLI:NL:RBOVE:2019:1297:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760202-18 (P)Datum vonnis: 16 april 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , woonadres: [adres 1] .
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 april 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,mr. D. Steeghs en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw, mr. S.A. van den Boom, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.
2

- voornoemde [slachtoffer] (in/nabij het centrum van Enschede) benaderd/opgewacht,- ( vervolgens) die [slachtoffer] met (veel) geweld meegenomen naar een (aldaar) (in de buurt staand(e)) flat(gebouw) (gelegen aan [adres 2] ),
- ( vervolgens) die [slachtoffer] meegenomen naar/in een - in die/dat flat(gebouw) aanwezige - (centrale) hal en/of woning/studio en/of daarbij die [slachtoffer] (telkens) vastgehouden en aldus die [slachtoffer] belet zich vrijelijk te bewegen en/of
- ( vervolgens) de (voor)deur (van die woning/studio) op slot gedraaid/gedaan en aldus die [slachtoffer] belet zich vrijelijk te bewegen,
- die [slachtoffer] meegedeeld dat hij, verdachte, hem (die [slachtoffer] ) in de kont wilde neuken en dit wilde gaan filmen en online wilde gaan zetten,
- die [slachtoffer] (daarbij) (baby)olie op diens handen gespoten en die [slachtoffer] meegedeeld dat hij hiermee zijn billen moest insmeren,
- die [slachtoffer] een of meer fles(sen) getoond en/of die [slachtoffer] gevraagd welke hij (die [slachtoffer] ) in zijn kont wilde hebben,
- ( in de badkamer) die [slachtoffer] meegedeeld dat hij zijn broek naar beneden moest trekken (en/of daarbij die [slachtoffer] meermalen (in zijn gezicht) geslagen),
- die [slachtoffer] meegedeeld dat hij (die [slachtoffer] ) verdachte moest pijpen (waarbij hij, verdachte, zijn, verdachtes, broek naar beneden heeft getrokken),
- die [slachtoffer] meegedeeld dat hij (die [slachtoffer] ) niet uit de badkamer moest komen (omdat hij anders (weer) zou worden geslagen),
- voornoemde [slachtoffer] (in/nabij het centrum van Enschede) benaderd/opgewacht,
- ( vervolgens) die [slachtoffer] met (veel) geweld meegenomen naar een (aldaar)(in de buurt staand(e)) flat(gebouw) (gelegen aan [adres 2] ),
- ( vervolgens) die [slachtoffer] meegenomen naar/in een - in die/dat flat(gebouw) aanwezige - (centrale) hal en/of woning/studio en/of daarbij die [slachtoffer] (telkens) vastgehouden en aldus die [slachtoffer] belet zich vrijelijk te bewegen en/of
- ( vervolgens) de (voor)deur (van die woning/studio) op slot gedraaid/gedaan en aldus die [slachtoffer] belet zich vrijelijk te bewegen;
De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich (al dan niet) samen met anderen, op 12 mei 2018 in Enschede ten aanzien van [slachtoffer] heeft schuldig gemaakt aan:

primair:

subsidiair:

meer subsidiair

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, na wijziging van de tenlastelegging conform artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering op 2 april 2019, dat:

hij op of omstreeks 12 mei 2018, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, toen aldaar met dat opzet:
met het oogmerk een ander, te weten die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen of niet te doen:

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 12 mei 2018, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen:
MEER SUBSIDIAIR

hij op of omstreeks 12 mei 2018 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen [slachtoffer] heeft mishandeld door hem te schoppen en te slaan;

en/of

hij op of omstreeks 12 mei 2018 in de gemeente Enschede [slachtoffer] heeft bedreigd met verkrachting door aan [slachtoffer] twee flessen te tonen en te vragen welke hij in zijn kont wilde hebben.

3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair, het subsidiair als de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling wegens het ontbreken van wettig bewijs. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging refereert de raadsvrouw zich.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

- Mishandeling

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling heeft begaan zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
- Bedreiging

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Bij de beoordeling van het primair tenlastegelegde, een poging tot gijzeling, staat voorop dat de dader het oogmerk moet hebben gehad om een ander dan de gegijzelde te dwingen iets te doen of niet te doen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad, 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2536) is geen sprake is van gijzeling zoals bedoeld in artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht (Sr), indien de wederrechtelijke vrijheidsberoving strekt tot het dwingen van de gegijzelde zelf en niet van een derde om iets te doen of niet te doen. Nu de tenlastelegging niet ziet op het dwingen van een ander dan de gegijzelde [slachtoffer] (hierna: aangever) om iets te doen of niet te doen en daarmee het bestanddeel “een ander” dat ziet op gijzeling niet kan worden bewezen, zal verdachte hiervan worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen omdat er in het dossier onvoldoende aanknopingspunten zijn dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met anderen. Verdachte wordt vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde.
Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde

Op grond van het verhandelde op de zitting van 2 april 2019 en de inhoud van het dossier staat vast dat verdachte, die ook wel [alias verdachte] wordt genoemd, op 12 mei 2018 samen met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en diens vriendin, te weten [getuige 1] (bijgenaamd [getuige 1] ), bij [getuige 2] in een woning in een flatgebouw aan [adres 2] te Enschede, aan het chillen was. Op een bepaald moment heeft [medeverdachte] die woning verlaten. Korte tijd later is hij weer teruggekomen met aangever. In de woning is aangever door [medeverdachte] mishandeld. [medeverdachte] heeft tijdens het slaan meermalen tegen aangever gezegd, dat hij hem in de kont zou gaan neuken. Verdachte heeft twee flessen gepakt, deze aan aangever laten zien en aan hem gevraagd welke hij in zijn reet wilde hebben. Verdachte heeft verklaard dat hij dit als grap bedoelde. Blijkens de aangifte was de bedreiging echter van dien aard en onder zodanige omstandigheden geuit dat bij aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook daadwerkelijk gepleegd zou worden. Uit de aangifte blijkt dat aangever zich bedreigd voelde en angstig was. Hij had het gevoel dat hij verkracht zou worden mede ook omdat [medeverdachte] hem mishandelde en daarbij meerdere malen zei dat hij aangever in de kont ging neuken. Op het moment dat verdachte aangever de keuze gaf welke van de twee flessen hij in zijn kont wilde hebben, was het voor verdachte duidelijk dat medeverdachte [medeverdachte] geweld op aangever had toegepast en dat aangever erg angstig was over wat er zou kunnen gebeuren. De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van dit feit. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid en juistheid van de gebezigde bewijsmiddelen.
4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde en uitgewerkte bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:
hij op 12 mei 2018 in de gemeente Enschede, [slachtoffer] heeft bedreigd met verkrachting door aan [slachtoffer] twee flessen te tonen en te vragen welke hij in zijn kont wilde hebben.
De rechtbank heeft indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 285 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf

6

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest en met oplegging van de bijzondere voorwaarden vermeld in het reclasseringsrapport van 2 april 2019. Daarnaast heeft de officier van justitie een contact- en locatieverbod gevorderd en verzocht daarvan de dadelijke uitvoerbaarheid te gelasten.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een strafmaatverweer gevoerd en bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd gelijk aan de tijd die reeds door verdachte in voorarrest is doorgebracht.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt bedreiging met verkrachting van [slachtoffer] . De feiten en de omstandigheden waaronder deze bedreiging is gepleegd, hebben angst veroorzaakt bij aangever en een enorm gevoel van onveiligheid. Dat het feit een grote impact heeft gehad op het slachtoffer blijkt ook uit de slachtofferverklaring die aangever heeft opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank doet, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in dit concrete geval, alleen een forse gevangenisstraf recht aan de ernst van het feit.

is, mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting (LOVS),

De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de straf in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 6 maart 2019 niet eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten.

De rechtbank heeft daarnaast bij het bepalen van de straf en de duur daarvan rekening gehouden met de ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden van verdachte, die blijken uit het reclasseringsrapport van 2 april 2019 en uit het rapport van de psycholoog, mr. drs. R.A. Sterk van 29 maart 2019. In laatstgenoemd rapport leest de rechtbank onder meer dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van beperkte intellectuele capaciteiten op laag zwakbegaafd tot licht zwakzinnig niveau. Daarnaast is sprake van middelengebruik. Verdachte moet echter, met in achtneming van de beperkingen van het onderhavige onderzoek, in staat worden geacht om op verstandelijk niveau de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen in te zien en zijn wil overeenkomstig dat inzicht in vrijheid te kunnen bepalen. De psycholoog adviseert om verdachte het tenlastegelegde, indien bewezen, volledig toe te rekenen. De rechtbank neemt het advies van de psycholoog over bij de straftoemeting.Het risico op herhaling van een soortgelijk feit wordt vanwege het ontbreken van opleiding, werk en inkomen en omdat er aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik ingeschat als gemiddeld.
De reclassering adviseert de oplegging van een deels voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een meldplicht en een gedragsinterventie (cognitieve vaardigheden)De rechtbank onderschrijft het advies van de reclassering.
Verdachte heeft ter terechtzitting gezegd dat hij bereid is om mee te werken aan een gedragsinterventie zoals voorgesteld door de deskundige en de reclassering.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de reeds door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden andermaal strafbare feiten te plegen en ook om hem middels oplegging van de bijzondere voorwaarden de noodzakelijke en adequate hulpverlening te kunnen aanbieden. De rechtbank zal daarom conform het hiervoor genoemde advies van de reclassering, aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een meldplicht bij de reclassering en de gedragsinterventie Cova+ (of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden).

Nu naar het oordeel van de rechtbank met het opleggen van die voorwaarden het recidivegevaar naar een aanvaardbaar risico wordt teruggebracht, zal de rechtbank het contact-, en locatieverbod alsmede het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarvan, zoals door de officier van justitie gevorderd, achterwege laten.

De rechtbank komt tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het primair, subsidiair en van een deel van het meer subsidiair tenlastegelegde.

7.4
De inbeslaggenomen voorwerpen

Door de raadsvrouw is verzocht de teruggave te gelasten van de onder verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoons, te weten de Huawei- en de Nokia-telefoon.
In het dossier bevindt zich geen beslaglijst. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van twee mobiele telefoons, voor zover dat nog niet is geschied.

8

8.1
De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 6.496,92 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
(zitting rechtbank op 2 april 2019)Totaal materieel € 496,92.
Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 6.000,00 gevorderd.

- eigen risico € 385,00;- reiskosten 3a € 16,86;(slachtofferhulp)- reiskosten 3b € 55,44; (gesprek officier van justitie)- reiskosten 3c € 23,00;- reiskosten 3d € 16,62;
8.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich – gelet op het door hem bewezen geachte feit - op het standpunt gesteld dat de vordering integraal moet worden toegewezen.
8.3
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen, gelet op de door haar bepleite vrijspraak en subsidiair om in elk geval de vordering ter zake van de immateriële schade niet ontvankelijk te verklaren omdat de vordering op dat onderdeel onvoldoende is onderbouwd nu niet per aspect (fysiek letsel en psychische gevolgen) een bedrag is genoemd in de vordering.
8.4
Het oordeel van de rechtbank

- reiskosten 3a € 16,86 (slachtofferhulp)- reiskosten 3b € 55,44 (gesprek officier van justitie)totaal € 72,30.
Materieel

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is vast komen te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. Nu ten aanzien van verdachte de bedreiging van [slachtoffer] is bewezen verklaard, zijn de door hem opgevoerde reiskosten ten behoeve van gesprekken met slachtofferhulp en de officier van justitie voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding daarom toewijzen ten aanzien van:
Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 12 mei 2018.

De benadeelde partij was niet aanwezig op de zitting van 2 april 2019 zodat de gevorderde reiskosten van € 16,62 niet voor toewijzing vatbaar zijn.

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het meer of anders verzochte aan materiële schadevergoeding niet ontvankelijk verklaren.

Hoofdelijke veroordeling ten aanzien van de materiële schade

Ten aanzien van verdachte is vast komen te staan dat hij zich op 12 mei 2018 in een woning aan [adres 2] te Enschede, schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met verkrachting van [slachtoffer] . Uit het dossier is gebleken dat [slachtoffer] door een ander dan verdachte (namelijk door [medeverdachte] ), wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en door anderen (namelijk door [medeverdachte] en (een) ander(en)) is mishandeld. [slachtoffer] heeft hierbij fysiek letsel opgelopen en wordt ook als gevolg van hetgeen hem op 12 mei 2018 is overkomen, behandeld voor een post traumatische stress stoornis.
Verdachte wordt door de door hem gepleegde gedragingen mede verantwoordelijk gehouden voor een deel van de materiële schade die [slachtoffer] heeft geleden. Deze schade is het gevolg van het feitencomplex waaraan verdachte zich mede schuldig heeft gemaakt. Verdachte en zijn mededader(s) zijn voor de schade - voor zover die schade mede aan verdachte is toe te rekenen - ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Immateriële schade

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van deze schade te schatten overeenkomstig het aandeel waarvoor verdachte verantwoordelijk wordt gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de immateriële schade die aan verdachte kan worden toegerekend, naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op € 750,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in hetgeen aan immateriële schadevergoeding meer is gevorderd. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2018.
8.5
De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van:
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.

- € 72,30 ( hoofdelijke veroordeling) aan materiële schade, - € 750,00 aan immateriële schade,te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
10

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 14d Sr.

beslissing

11

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair, subsidiair en de meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;- verklaart bewezen dat verdachte de meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;- verklaart niet bewezen wat aan verdachte voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging met verkrachting meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:meer subsidiair: bedreiging met verkrachting;
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde feit;
- veroordeelt verdachte tot een voor de duur van ; - bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van , tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien veroordeelde voor het einde van de de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:- stelt als dat veroordeelde:- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als dat veroordeelde:- zich gedurende de proeftijd meldt bij Tactus Reclassering te Enschede op het adres Raiffeisenstraat 75 7514 AM Enschede op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;- actief deelneemt aan de gedragsinterventie Cova+ of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden; - draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de veroordeelde:- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- beveelt dat de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 72,30 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2018) voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;- wijst af het bedrag van € 16,62 aan gevorderde reiskosten;- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2018 ten behoeve van de benadeelde (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan), met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van zal worden toegepast. . Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;- verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk voor het meer of anders gevorderde;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 750,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2018);- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;- legt de op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2018 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;- verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk voor het meer of anders gevorderde;
- gelast de teruggave van een mobiele telefoon van het merk Huawei en een mobiele telefoon van het merk Nokia aan verdachte.
1. De verklaring van verdachte op de zitting van 2 april 2019 voor zover inhoudend:
4. Het proces-verbaal van politie nummer 60 (pagina 27 tot en met 34 van de doorgenummerde bijlagen van het zaakdossier), inhoudende als verklaring van [verdachte] :
De rechtbank:

Vrijspraak/bewezenverklaring

strafbaarheid feit

strafbaarheid verdachte

straf

nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
maatregel

schadevergoeding

materieel (hoofdelijk)

immaterieel

de inbeslaggenomen voorwerpen

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en mr F.H.W. Teekman, rechters, in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2019.

Buiten staat

Mr. C.C.S. Bordenga-Koppes is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Districtsrecherche Twente onderzoek ON2R018045 RIGEL/ON2RO18045 met nummer ON2RO18045. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Op 12 mei 2018 was ik met [medeverdachte] en zijn vriendin bij [getuige 2] thuis. [medeverdachte] ging op een gegeven moment weg. Vervolgens kwam hij terug met een jongen. Sommige mensen noemen mij [alias verdachte] . Ik heb twee flessen gepakt. Een kleine en een grote fles. Ik zei toen tegen die jongen welke hij wilde, de kleine of een grote.

2.Het proces-verbaal van politie nummer PL0600-2018205530-6 (pagina 40 tot en 48 van de doorgenummerde bijlagen van het zaakdossier), als verklaring van aangever [slachtoffer] – kort samengevat en zakelijk weergegeven - voor zover inhoudend:
Op 12 mei 2018 ben ik naar [ijssalon] gelopen om [getuige 1] daar te ontmoeten. Toen ik bij [ijssalon] was zag ik iemand met een capuchon en zwarte jas op mij af komen. Ik kreeg direct klappen van hem in mijn gezicht, ik voelde dat hij mij meerdere malen in het gezicht sloeg met zijn vuisten en hij pakte mij bij mijn kraag vast. Ik herkende hem als [medeverdachte] . Wij liepen naar een soort van flat waar wij beneden in moesten.
Opmerking verbalisanten:

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Wij doen dit via Google maps. Hiervan zaleen uitdraai bijgevoegd worden aan dit proces verbaal. De aangever zal de locatiehierop aangeven.
[medeverdachte] zei tegen mij dat ik mee moest naar binnen en hij trok mij mee naar binnen. Ik zag [getuige 1] , [getuige 2] en een neger in de woning. De bijnaam van deze neger is [alias verdachte] . Ik hoorde dat [medeverdachte] tegen mij zei dat hij mij in de kont wilde neuken en dit wilde gaan filmen. Hij wilde dit dan online gaan zetten. [..] Op een gegeven moment pakte de neger twee flessen. Een grote en een kleinere fles. Beide waren van sterke drank. De kleine was van Hennessey. De neger vroeg aan mij welke ik in mijn kont wilde. [..] Ik zag dat [medeverdachte] zijn broek naar beneden deed en hierbij zei hij: Pijp mij. Hij had wel zijn boxershort nog aan. Ik had echt het gevoel dat ik verkracht zou worden want hij zei meerdere malen tijdens het slaan dat hij mij in de kont ging neuken.
3.Het proces-verbaal van politie nummer PL0600-2018205530-6 (pagina 30 tot en 43 van de doorgenummerde bijlagen van het persoonsdossier), inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte] :
Ik heb met [slachtoffer] afgesproken bij [ijssalon] in het centrum van Enschede. Ik vroeg aan [slachtoffer] of hij mee wilde gaan naar [getuige 2] omdat [getuige 1] daar ook was. [getuige 2] woont volgens mij op [adres 2] .

[medeverdachte] zei tegen die jongen dat hij hem in de kont ging neuken. Ik ben toen opgestaan en heb toen twee flessen gepakt. Een kleine en een grote fles. Ik heb hem alleen gevraagd welke fles hij in zijn kont wilde.