Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2019:1273

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Overijssel op 15-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOVE:2019:1273, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 08-953296-17 en 08/770048-18 (P)


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummers 08-953296-17 en 08/770048-18 (P) (ter terechtzitting gevoegd)Datum vonnis: 15 april 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,wonende aan de [woonplaats] .

ECLI:NL:RBOVE:2019:1273:DOC
nl

RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo

Parketnummers 08-953296-17 en 08/770048-18 (P) (ter terechtzitting gevoegd)Datum vonnis: 15 april 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats] ,wonende aan de [woonplaats] .
1

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van1 april 2019.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitiemr. N. Huisman en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. M.S. Flokstra, advocaat te Oldenzaal, naar voren is gebracht.
2

In verband met de leesbaarheid van het vonnis wordt het feit onder parketnummer 08/770048-18 doorgenummerd als feit 4.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:

feiten 2 en 3:

feit 4:

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 19 januari 2018 te Oldenzaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 februari 2015 te Oldenzaal, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [verdachte] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11 Opiumwet;
3hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 19 januari 2018 te Oldenzaal, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [verdachte] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
4hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 augustus 2017 tot21 augustus 2017 in de gemeente Enschede, in elk geval in Nederland, telkens een of meer afbeelding(en) of voorwerp(en), te weten (een) afbeelding(en) van een naakte vrouw (te weten [slachtoffer] ), terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die afbeelding(en) of voorwerp(en) aanstotelijk voor de eerbaarheid is/zijn, openlijk tentoon heeft gesteld of heeft aangeboden, immers heeft verdachte die afbeelding(en) op facebook geplaatst.
3

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

overwegingen

4

4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de verklaring van verdachte, meerdere getuigenverklaringen, observaties en het proces-verbaal doorzoeking van de woning, de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard en dat op basis van de verklaring van verdachte en de aangifte van [slachtoffer] , het sub 4 ten laste gelegde feit eveneens bewezen kan worden verklaard.

4.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er een bewezenverklaring kan volgen voor de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten, maar dat het bewijs voor de onder 2 en 3 ten laste gelegde criminele organisatie ontbreekt, nu onvoldoende is gebleken van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn medeverdachten. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde merkt de raadsvrouw op dat verdachtes aandeel in het geheel minder groot is geweest dan dat van zijn vader en verdachte een min of meer faciliterende rol heeft gehad in de verkoop van soft drugs.
4.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.De rechtbank overweegt daartoe dat zij niet bewezen acht dat zo er al sprake is geweest van een organisatie als bedoeld in artikel 11a (oud) en 11b Opiumwet, het oogmerk daarvan op de in de tenlastelegging onder 2 en 3 genoemde misdrijven niet bewezen kan worden verklaard. De rechtbank wijst erop dat het onder 1 bewezenverklaarde misdrijf niet valt onder de in artikel 11a (oud) en 11b Opiumwet opgesomde Opiumwetdelicten.
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

feit 1

1.het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 april 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
2.processen-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] van 20 en 21 januari 2018, pagina’s 118 tot en met 123;
3.het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 1 februari 2018, pagina’s 232 en 233;
feit 4

1.het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 april 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdacht;
2.het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 24 augustus 2017, op pagina’s 31 tot en met 34 in een proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Nederland van 7 februari 2018.
4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij de periode van 1 januari 2014 tot en met 19 januari 2018 te Oldenzaal, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4hij in de periode van 13 augustus 2017 tot 21 augustus 2017 in de gemeente Enschede, een afbeelding van een naakte vrouw (te weten [slachtoffer] ), terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die afbeelding aanstotelijk voor de eerbaarheid is, openlijk tentoon heeft gesteld, immers heeft verdachte die afbeelding op Facebook geplaatst.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet jo artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 240 (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet geven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4

het misdrijf: wetende dat een afbeelding aanstotelijk voor de eerbaarheid is, die afbeelding op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, openlijk tentoonstellen.
6

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7

7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 tot en met 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden en een geldboete van € 800,--. De officier heeft daarbij opgemerkt dat de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten niet wezenlijk bijdragen aan de strafmaat en dat de gevorderde straf met name is gebaseerd op het onder 1 ten laste gelegde.Verder heeft de officier van justitie ter zake van feit 4 een gevangenisstraf voor de duur van één week gevorderd. Daarnaast heeft de officier van justitie verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen auto gevorderd.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op zowel verdachtes beperkte rol in de feiten onder 1 als de omstandigheid dat de onder feit 4 genoemde foto slechts enkele nachtelijke uren op Facebook heeft gestaan, verzocht te volstaan met een werkstraf. Verder heeft de raadsvrouw teruggave van de onder verdachte inbeslaggenomen telefoons van het merk Wiko en Samsung, alsmede een financiële compensatie voor de onder verdachte inbeslaggenomen auto verzocht.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft, naast het plaatsen van een voor de eerbaarheid aanstotelijke naaktfoto op Facebook, samen met zijn ouders, gedurende een periode van ongeveer vier jaren, stelselmatig vanuit hun woning aan een groot aantal personen hennep verkocht. Hij heeft daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan het, met name in Oldenzaal, op de markt brengen van softdrugs en het in stand houden van de handel daarin. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat er met regelmaat softdrugs werd verkocht aan minderjarigen. Het gebruik van hennep vormt een bedreiging voor de volksgezondheid. Daarnaast vindt een aanmerkelijk deel van de criminaliteit direct of indirect haar oorsprong in de handel in en het gebruik van softdrugs. Verdachte heeft zich daarvan onvoldoende rekenschap gegeven en enkel ten behoeve van zijn eigen financieel gewin gehandeld. Wat betreft de strafmodaliteit en de hoogte daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met verdachtes ter terechtzitting gebleken persoonlijke omstandigheden, zoals die met name zijn verwoord in het rapport van Tactus van 20 maart 2019 en het feit dat verdachte, blijkens het uittreksel uit het documentatieregister van 26 februari 2019, niet eerder ter zake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld. Verder heeft de rechtbank, op de voet van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met- een vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 19 april 2017, waarbij verdachte is veroordeeld tot 30 uren taakstraf, subsidiair 15 dagen hechtenis; -een vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 28 juli 2014, waarbij verdachte is veroordeeld tot 20 uren taakstraf, subsidiair 10 dagen hechtenis en -een aan verdachte vanwege het CJIB op 16 augustus 2018 opgelegde geldboete van € 600,--.Alle omstandigheden afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf en een vrijheidsstraf, beide van na te melden duur dienen te worden opgelegd. De rechtbank zal de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte er van te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten en met name aan het dealen in softdrugs, schuldig te maken. Het opleggen van een geldboete van € 800,-- ter zake van feit 1 en een vrijheidsstraf van één week ter zake van feit 4, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet opportuun. De rechtbank is met name van oordeel dat oplegging van deze straffen zich niet verhoudt met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, waarbij de rechtbank tevens in aanmerking neemt de straffen die aan verdachtes medeverdachten (ouders) worden opgelegd. De rechtbank ziet, wat de duur van die straffen betreft, geen aanleiding om af te wijken van de aan verdachtes medeverdachten opgelegde straffen. Wat er ook zij van verdachtes aandeel in het geheel, iedereen binnen het gezin wist van de handel in drugs en het strafbaar karakter ervan en alle verdachten droegen hun steentje in meerdere of mindere mate daaraan bij. Bovendien werd de opbrengst van de strafbare feiten binnen het gezin geconsumeerd en werd er dus door een ieder van geprofiteerd.
7.4
De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte van de onder hem inbeslaggenomen telefoons van het Merk Miko en Samsung gelasten.Nu iedere relevante informatie omtrent de eventuele overige bij verdachte inbeslaggenomen goederen ontbreekt, ziet de rechtbank zich genoodzaakt, zich te onthouden van een rechtens te nemen beslissing over die goederen.
8

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

beslissing

9

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 4 bewezenverklaarde;
- veroordeelt verdachte tot een voor de duur van ; - bepaalt dat deze gevangenisstraf , tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:- stelt als dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;- bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;
- veroordeelt verdachte tevens tot een , bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van ;- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat zal worden toegepast voor de duur van ;
- gelast de teruggave aan verdachte van een Wiko telefoon en een Samsung telefoon.
De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

feit 1

feit 4

strafbaarheid verdachte

straf

de inbeslaggenomen voorwerpen

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. F.C. Berg en mr. A.M.G.Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2019.

_21dff7d3-5c5c-40b6-b748-b0b32712ec65
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland met nummer 2017009858 van 15 februari 2018. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.