Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2020:696

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2020:696, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/865016-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBOBR:2020:696:DOC
nl

center
100
b19a3956-8265-4101-a562-23c12274f450
16
550
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

- een Volkswagen Polo ( [kenteken 1] ) (delict 12) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 2] ) (delict 13) en/of - een Volkswagen Golf ( [kenteken 3] ) (delict 14) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 4] ) (delict 15) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 5] ) (delict 16) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 6] ) (delict 17) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 7] ) (delict 20) en/of - een Volkswagen Golf ( [kenteken 8] ) (delict 21)- een Volkswagen Polo ( [kenteken 1] ) (delict 12) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 2] ) (delict 13) en/of - een Volkswagen Golf ( [kenteken 3] ) (delict 14) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 4] ) (delict 15) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 5] ) (delict 16) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 6] ) (delict 17) en/of - een Volkswagen Polo ( [kenteken 7] ) (delict 20) en/of - een Volkswagen Golf ( [kenteken 8] ) (delict 21)
- feit 1, delict 12:

in de periode van 5 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 het medeplegen van opzetheling van de Volkswagen Polo met [kenteken 1] ;
- feit 1, delict 13:

in de periode van 5 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 het medeplegen van opzetheling van de Volkswagen Polo met [kenteken 2] ;
- feit 1, delict 14:

in de periode van 4 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 het medeplegen van opzetheling van de Volkswagen Golf met [kenteken 3] ;
- feit 1, delict 15:

in de periode van 7 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 het medeplegen van opzetheling van de Volkswagen Polo met [kenteken 4] ;
- feit 1, delict 16:

in de periode van 9 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 het medeplegen van opzetheling van de Volkswagen Polo met [kenteken 5] ;
- feit 1, delict 17:

tussen 21 januari 2019 en 22 januari 2019 het plegen van opzetheling van de Volkswagen Polo met [kenteken 6] ;
- feit 1, delict 20:

in de periode van 21 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 het medeplegen van opzetheling van de Volkswagen Polo met [kenteken 7] ;
- feit 1, delict 21:

in de periode van 8 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 het medeplegen van opzetheling van de Volkswagen Golf met [kenteken 8] ;
- feit 2:

in de periode 27 december 2018 tot en met 29 januari 2019 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.- een Volkswagen Polo ( [kenteken 2] ) en - een Volkswagen Golf ( [kenteken 3] ) en - een Volkswagen Polo ( [kenteken 4] ) en - een Volkswagen Polo ( [kenteken 5] ) en - een Volkswagen Polo ( [kenteken 7] ) en - een Volkswagen Golf ( [kenteken 8] ) - een Volkswagen Polo ( [kenteken 6] ) - diefstal van voertuigen en onderdelen van voertuigen als bedoeld in artikel 310 jo 311 van het Wetboek van Strafrecht en- heling van voertuigen en onderdelen van voertuigen als bedoeld in artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht.
1. de verzekeringsmaatschappijen:

- [naam verzekeringsmaatschappij 1] (feit 1, delict 12)- [naam verzekeringsmaatschappij 2] (feit 1, delict 13)- [naam verzekeringsmaatschappij 3] (feit 1, delict 14)- [naam verzekeringsmaatschappij 4] (feit 1, delict 15)- [naam verzekeringsmaatschappij 5] (feit 1, delict 16)- [naam verzekeringsmaatschappij 6] (feit 1, delict 17)- [naam verzekeringsmaatschappij 7] (feit 1, delict 20)
2. de natuurlijke personen:

- [benadeelde partij 1] (feit 1, delict 12)- [benadeelde partij 2] (feit 1, delict 21)- [naam verzekeringsmaatschappij 1] , tot een bedrag van € 7.120,55- [naam verzekeringsmaatschappij 2] , tot een bedrag van € 7.083,33- [naam verzekeringsmaatschappij 3] , tot een bedrag van € 7.024,79- [naam verzekeringsmaatschappij 4] , tot een bedrag van € 7.198,35- [naam verzekeringsmaatschappij 5] , tot een bedrag van € 6.420,25- [naam verzekeringsmaatschappij 6] , tot een bedrag van € 4.530,28- [naam verzekeringsmaatschappij 6] , tot een bedrag van € 5.632,23.Voor het overige dienen de vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Strafrecht

Parketnummer: 01/865016-19 Datum uitspraak: 11 februari 2020
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats- en datum] 1983,wonende te [adres 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 mei 2019, 13 januari 2020, 15 januari 2020 en 28 januari 2020.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 april 2019.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 januari 2020 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 4 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 te 's-Hertogenbosch en/of te Vinkel (gemeente 's-Hertogenbosch) en/of te Rosmalen (gemeente 's-Hertogenbosch) en/of te Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen een of meer (personen)auto('s), te weten

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die (personen)auto's (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 4 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 te 's-Hertogenbosch en/of te Vinkel (gemeente 's-Hertogenbosch) en/of te Rosmalen (gemeente 's-Hertogenbosch) en/of te Eindhoven en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen een of meer (personen)auto('s), te weten

heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van die (personen)auto's (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen), bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 te Vinkel, gemeente 's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, opzettelijk gelegenheid, inlichtingen of middelen heeft verschaft door (een) loods(en) te hurenen/of ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) ten behoeve van het "koud zetten" en/of stallen van die gestolen voertuigen-zaak 12/13/14/15/16/17/20/21-
2. hij in of omstreeks de periode van 27 december 2018 tot en met 29 januari 2019 te 's-Hertogenbosch en/of te Ammerzoden en/of te Vinkel en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] (geboren [datum 1] 1993) en/of [medeverdachte 2] (geboren [datum 2] 1984) en/of [medeverdachte 3] (geboren [datum 3] 1972) en/of [medeverdachte 4] (geboren [datum 4] 1991) en/of [medeverdachte 5] (geboren [datum 5] 1985) en/of [medeverdachte 6] (geboren [datum 6] 1988) en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) plegen van -diefstal van voertuigen en/of onderdelen van voertuigen en/of diefstal van goederen in/uit voertuigen (als bedoeld in artikel 310 jo 311 van het Wetboek van Strafrecht) en/of -opzet en/of schuld heling van voertuigen en/of onderdelen van voertuigen en/of goederen uit voertuigen (als bedoeld in artikel 416 en/of artikel 417 bis van het Wetboek van Strafrecht) en/of -het van een voorwerp (voertuigen en/of onderdelen van voertuigen) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergen of verhullen, dan wel verbergen of verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, wetende en/of vermoedende dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf (als bedoeld in artikel 420bis jo 420quater van het Wetboek van Strafrecht);
De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De standpunten.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van:
Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat er onvoldoende bewijs is voor het (mede)plegen van opzet- dan wel schuldheling, zodat er geen veroordeling kan volgen voor feit 1 primair. De verdediging refereert zich aan een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan opzet- dan wel schuldheling als omschreven in onder feit 1 subsidiair. De verdediging is tevens van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2 wegens gebrek aan bewijs.
Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 (delict 12, 13, 14, 15, 16, 17, 20 en 21)
Ten aanzien van deze delicten heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van het feit dat de auto’s in de loods van misdrijf afkomstig waren. Verdachte zou slechts als vriendendienst tegen betaling hebben geholpen om te sleutelen aan schadeauto’s.
De rechtbank verwerpt dit verweer. In de loods kwamen op het oog schadevrije auto’s binnenrijden. Aan deze auto’s werd niet slechts gesleuteld; van deze auto’s werden - soms in een tijdsbestek van slechts enkele uren - vele onderdelen gedemonteerd en vervolgens uit de loods weggevoerd. Geen van de auto’s verliet de loods in gerepareerde staat. Dit proces van binnenhalen en demonteren herhaalde zich in een tijdsbestek van enkele weken vele malen en aan dit proces nam verdachte deel. Verdachte was in de loods aanwezig als de auto’s werden binnengereden of kwam telkens kort daarna in de loods. Verdachte is op vele dagen in de loods aanwezig. Verdachte heeft vele uren besteed aan het demonteren van verschillende auto’s en/of was aanwezig bij het demonteren van auto’s door anderen. Ook heeft verdachte geholpen bij het inladen van onderdelen om deze weg te voeren. Gelet op het geheel van deze activiteiten, in combinatie met het gegeven dat verdachte betrokken was bij de huur van de loods namens [medeverdachte 1] , kan het volgens de rechtbank niet anders dan dat verdachte vanaf het eerste moment wist dat de voertuigen in de loods van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling van de voertuigen behorende bij de genoemde delicten.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank stelt het volgende voorop.

Onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvoering, een taakverdeling, een bepaalde hiërarchie of geledingen. Een samenwerkingsverband kan toevallig en in de loop der tijd ontstaan omdat men ‘werkendeweg’ ontdekt dat men een gezamenlijk doel heeft waarvan de realisering met duurzame samenwerking gediend is.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, is voorts vereist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Voor het bewijs van het oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.

Tot slot moet worden vastgesteld of de verdachte kan worden aangemerkt als deelnemer aan de organisatie. Van deelneming is sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 27 december 2018 tot en met 23 januari 2019 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Daarvoor acht zij de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

De delicten 12 tot en met 17, 20 en 21 laten een duidelijk patroon zien. Dat is te danken aan de camerabeelden die gemaakt zijn in de loods aan de [adres 2] . Uit die beelden komt een georganiseerde manier van werken naar voren, waarbij steeds dezelfde personen betrokken zijn. Dat zijn verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De gebezigde bewijsmiddelen rechtvaardigen zonder meer de conclusie dat zij deel uitmaakten van een criminele organisatie die gericht was op het stelen en helen van auto’s. De rechtbank zet een en ander onder elkaar.

Op 7 december 2018 plaatst [medeverdachte 1] een advertentie op Marktplaats waarin hij een hobby/sleutelruimte voor reparatie en opslag van schade auto’s in de buurt van ’s-Hertogenbosch zoekt. Het pseudokoopteam van de politie, met als tussenpersoon [naam tussenpersoon] , biedt een loods te huur aan op het [adres 2] . Op 19 december 2018 vindt een ontmoeting plaats tussen [naam tussenpersoon] van het pseudokoopteam, verdachte en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] geeft aan dat de loods naar wens is en dat hij akkoord is met de huurprijs. Hij geeft aan dat de naam van verdachte op de huurovereenkomst moet komen. Er wordt uiteindelijk afgesproken dat de sleuteloverdracht en het betalen van de huurprijs op 2 januari 2019 zal plaatsvinden.
Op 27 december 2018 wordt vervolgens voor het eerst een telefonisch contact geregistreerd tussen de telefoons van verdachte en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] stond toen al met zowel verdachte als [medeverdachte 1] in contact.

Op de afspraak van 2 januari 2019 verschijnen verdachte en [medeverdachte 2] . Het huurcontract wordt door verdachte ondertekend. Het geld wordt pas op 3 januari 2019 betaald en dan wordt de sleutel ontvangen. Ook dan zijn alleen verdachte en [medeverdachte 2] ter plaatse.

Op 5 januari 2019, twee dagen na de sleuteloverdracht, wordt de eerste gestolen Volkswagen de loods ingereden. In de dagen tot en met 23 januari 2019 volgen er meer. In veel gevallen is op de camerabeelden te zien dat [medeverdachte 1] de gestolen auto de loods binnenrijdt. [medeverdachte 2] rijdt in zijn Ford Fiesta achter hem aan naar binnen. De gestolen Volkswagens vertonen op het oog geen schade en gaan rijdend de loods binnen. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verrichten vervolgens in wisselende samenstellingen werkzaamheden aan de gestolen auto’s. Het ene na het andere onderdeel wordt verwijderd. Geen enkele auto wordt gerepareerd of verlaat in originele staat de loods. Dat er – behoudens de eigen auto’s van verdachten uit het onderzoek Tubingen – ooit een niet-gestolen auto de loods is binnengereden, is niet gebleken.

De taakverdeling tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is helder. [medeverdachte 1] is degene die de Volkswagens steelt. Ten minste twee keer doet hij dat samen met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] escorteert [medeverdachte 1] bij het verplaatsen van de gestolen auto’s naar de loods in Vinkel. [medeverdachte 2] blijkt in het bezit te zijn van een jammer, die ervoor zorgt dat mobiele telefoons, GPS-signalen, elektronische autosloten of anti-autodiefstalsystemen niet meer werken. Ook beschikt hij over de voorwerpen om sleutels te kunnen knippen. Verdachte heeft samen met [medeverdachte 2] de huurovereenkomst gesloten die [medeverdachte 1] heeft voorbereid. Verdachte is telkens in de loods om de gestolen Volkswagens te demonteren. Ook [medeverdachte 1] demonteert auto-onderdelen en [medeverdachte 2] biedt een helpende hand bij deze werkzaamheden. Verdachte en [medeverdachte 2] weten dat zij telkens met gestolen auto’s in de weer zijn, of ze die nou escorteren, voorhanden hebben of demonteren. Tot op de actiedag van 23 januari 2019 was sprake van een intensieve, duurzame en gestructureerde samenwerking tussen deze drie verdachten.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor deelname aan het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Betrokkenheid van [medeverdachte 6] bij de criminele organisatie acht de rechtbank evenmin bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1. in de periode van 4 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 te Vinkel, gemeente ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander (personen)auto's, te weten - een Volkswagen Polo ( [kenteken 1] ) en
voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die (personen)auto's wisten, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof; en
delict 17

in de periode van 22 januari 2019 tot en met 23 januari 2019 te Vinkel, gemeente ’s-Hertogenbosch, een (personen)auto, te weten
voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de het voorhanden krijgen van die (personen)auto wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; 2. in de periode van 27 december 2018 tot en met 29 januari 2019 te 's-Hertogenbosch en te Vinkel heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] , geboren [datum 1] 1993, en [medeverdachte 2] , geboren [datum 2] 1984, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens plegen van
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6,5 maand voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Voorts vordert de officier van justitie opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van de datum van de uitspraak, 11 februari 2020.Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.

Bij een bewezenverklaring verzoekt de raadsvrouw een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, eventueel gecombineerd met een taakstraf. Er is sprake van een hulpverleningsnetwerk rondom verdachte en een gevangenisstraf zou dit traject doorkruizen.
Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan acht opzethelingen van voertuigen en deelneming aan een criminele organisatie.

Opzetheling, zeker van grote partijen gestolen goederen, is een ernstig strafbaar feit. Heling bevordert diefstal en zorgt bovendien voor een illegaal circuit van goedkope goederen, waardoor de reguliere, eerlijke (detail)handel wordt verstoord en schade wordt toegebracht. Verdachte heeft de heling in georganiseerd verband gepleegd, hetgeen de gedragingen nog ernstiger maakt. De door verdachte gepleegde strafbare feiten hebben grote materiële schade veroorzaakt. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten kennelijk puur gehandeld uit financieel gewin en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de slachtoffers.

Volgens de oriëntatiepunten van de rechtspraak en de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen worden voor het meermalen plegen van opzetheling en deelname aan een criminele organisatie onvoorwaardelijke gevangenisstraffen passend geacht.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte geen leidinggevende rol heeft gespeeld in de criminele organisatie. Verdachte was evenwel betrokken bij de huur van de loods waar de gestolen voertuigen werden ontmanteld, hij ontmantelde de voertuigen en kreeg hetzelfde betaald als [medeverdachte 2] . Verdachte had in zoverre wel een rol van betekenis.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de laatste veroordeling van verdachte dateert van december 2016 voor wapenbezit en de laatste veroordeling voor een vermogensdelict dateert van 2006, zodat het strafblad van verdachte in zoverre niet strafverhogend werkt.

De reclassering heeft een rapport uitgebracht over verdachte. Hieruit blijkt dat na het aan het licht komen van de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zijn persoonlijke omstandigheden zich zodanig in positieve zin hebben gewijzigd, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gedrag van verdachte zich ten goede zal keren. Verdachte lijkt gemotiveerd te zijn om te stoppen met het gebruik van harddrugs. Verdachte is meewerkend en is bereidwillig naar de hulpverlening. Hij is een hulverleningstraject gestart dat voorspoedig verloopt. De reclassering heeft de rechtbank erop gewezen dat verdachte bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur zijn werk en woning dreigt kwijt te raken en de behaalde resultaten tot nu toe teniet gedaan zullen worden. De rechtbank zal bij de strafoplegging hier rekening mee houden.De strafeis van de officier van justitie inzake de deels voorwaardelijke gevangenisstraf doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de rol van de verdachte daarin. Om die reden zal de rechtbank op dat punt een zwaardere straf opleggen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande voor het bewezene een gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod met de medeverdachten en het meewerken aan begeleiding van Novadic-Kentron, passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank een maximale taakstraf opleggen van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

De vordering van de benadeelde partijen

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vorderingen van de verzekeringsmaatschappijen deels toewijsbaar:
De officier van justitie acht van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toewijsbaar een bedrag van € 112,99. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie acht van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toewijsbaar een bedrag van € 207,33. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw verzoekt de vorderingen van de verzekeringsmaatschappijen niet-ontvankelijk te verklaren. De vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zijn onvoldoende onderbouwd en dienen eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Beoordeling.

De vorderingen van de verzekeringsmaatschappijen:

Zoals de verdediging terecht heeft aangevoerd, volgt uit de wetsgeschiedenis dat van rechtstreekse schade in de zin van art. 51f van het Wetboek van Strafvordering sprake is indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van rechtsopvolgers en evenmin die van derde belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij in het strafproces kan voegen. In de rechtspraak wordt dit uitgangspunt van de wetgever gehandhaafd.

Gelet hierop zal de rechtbank de verzekeringsmaatschappijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. Deze partijen kunnen hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de verzekeringsmaatschappijen ieder voor zich veroordelen in de kosten van verdachte. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] :

De rechtbank zal benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat deze vordering ten aanzien van alle opgevoerde posten niet is onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. Behandeling van deze vordering levert zodoende een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van verdachte. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] :

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, aangezien er geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. De vordering heeft betrekking op losse voorwerpen die zich in de auto bevonden, terwijl verdachte ten aanzien van dit feit wordt veroordeeld voor opzetheling van de auto en niet voor diefstal van de auto, al dan niet met inhoud.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van verdachte. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen goed.
Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 140 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1 primairten aanzien van zaak 12, 13, 14, 15, 16, 20 en 21 telkensmedeplegen van opzetheling
ten aanzien van zaak 17
opzetheling

Feit 2deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2:een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;
een , met aftrek overeenkomstig artikel 27Wetboek van Strafrecht, , met een proeftijd van 3jaren;
stelt als algemene voorwaarde

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde

Aangezien de rechtbank bijzondere voorwaarden heeft gesteld, geldt van rechtswege dat veroordeelde:

geeft aan Reclassering Nederland, regio Zuid, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG 's-Hertogenbosch de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslag

- dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
- verplicht zal meewerken aan intake, hernieuwde diagnostiekbepaling en hieruit voortvloeiende behandeling bij Novadic-Kentron of een soortgelijke forensische verslavingszorg, zulks ter beoordeling van Reclassering Nederland, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven zolang Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht. Ook indien plaatsing voor de duur van maximaal 7 weken in het kader van een “detox”-behandeling noodzakelijk wordt geacht. Veroordeelde wordt door zijn toezichthouder aangemeld voor de behandeling.- op geen enkele wijze direct of indirect contact zal hebben, ook niet via derden, met de in deze strafzaak genoemde en aan verdachte bekende, als medeverdachte aangemerkte personen, [medeverdachte 1] , geboren [datum 1] 1993 te ’s-Hertogenbosch, [medeverdachte 4] , geboren op [datum 4] 1991 te ’s-Hertogenbosch, [medeverdachte 2] , geboren op [datum 2] 1984 te ’s-Hertogenbosch, [medeverdachte 3] , geboren [datum 3] 1972 te ’s-Hertogenbosch, een en ander met dien verstande dat onder dit contactverbod niet vallen contacten van of door tussenkomst van de advocaat van veroordeelde met genoemde personen;- medewerking zal verlenen aan urinecontroles om zijn alcohol- en drugsgebruik te controleren indien geïndiceerd door zijn toezichthouder. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
verklaart niet-ontvankelijk in de vorderingen de benadeelde partijen:
- [naam verzekeringsmaatschappij 1] (delict 12)- [benadeelde partij 1] (delict 12)- [naam verzekeringsmaatschappij 2] (delict 13)- [naam verzekeringsmaatschappij 3] (delict 14)- [naam verzekeringsmaatschappij 4] (delict 15)- [naam verzekeringsmaatschappij 5] (delict 16)- [naam verzekeringsmaatschappij 6] (delict 17)- [naam verzekeringsmaatschappij 6] (delict 20)- [benadeelde partij 2] (delict 21)
1. GSM, kleur zwart, Huawei. Dit vonnis is gewezen door:
veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;
beveelt de teruggave

mr. R. van den Munckhof, voorzitter,mr. E.M. Vermeulen en mr. H. Slaar, leden,in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,en is uitgesproken op 11 februari 2020.