Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2020:183

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 14-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2020:183, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is SHE 18/2682 en SHE 19/218 t/m SHE 19/247


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OOST-BRABANTuitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaken tussen

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 18/2682 en SHE 19/218 t/m SHE 19/247

[eisers] ,

allen te [woonplaats] , eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder(gemachtigde: mr. P.W.G.M. Christophe).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Four Apes B.V. (vergunninghoudster), te Oisterwijk.

ECLI:NL:RBOBR:2020:183:DOC
nl

RECHTBANK OOST-BRABANTuitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaken tussen
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 18/2682 en SHE 19/218 t/m SHE 19/247

[eisers] ,

allen te [woonplaats] , eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder(gemachtigde: mr. P.W.G.M. Christophe).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Four Apes B.V. (vergunninghoudster), te Oisterwijk.

procesverloop

Procesverloop

In het besluit van 15 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster omgevingsvergunning verleend voor de realisering van een trampolinecentrum genaamd Jump XL, in de San Salvatorkerk aan de Schaarhuisstraat 14 te ’s-Hertogenbosch (de projectlocatie).

In (afzonderlijke) besluiten van 21 september 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. De beroepen zijn geregistreerd onder de hierboven genoemde zaaknummers. Aan de uitspraak is een (niet op rechtspraak.nl gepubliceerde) bijlage gehecht met een overzicht van de eisers en de zaaknummers.

De zaken zijn behandeld op 29 oktober 2019. Een groot deel van de eisers is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is niet verschenen.

Overwegingen

1. Deze zaak gaat over de realisering van een trampolinecentrum in een voormalige kerk, de San Salvatorkerk. In deze uitspraak zal de rechtbank eerst de feiten op een rij zetten. Daarna worden de beroepsgronden van eisers behandeld. Een aantal van deze beroepsgronden slaagt. De bestreden besluiten kloppen niet en worden daarom vernietigd. De rechtbank legt hieronder uit wat er aan schort. In een tweede bijlage bij deze uitspraak worden de belangrijkste wetten en regels genoemd.
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Inleiding

Feiten

2.1
De San Salvatorkerk is een kerkgebouw aan het Schaarhuissplein in het stadsdeel Orthen in ’s-Hertogenbosch. Het gebouw is in 2015 aan de eredienst onttrokken. Het gebouw is een gemeentelijk monument. Het perceel (de projectlocatie) heeft op grond van het bestemmingsplan “Noord” de bestemming “Maatschappelijk” en de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie”.
2.2
Vergunninghoudster heeft een aanvraag ingediend om in het gebouw een trampolinecentrum voor recreatieve doeleinden onder te brengen. Dit beoogde gebruik is in strijd met de bestemming “Maatschappelijk” (artikel 11.1 van de planregels). Verweerder wil meewerken aan dit plan. Verweerder heeft de omwonenden van de projectlocatie de mogelijkheid gegeven om een reactie te geven op zijn voornemen om van het bestemmingsplan af te wijken. Een aantal omwonenden hebben ingesproken. Deze inspraakreacties heeft verweerder beoordeeld in een inspraakverslag.
2.3
De aanvraag is ook behandeld in de vergadering van de Monumentencommissie. Deze commissie heeft positief geadviseerd over het bouwplan, met als voorwaarde dat de gehele inbouw reversibel wordt aangebracht (dat wil zeggen dat alles wat binnen wordt veranderd, ook weer ongedaan kan worden gemaakt). Verweerder heeft het advies van de Monumentencommissie overgenomen. Het bouwplan voorziet in het behoud van de kunstwerken die zijn genoemd op de lijst van de afdeling Erfgoed.
3.1
Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend met gebruikmaking van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a. onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen samen met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Verweerder heeft zijn beslissing gemotiveerd door te verwijzen naar de “Ruimtelijke motivatie herinvulling voormalig kerkgebouw Schaarhuisstraat 14 Orthen (San Salvatorkerk)’.
3.2
Omdat het de rechtbank niet duidelijk was wat nu precies is besloten, heeft de rechtbank dit onderzocht op de zitting. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat hij alleen is afgeweken van de bestemming in het bestemmingsplan. Hij heeft niet besloten om ook af te wijken van de parkeervoorschriften in de planregels. Er is omgevingsvergunning verleend voor verschillende activiteiten, namelijk bouwen, gebruik in strijd met het bestemmingsplan en het verrichten van handelingen in een gemeentelijk monument (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, en artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo). Aan het bestreden besluit is een voorschrift verbonden waarin openingstijden zijn opgenomen. In het bestreden besluit worden ook andere openingstijden genoemd in de aanvangsperiode, maar verweerder heeft niet bedoeld dat hiermee het voorschrift wordt veranderd. Ook staat in het bestreden besluit dat er ondersteunende horeca zal komen en dat er geen alcoholhoudende drank wordt geschonken. Dit stond niet zo uitdrukkelijk in de omgevingsvergunning. Ook dit zijn echter geen aanvullende voorschriften.
De beoordeling van de beroepen.

Inleiding

4. Verweerder heeft de rechtbank na de zitting medegedeeld dat de vergunning op verzoek van vergunninghoudster is ingetrokken. De rechtbank heeft zichzelf daarna afgevraagd of eisers nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen tegen de bestreden besluiten. Het procesbelang wordt evenwel beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden zoals die bekend zijn uiterlijk op de zitting (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2301). Toen was er procesbelang, want op dat moment was de vergunning nog niet ingetrokken. Daarom zal de rechtbank de beroepen inhoudelijk beoordelen.
5.1
De beroepsgronden van eisers richten zich niet tegen de omgevingsvergunning met betrekking tot het verrichten van handelingen in een gemeentelijk monument. Eisers hebben beroep ingesteld omdat zij bang zijn voor overlast vanwege het trampolinecentrum, zoals parkeeroverlast en geluidsoverlast. Zij zijn bang dat hun leefomgeving wordt aangetast.
5.2
Verweerder moet bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan beoordelen of de goede ruimtelijke ordening in het gedrang komt. Hierbij wordt ook gekeken naar de gevolgen voor de leefomgeving van eisers.
5.3
De rechtbank zal in deze uitspraak beoordelen of de verschillende vormen van overlast goed zijn ingeschat door verweerder. Dat zal hieronder worden uitgewerkt.
Parkeren

6.1
Eisers stellen dat er wordt gehandeld in strijd met planregel 11.2.1 van het bestemmingsplan. In deze planregel is een verplichting opgenomen om te parkeren op eigen terrein.
6.2
Verweerder beschouwt het Schaarhuisplein als een ‘eigen terrein’ bij de projectlocatie en vindt dat hij daarom geen vergunning hoefde te verlenen voor het afwijken van deze planregel.
6.3
Op basis van planregel 11.2.1 geldt als hoofdregel dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn op eigen terrein. In het bestemmingsplan is het begrip ‘eigen terrein’ niet nader gedefinieerd. Ook de toelichting van het bestemmingsplan biedt hierover geen duidelijkheid. De rechtbank sluit daarom aan bij het algemeen spraakgebruik. De rechtbank beschouwt een ‘eigen terrein’ als een terrein waarover de rechthebbende de exclusieve beschikking heeft. Met andere woorden, alleen de rechthebbende mag bepalen wie er mag komen of wie er mag parkeren. Het Schaarhuisplein is een plein voor het kerkgebouw waar iedereen mag komen en dat behoort tot de openbare weg. Weliswaar hoort het plein van oudsher bij het kerkgebouw, maar iedereen mag er parkeren, ook personen die de kerk niet bezoeken. De rechtbank beschouwt het Schaarhuisplein niet als ‘eigen terrein’ in de zin van planregel 11.2.1. Vergunninghoudster wil de bezoekers van het trampolinecentrum vooral op het Schaarhuisplein laten parkeren. Dat is in strijd met planregel 11.2.1. Verweerder kan wel afwijken van planregel 11.2.1, maar moet dan wel het toepassingskader in planregel 11.4.1 volgen. Dat is in de omgevingsvergunning en in het bestreden besluit niet gebeurd. De omgevingsvergunning heft de strijd met het bestemmingsplan niet volledig op. De motivering van het bestreden besluit berust op een verkeerde grondslag. Deze beroepsgrond slaagt dus.
7.1
Eisers zeggen ook dat verweerder en vergunninghoudster ten onrechte geen gebruik maken van een stuk grond dat wel op de projectlocatie ligt.
7.2
Verweerder heeft hiervoor de noodzaak niet ingezien omdat hij dacht dat het Schaarhuisplein voldoende parkeergelegenheid biedt.
7.3
Bij de kerk is een stukje grond beschikbaar. Op het eerste gezicht valt niet in te zien waarom hier niet zou kunnen worden geparkeerd, al is het veel te klein om te voorzien in de parkeerbehoefte van het trampolinecentrum. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder, als hij wil afwijken van voorschrift 11.4.1, eerst moet bekijken of parkeren op dit stukje grond mogelijk is. Als dit het geval is, ligt het voor de hand dat ook dit stukje grond wordt gebruikt en dat slechts ten behoeve van de resterende parkeerbehoefte wordt afgeweken van planregel 11.2.1. Hierbij zal verweerder wel de andere toepassingsvoorwaarde moeten onderzoeken, namelijk de eis dat de situering van de parkeerplaatsen het stedenbouwkundig beeld van de omgeving, de verkeersveiligheid en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig aantast. Dat heeft verweerder allemaal niet gedaan in de omgevingsvergunning en het bestreden besluit, dus deze beroepsgrond slaagt ook.
8.1
Eisers zeggen dat verweerder de parkeerbehoefte verkeerd heeft ingeschat. Verweerder is in de ruimtelijke motivatie afgegaan op een parkeernorm die hoort bij het gebruik als sporthal. Volgens eisers had verweerder moeten aansluiten bij de parkeernorm die hoort bij het gebruik als indoor speeltuin. Zij wijzen hierbij op de doelgroep van het trampolinecentrum (kinderen en niet altijd sporters), de formule (niet alleen sporten maar ook ontspanning en kinderfeestjes), het verzorgingsgebied (niet alleen lokaal maar een veel groter regionaal gebied). Ook de inschatting van de feitelijke parkeerdruk, het aantal begeleiders van kinderen en de duur van een verblijf zijn volgens eisers verkeerd ingeschat.
8.2
Volgens verweerder is terecht aangesloten bij de functie sporthal, gelet op de doelgroep, formule en het verzorgingsgebied. Volgens verweerder is het zeker geen indoor speeltuin omdat er een afspraakregime wordt gehanteerd waarbij bezoekers van tevoren een uur springtijd kunnen reserveren. Dat is in een indoor speeltuin anders, aldus verweerder.
8.3
In opdracht van vergunninghoudster heeft RA Infra een onderzoek uitgevoerd. Hierbij is ook de parkeerbehoefte ingeschat op basis van de Nota Parkeernormering 2016 van de gemeente Den Bosch (de Nota). In de bijbehorende stukken zijn de parkeerplaatsen in de omgeving in kaart gebracht en de parkeerdruk op verschillende momenten. Ook is gekeken naar de parkeerdruk bij andere vestigingen van vergunninghoudster.

8.4
Beide partijen sluiten aan bij parkeernormen in de Nota. In het bestemmingsplan wordt niet naar de Nota verwezen, maar desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat hij deze Nota altijd hanteert bij de beoordeling van de parkeerbehoefte. De rechtbank zal daarom ook van deze Nota uitgaan. In de Nota is de parkeerbehoefte bij een sporthal in dit gebied 2,65 parkeerplaats per 100 m² vloeroppervlakte. De parkeerbehoefte bij een indoor speeltuin is 4,4 parkeerplaats per 100 m². In de Nota staat geen parkeernorm voor een trampolinecentrum.
8.5
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft onderbouwd waarom is aangesloten bij de functie sporthal. Er zijn nogal wat verschillen tussen het trampolinecentrum en een sporthal. Eisers hebben terecht opgemerkt dat het verzorgingsgebied groter is (met als gevolg dat waarschijnlijk meer mensen met de auto gaan komen). Ook de doelgroep is anders. Gelet op de website lijkt vergunninghoudster vooral kinderen als doelgroep te hebben en in een sporthal komen normaliter mensen van alle leeftijden. Op dezelfde website is ook te zien dat er niet alleen wordt gesprongen in de trampolinecentra, maar dat er volledig verzorgde kinderfeestjes als arrangement worden aangeboden. Ook dat zie je niet in de gemiddelde sporthal. De rechtbank is nagegaan welke parkeernormen in andere uitspraken worden gebruikt. In de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 november 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:5030) vond de rechtbank dat de betreffende gemeente heeft kunnen aansluiten bij de parkeernorm voor een indoor speeltuin (van 4,7 parkeerplaats per 100 m²). De rechtbank Limburg vond in de uitspraak van 2 oktober 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:9249), dat de betreffende gemeente heeft kunnen middelen tussen de parkeernorm van een sporthal en een indoor speeltuin. Deze twee uitspraken bevestigen deze rechtbank in het oordeel dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen aansluiten bij de parkeernorm van een sporthal.
9.1
Eisers hebben ook gesteld dat de parkeerbehoefte niet kan worden opgevangen door de omgeving gelet op het aantal parkeerplaatsen op het Schaarhuisplein en in de omgeving (ze hebben kritiek op de uitgevoerde parkeermetingen). Zij vrezen ook dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt en merken in dit verband op dat de verkeersveiligheidsonderzoeken uitgaan van de verkeerde hoeveelheid verkeersbewegingen.
9.2
De rechtbank stelt vast dat verweerder zich ten aanzien van de risico’s voor de verkeersveiligheid en mogelijke parkeeroverlast in de wijk heeft laten leiden door een aantal bezoekers gekoppeld aan een sporthal. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft onderbouwd dat er voldoende parkeergelegenheid is op het Schaarhuisplein en in de omliggende straten en dat de verkeersafwikkeling voldoende veilig is gelet op de hoeveelheid bezoekers (en auto’s) die van en naar het trampolinecentrum zullen gaan. In reactie op enkele specifieke beroepsgronden van eisers, overweegt de rechtbank nog wel het volgende.
9.3
RA Infra is uitgegaan van een afstand van 100 meter als acceptabele afstand tussen een parkeerplaats voor een bezoeker en het trampolinecentrum. Deze afstand heeft verweerder acceptabel kunnen achten, want deze afstand wordt vaker gehanteerd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd om hier anders over te moeten denken. Ook kleine kinderen mogen in staat worden geacht om 100 meter te lopen, zelfs na het springen. De rechtbank acht het ook acceptabel dat is volstaan met verkeerstellingen op zaterdag en niet ook op zondag. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er op zondag veel meer in de wijk wordt geparkeerd en dat er veel minder parkeerplaatsen aanwezig zijn, ondanks de omstandigheid dat veel mensen thuis zijn op zondag en de aanwezigheid van het wijkgebouw in het Nico Schuurmanshuis vlakbij.

9.4
Eisers denken dat er geen 40 parkeerplaatsen kunnen worden ingericht op het Schaarhuisplein vanwege aanwezige obstakels (rotsblokken en speelvoorzieningen). Normaliter wordt een parkeerplan met maatvoering in overeenstemming met de Nota wordt overgelegd op basis waarvan de rechtbank kan controleren of alle parkeerplaatsen kunnen worden ingericht en kunnen worden bereikt. Dat kan de rechtbank niet op basis van het door verweerder overgelegde parkeerplan. Het besluit is op dit onderdeel niet inzichtelijk
9.5
De rechtbank is niet gebleken dat RA Infra is uitgegaan van een verkeerd beeld van de omliggende straten bij haar inschatting van de verkeersveiligheid. Het is echter onduidelijk of bij een grotere hoeveelheid auto’s dezelfde conclusie kan worden getrokken op basis van dit onderzoek. Verweerder had het bestreden besluit dan ook niet op dit onderzoek mogen baseren.
Horeca

10.1
Eisers leiden uit de stukken af dat verweerder ook een (ondergeschikte) horecafunctie in het trampolinecentrum wil vergunnen. Volgens eisers is iedere vorm van horeca, ook in een ondergeschikte vorm, in strijd met de geldende bestemming “Maatschappelijk”. Eisers wijzen op de bestemming “Gemengd” waarin (ondergeschikte) horeca wel uitdrukkelijk wordt toegestaan. Het is onduidelijk of verweerder op dit punt van het bestemmingsplan kan of wil afwijken.
10.2
In het bestreden besluit heeft de bezwaarschriftencommissie een omschrijving gegeven van het beoogde gebruik en hierbij aangegeven dat ook ondersteunende horeca is toegestaan.
10.3
De rechtbank is van oordeel dat horecavoorzieningen (die voor iedereen beschikbaar zijn) in strijd zijn met de bestemming “Maatschappelijk”. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de bestemming “Gemengd” wel uitdrukkelijk ‘Horeca’ is toegestaan. De rechtbank vindt dat in de omgevingsvergunning en het bestreden besluit niet duidelijk is aangegeven of horeca wordt toegestaan. De rechtbank houdt het ervoor dat verweerder ondersteunende horeca heeft willen toestaan, nu hij het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft overgenomen. Alleen is het onduidelijk wat ondersteunende horeca is. Het is ook niet duidelijk of het schenken van alcoholhoudende dranken is te beschouwen als ondersteunende horeca en of verweerder dit heeft willen toestaan of juist niet. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. Daarom kan ook de overlast vanwege het trampolinecentrum niet goed worden ingeschat.
Geluidsoverlast

11.1
Eisers vrezen geluidsoverlast vanwege het trampolinecentrum, met name overlast vanwege komende en vertrekkende bezoekers. In het geluidsonderzoek van Tritium is alleen getoetst aan het Activiteitenbesluit, maar is het stemgeluid van bezoekers, net als dichtslaande portieren, ten onrechte achterwege gelaten. Ook had Tritium volgens eisers het (elektronisch versterkte) muziekgeluid en stemgeluid in de kerk mee moeten nemen, mede omdat niet zeker is of de muziekgeluidsniveaus beperkt blijven tot 70-75 dB(A).
11.2
Verweerder heeft het stemgeluid van de bezoekers buiten beschouwing gelaten, omdat dit is toegestaan op basis van het Activiteitenbesluit. Verweerder stelt dat de muziekgeluidsniveaus binnen het gebouw beperkt blijven tot 70-75 dB(A) en dat bij een meting is gebleken dat dan ook wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit.
11.3
Volgens de rechtbank is het standpunt van verweerder over het stemgeluid onjuist. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2318) moet bij de beoordeling van de gevolgen van het afwijken van het bestemmingsplan voor het woon- en leefklimaat in de omgeving het stemgeluid wel worden meegenomen. Het voldoen aan de geldende geluidsnormen (hier: van het Activiteitenbesluit) leidt er niet zonder meer toe dat ook sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Overigens lijkt in het geluidsrapport van Tritium wel het gebruik van het parkeerterrein (en het geluid van dichtslaande portieren) voor de kerk te zijn meegenomen. De rechtbank acht verder aannemelijk dat bij muziekgeluidsniveaus beperkt tot 70-75 dB(A) kan worden voldaan aan het Activiteitenbesluit. Er is geen noodzaak om deze geluidnorm vast te leggen in de omgevingsvergunning omdat het trampolinecentrum hoe dan ook moet voldoen aan het Activiteitenbesluit. Met andere woorden, als de muziek harder wordt gezet, dan riskeert vergunninghoudster een overtreding van het Activiteitenbesluit en handhavend optreden omdat niet duidelijk is dat bij hardere muziek ook aan het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Het bestreden besluit is wat betreft het meenemen van stemgeluid bij de beoordeling van de gevolgen van het woon- en leefklimaat onvoldoende voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.
Verkeer en natuur

12.1
Eisers denken dat de bedrijfsvoering van een trampolinecentrum leidt tot een sterke toename van het aantal verkeersbewegingen en daarmee tot een toename van de uitstoot van stikstof, wat effecten kan hebben op een aantal Natura 2000-gebieden (Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek), en ook op het natuurgebied De Heinis.
12.2
De door eisers genoemde Natura 2000-gebieden liggen op ruime afstand van de woningen van eisers en behoren niet tot de directe leefomgeving van eisers. Eisers doen een beroep op hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming maar de normen in dit hoofdstuk zijn er om de Natura 2000-gebieden te beschermen. Deze zijn er niet om de belangen van eisers te beschermen. In artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op basis van een rechtsregel (of rechtsbeginsel) die niet is bedoeld om de belangen te beschermen van degene die zich er op beroept. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding deze beroepsgrond inhoudelijk te bespreken.
13. Zoals hiervoor is overwogen hebben de bestreden besluiten meerdere gebreken. Gelet op de omstandigheid dat verweerder de omgevingsvergunning heeft ingetrokken, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder de gelegenheid te geven om deze gebreken te herstellen. Daarom zal de rechtbank de bestreden besluiten vernietigen. Verweerder heeft de omgevingsvergunning al ingetrokken. Eisers hebben daarom op dit moment geen belang meer bij een nieuwe beslissing op hun bezwaren. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaren wegens gebrek aan belang. De rechtbank zal bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van de besluiten die worden vernietigd.
14. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres [eiseres] het door haar in de zaak SHE 18/2682 betaalde griffierecht vergoedt. Bij alle andere eisers is geen griffierecht geheven. De rechtbank is niet gebleken dat eisers proceskosten hebben gehad die voor vergoeding in aanmerking komen.
Hoe verder?

beslissing

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten;  verklaart de bezwaren van eisers tegen de inmiddels ingetrokken omgevingsvergunning niet-ontvankelijk; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,00 aan eiseres [eiseres] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. R. Grimbergen, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 januari 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage 1

Overzicht eiser(s) met zaaksnummers

[overzicht eiser(s) met zaaknummers]

Bijlage 2

a. de noodzakelijke parkeervoorzieningen op eigen terrein in onvoldoende mate kunnen worden gerealiseerd en op andere wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien;b. de situering van de parkeerplaatsen het stedenbouwkundig beeld van de omgeving, de verkeersveiligheid en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig aantast.
Regelgeving

Planvoorschrift 11.2.1

Parkeervoorzieningen dienen in voldoende mate op eigen terrein te worden gerealiseerd.
Planvoorschrift 11.4.1

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 11.2.1, mits:
Artikel 8:69a Awb.

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.