Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2020:1737

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 25-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2020:1737, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/01/341703 / HA ZA 18-857


Bron: Rechtspraak

center
100
1405a162-48c6-4909-90c4-bde5fcb71a77
2
13
image/png

center
100
cc49060e-7645-4763-a5dd-7f9cd760812b
2
523
image/png


RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel RechtZittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/341703 / HA ZA 18-857

Vonnis van 25 maart 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN

zetelend te Den Haag,eiser,advocaat mr. G.C. Nieuwland te 's-Gravenhage,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] , [land] ,gedaagde,advocaat mr. G.C.L. van de Corput te Breda.
Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagde] worden genoemd.

ECLI:NL:RBOBR:2020:1737:DOC
nl

center
100
1405a162-48c6-4909-90c4-bde5fcb71a77
2
13
image/png

center
100
cc49060e-7645-4763-a5dd-7f9cd760812b
2
523
image/png


RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel RechtZittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/341703 / HA ZA 18-857

Vonnis van 25 maart 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN

zetelend te Den Haag,eiser,advocaat mr. G.C. Nieuwland te 's-Gravenhage,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] , [land] ,gedaagde,advocaat mr. G.C.L. van de Corput te Breda.
Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagde] worden genoemd.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

het tussenvonnis van 7 augustus 2019

het proces-verbaal van comparitie van 6 februari 2020.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
Op 24 maart 2002 zijn bij een inbraak vijf schilderijen gestolen uit het Frans Hals Museum te Haarlem. Deze schilderijen behoren tot het Nederlands Cultureel Erfgoed.
2.2.
In 2007 is de politie de schilderijen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek op het spoor gekomen en bleek dat de schilderijen te koop aangeboden werden. Om de schilderijen terug te krijgen heeft het openbaar ministerie besloten om gebruik te maken van de zogenaamde ‘pseudokoop’ en hiervoor een infiltrant ingezet. Deze infiltrant heeft met de verdachten afgesproken dat de vijf schilderijen voor een bedrag van € 1.500.000,- zouden worden gekocht. Dit bedrag is door het ministerie van Justitie in contanten aan het openbaar ministerie ter beschikking gesteld.
2.3.
Op 12 september 2008 hebben in het kader van deze pseudokoop twee transacties plaatsgevonden in Boxtel. In beide transacties is € 500.000,- betaald voor twee schilderijen. In totaal is voor vier schilderijen dus € 1.000.000,- betaald. Voor het laatste schilderij is niets betaald omdat de verdachten zijn opgepakt voordat de koopsom was overgedragen.
2.4.
Bij de pseudokoop waren – naast de infiltrant – in ieder geval de volgende personen betrokken: [A] (hierna: [A] ), [B] (hierna: [B] ), [C] (hierna: [C] ), [D] (hierna: [D] ), [E] (hierna: [E] ) en [gedaagde] . Deze personen speelden allemaal een verschillende rol.
2.5.
De schilderijen werden door [C] als een soort tussenpersoon te koop aangeboden waarbij [A] als bezitter van de schilderijen werd gepresenteerd.
2.6.
Bij de eerste transactie zijn de twee schilderijen ook door [C] geleverd en is het geld aan hem afgegeven. Hij heeft dit geld vervolgens afgegeven aan [E] die het geld op zijn beurt weer naar [B] heeft gebracht.
2.7.
Bij de tweede transactie zijn de schilderijen door [D] bezorgd, maar is het geld wederom aan [C] afgegeven. [C] heeft dit geld vervolgens weer aan [D] gegeven die het geld op zijn beurt naar [B] heeft gebracht.
2.8.
Op 13 september 2008 zou de derde transactie plaatsvinden, maar in plaats daarvan zijn [C] , [B] en [A] aangehouden. Op diezelfde dag hebben ook doorzoekingen plaatsgevonden in de woningen van [A en B] . Hierbij is in de woning van [A] een bedrag van € 100.000,- gevonden. Dit bedrag was afkomstig van de eerste transactie. In de woning van [B] is een bedrag van € 95.500,- gevonden. Dit bedrag was afkomstig van de tweede transactie.
2.9.
[gedaagde] is destijds ook als verdachte aangemerkt. In dat kader heeft op 1 oktober 2008 een doorzoeking van zijn woning plaatsgevonden, maar daarbij is geen geld van de pseudokoop aangetroffen. Later is gebleken dat de schilderijen van hem afkomstig waren en voorafgaand aan de overdracht bij hem thuis in [land] zijn opgehaald.
2.10.
De schilderijen zijn door het openbaar ministerie teruggegeven aan het Frans Hals Museum.
2.11.
[C] , [A] , [B] en [gedaagde] zijn strafrechtelijk vervolgd voor hun betrokkenheid bij heling van de schilderijen en witwassen.
2.12.
[C] , [A] en [B] zijn veroordeeld voor (onder meer) heling van de schilderijen en witwassen.
2.13.
[gedaagde] is (onherroepelijk) vrijgesproken. De rechtbank heeft over de vrijspraak het volgende geoordeeld: “.”
2.14.
Na de veroordeling van [A] en [B] is het openbaar ministerie een ontnemingszaak tegen hen gestart. In het kader van deze procedure heeft [B] op 22 januari 2014 een verklaring afgelegd over de bestemming van de koopsom. Hij verklaart hierin onder andere het volgende:“
(…)

Bij de eerste transactie heb ik 400.000 euro afgegeven. Ik heb 100.000 euro voor mijzelf gehouden. Dat was ook de afspraak. Ik heb toen twee nieuwe schilderijen meegekregen voor de volgende transactie. Bij de tweede transactie heb ik eveneens 400.000 euro afgegeven die bij mij zijn opgehaald. Ook toen heb ik 100.000 euro voor mijzelf gehouden, zoals afgesproken.

(…)

Ik heb geen bewijs voor afgifte.

(…)

Het klopt dat er 800.000 euro in twee transacties naar [gedaagde] is gegaan.”

2.15.
Ook [gedaagde] heeft in het kader van de ontnemingsprocedure een verklaring afgelegd. Op 20 september 2016 heeft hij onder andere het volgende verklaard: “
(...)

In de middag van 12 september 2008 is [B] (toevoeging rechtbank: [B] ) naar mij toegekomen (…). Hij heeft in die middag dus ook een etui achtergelaten met hierin naar wat ik later heb gezien een bedrag van 500.000 euro. De volgende dag zaterdag 13 september ben ik naar het huis van [B] en [A] gereden. Ik werd toen binnengelaten en in de woning hebben wij gesproken over de verkoop van de schilderijen. Ik heb toen een bedrag van 200.000 euro uitgeteld en dit aan de beiden [A en B] overhandigd. (…) Dit was dus een bedrag van 200.000 euro. Ik heb zelf dus een bedrag overgehouden van 350.000 euro.”

(…)U vraagt mij waar ik die schilderijen heb bewaard. Ik kan u zeggen dat de vijf schilderijen in een kofferbak lagen van een auto die in [land] stond. Deze auto stond vlakbij mij om de hoek. Bij de uitwisseling van de schilderijen heb ik aan [B] gevraagd of ik zijn auto mocht gebruiken, waarna ik met zijn auto naar die bewuste auto ben gereden, waar die schilderijen in zaten. De eerste overdracht van de schilderijen heeft plaatsgevonden op vrijdag 12 september 2008 in de ochtend. De tweede overdracht van twee schilderijen in de middag van 12 september 2008. En het laatste schilderij heb ik op zaterdag 13 september 2008 aan [B] overgedragen. Na de verdeling van het geld op die zaterdag is [B] naar mij toegekomen in [land] en heb ik weer zijn auto meegenomen om het laatste schilderij hierin te plaatsen, waarna [B] met het laatste schilderij vertrok.
(…)

U vraagt mij hoe ik aan die schilderijen ben gekomen. Ik kan hier op zeggen dat een overleden vriend van mij, [F] , deze schilderijen bij mij in beheer heeft gegeven.

Zijn vrouw wist niets van deze schilderijen. Ik heb toen maar ook later niemand hoeven te

betalen voor deze schilderijen. Ik heb deze schilderijen tussen 2001 en 2004 van [F] in

beheer gekregen en hijzelf is in 2004 overleden.”

2.16.
In de ontnemingszaak tegen [A en B] heeft het Hof aan zowel [A] als [B] een ontnemingsmaatregel van € 100.000,- opgelegd.
3

3.1.
De Staat vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot primair betaling van € 800.000,- en subsidiair betaling van € 350.000,- beide te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

Toepasselijk recht
4.1.
[gedaagde] is woonachtig in [land] zodat de zaak internationale aspecten heeft. In het vonnis in incident van 24 juli 2019 is al geoordeeld dat de rechtbank bevoegd is. De vervolgvraag is welk recht op het geschil van toepassing is. Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat de Staat zijn vordering primair baseert op onrechtmatige daad en dat de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvond op 12 september 2008. Dit betekent dat de verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen in dit geval niet van toepassing is. Deze verordening is namelijk pas op 11 januari 2009 in werking getreden.
4.2.
Voor zover de Staat zijn vordering baseert op onrechtmatige daad, moet voor de vraag welk recht in dit geval van toepassing is, daarom worden gekeken naar de op 12 september 2008 geldende Wet conflictenrecht onrechtmatige daad. Op grond van artikel 3 lid 1 van deze wet worden verbintenissen uit onrechtmatige daad beheerst door het recht van de Staat op welk grondgebied de daad plaatsvindt. Zoals in het vonnis in incident al is overwogen, heeft de onrechtmatige daad zich in dit geval in Nederland voorgedaan. De diefstal vond plaats in Haarlem en de levering van de gestolen schilderijen in Boxtel. Daarbij is de onrechtmatige daad niet beperkt tot het enkele handelen van [gedaagde] in [land] . Ook wordt de schade in Nederland geleden. De onrechtmatige daad heeft zich dus in Nederland voorgedaan, zodat het Nederlandse recht in dit geval van toepassing is.
Verjaring

4.3.
Als meest verstrekkende verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat de vordering is verjaard. Dit verweer zal daarom als eerste worden behandeld. [gedaagde] stelt hierover dat op grond van artikel 3:310 lid 1 BW sprake is van een verjaringstermijn van vijf jaar nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens [gedaagde] bestond bij de Staat op 13 september 2008 al het vermoeden dat [gedaagde] bij de transactie betrokken was en is daarom de verjaringstermijn op dat moment gaan lopen. Dit betekent dat de vordering op 13 september 2013 is verjaard.
4.4.
De Staat stelt hierover dat de vordering niet is verjaard. De Staat wijst daarbij op artikel 3:310 lid 4 BW waarin is bepaald dat wanneer de gebeurtenis die de schade heeft veroorzaakt een strafbaar feit oplevert, een schadevergoedingsvordering tegen de persoon die dat feit heeft begaan, niet verjaart zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen. Het handelen van [gedaagde] waarop de Staat zijn vordering baseert, is een strafbaar feit, namelijk (betrokkenheid bij) opzetheling en/of witwassen. Het recht tot strafvordering voor die feiten verjaart op grond van artikel 70 lid 1 sub 3 jo. artikel 416 en 420bis Wetboek van Strafrecht (Sr) na twaalf jaar. De strafvorderlijke verjaringstermijn is aangevangen op 13 september 2008, zodat die verjaringstermijn pas verstrijkt op 13 september 2020. Dit betekent volgens de Staat dat voor die datum van verjaring van de schadevergoedingsvordering geen sprake kan zijn.
4.5.
In reactie hierop heeft [gedaagde] aangegeven dat de strafvorderlijke verjaringstermijn gaat lopen op de pleegdatum. Als je uitgaat van 2002, dan heb je volgens [gedaagde] tot uiterlijk 2014 om de civielrechtelijke verjaringstermijn te voltooien. Daarnaast kon hij na zijn vrijspraak niet (nog) een keer vervolgd worden, zodat het recht hierop ook niet kon verjaren.

4.6.
In dit geval wordt door [gedaagde] niet betwist dat het handelen waarvoor de Staat hem aansprakelijk stelt strafbare feiten in de vorm van opzetheling en witwassen oplevert. Dit betekent dat op de vraag of de vordering is verjaard artikel 3:310 lid 4 BW van toepassing is. Het vierde lid van dit artikel is pas op 1 april 2013 in werking getreden, maar kreeg toen onmiddellijk werking. Dit betekent dat het ook van toepassing is op strafbare feiten die voor de inwerkingtreding zijn begaan. Hierbij is in het overgangsrecht een uitzondering opgenomen voor de situatie waarin een vordering onder het toen geldende regime al was verjaard, maar die situatie doet zich hier niet voor. Ook volgens de stellingen van [gedaagde] zelf was de vordering op 1 april 2013 namelijk nog niet verjaard. Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat het vierde lid van artikel 3:310 BW in dit geval niet van toepassing is omdat hij is vrijgesproken, gaat deze stelling niet op. Uit de wetgeschiedenis over dit artikel blijkt expliciet dat het ook van toepassing is als iemand in de strafrechtprocedure is vrijgesproken (Kamerstukken II 2010/11, 32 853, nr. 3 p. 5-6).
4.7.
Nu artikel 3:310 lid 4 BW in dit geval van toepassing is, verjaart de civielrechtelijke vordering van de Staat niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen. Tussen partijen is niet in geschil dat het handelen waarvoor [gedaagde] aansprakelijk wordt gesteld, opzetheling en witwassen oplevert. Op grond van artikel 70 lid 1 sub 3 jo. artikel 416 Sr en 420bis Sr bedraagt de strafrechtelijke verjaringstermijn voor opzetheling en witwassen twaalf jaar. De verjaringstermijn gaat daarbij op grond van artikel 71 Sr lopen op de dag na die waarop de feiten gepleegd. [gedaagde] heeft deze strafbare feiten voor de laatste keer op 12 en 13 september 2008 gepleegd. De verjaringstermijn verstrijkt daarom pas op 13 september 2020 zodat de vordering niet is verjaard.
Strijd met redelijkheid en billijkheid: rechtsverwerking

4.8.
[gedaagde] heeft daarnaast als verweer gevoerd dat sprake is van rechtsverwerking. De vordering van de Staat is alleen gebaseerd op de door [gedaagde] zelf in 2016 afgelegde verklaring. Voor het afleggen van deze verklaring is door de raadsheer-commissaris echter tegen hem gezegd dat hij zich niet kon beroepen op zijn zwijgrecht en heeft de advocaat-generaal in aanvulling daarop aangegeven dat hij voor heling van de schilderijen niet nogmaals vervolgd kon worden. Hierdoor is bij [gedaagde] het vertrouwen gewekt dat hij voor deze gebeurtenis niet meer op grond van onrechtmatige daad zou worden aangesproken. Hierbij is volgens [gedaagde] ook meer gezegd dan in het proces-verbaal staat, bijvoorbeeld dat hij ook niet bang hoefde te zijn voor de fiscus. Hij is hierdoor in de waan gebracht dat hij vrijuit kon verklaren. Als de Staat hem nu alsnog kan aanspreken op grond van onrechtmatige daad, dan zou hij hiermee onredelijk worden benadeeld wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De Staat heeft daarom zijn recht verwerkt om [gedaagde] nu alsnog op grond van onrechtmatige daad aan te spreken voor de door hem geleden schade.
4.9.
De Staat heeft hierover gesteld dat van rechtsverwerking geen sprake is. Volgens de Staat zou het juist onaanvaardbaar zijn als [gedaagde] de van de Staat afkomstige pseudokoopsom gewoon zou mogen houden en zo niet alleen strafrechtelijk, maar ook civielrechtelijk de dans zou ontspringen. Daarnaast mocht [gedaagde] uit de verklaringen van de raadsheer-commissaris en de advocaat-generaal enkel afleiden dat hij niet nog een keer strafrechtelijk vervolgd zou worden en niet dat ook geen civielrechtelijke aanspraak zou volgen. Uit het proces-verbaal blijkt ook dat alleen is gesproken over de mogelijkheden van strafrechtelijke vervolging. Over eventuele fiscale gevolgen is het niet gegaan, dit blijkt althans niet uit het proces-verbaal. [gedaagde] heeft zijn handtekening onder het proces-verbaal gezet, zodat er vanuit moet worden gegaan dat het klopt wat daar in staat.
4.10.
Op grond van artikel 6:2 BW zijn schuldeiser en schuldenaar verplicht zich tegenover elkaar overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen. Gelet op het tweede lid van dit artikel kan van rechtsverwerking sprake zijn als een rechthebbende zich zodanig heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar zou zijn als hij alsnog aanspraak zou maken op zijn recht. Om rechtsverwerking aan te nemen moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd het vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk benadeeld zou worden als het recht alsnog geldend zou worden gemaakt.
4.11.
In dit geval staat vast dat aan [gedaagde] tijdens het getuigenverhoor is toegezegd dat hij voor de heling en het witwassen van de schilderijen niet nogmaals strafrechtelijk kon worden vervolgd. Deze toezegging zag echter alleen op de strafrechtelijke vervolging, zodat [gedaagde] hieraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij ook civielrechtelijk niet zou worden aangesproken voor eventuele schade als gevolg van heling en/of witwassen. Voor zover [gedaagde] in dit kader heeft aangevoerd dat door de rechter-commissaris en de advocaat-generaal meer toezeggingen zijn gedaan dan uit het proces-verbaal blijkt, is dit door de Staat betwist. De Staat heeft er daarbij op gewezen dat [gedaagde] het proces-verbaal heeft ondertekend, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van de Staat had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. Hij heeft bijvoorbeeld niet concreet gemaakt wat precies door welke persoon zou zijn gezegd. Nu hij dit niet heeft gedaan, komt de rechtbank op dit punt niet aan een bewijsopdracht toe.Gelet op het voorgaande waren er voor [gedaagde] dus geen omstandigheden waardoor hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de Staat geen aanspraak meer zou maken op de nu ingestelde vordering. Het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking slaagt daarom niet.
Onrechtmatige daad

4.12.
Nu van verjaring geen sprake is en het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking niet slaagt, moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde] tegenover de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en in hoeverre hij daarvoor aansprakelijk is. De Staat heeft in dit kader aangevoerd dat [gedaagde] in de strafrechtprocedure weliswaar is vrijgesproken, maar dat in de ontnemingsprocedure alsnog aan het licht is gekomen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (betrokkenheid bij) heling van de schilderijen en witwassen van (een deel van) de koopsom. Dit betekent dat hij gehandeld heeft in strijd met de wettelijke plicht van artikel 416 en 420bis Sr. De Staat heeft als gevolg van dit onrechtmatig handelen € 800.000,- schade geleden, bestaande uit het deel van de pseudokoopsom dat de Staat niet heeft teruggekregen. Ook als [gedaagde] wellicht aan de transactie een lager bedrag heeft overgehouden, is hij op grond van artikel 6:102 BW aansprakelijk voor de volledige schade.
4.13.
[gedaagde] heeft de onrechtmatigheid van zijn handelen niet betwist, maar betwist wel de hoogte van de schade. Zo was volgens hem sprake van gemarkeerde biljetten zodat deze in het betalingsverkeer niets waard waren en staat volgens hem niet vast dat het restant van de koopsom volledig bij [gedaagde] terecht is gekomen. Verder waren de schilderijen volgens [gedaagde] meer waard dan het door de Staat betaalde bedrag, zodat het Frans Hals Museum mogelijk ook nog een bedrag voor de schilderijen heeft betaald.
4.14.
De Staat heeft in reactie hierop aangegeven dat de pseudokoopsom uit de staatskas is betaald en dat het Frans Hals Museum geen vergoeding voor de schilderijen heeft betaald.
4.15.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd, zodat daar verder van uit kan worden gegaan. Nu [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, zal hij de schade moeten vergoeden die de Staat daardoor heeft geleden. Bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding, moet worden gekeken welke schade de Staat als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft geleden. Daarbij is – anders dan bij ongerechtvaardigde verrijking – niet relevant welk voordeel [gedaagde] van zijn daad heeft gehad. Dat de biljetten minder waard waren of dat niet het volledige bedrag bij [gedaagde] terecht is gekomen, is voor de vraag welke schade hij aan de Staat moet vergoeden daarom niet relevant. [gedaagde] heeft niet betwist dat de Staat een bedrag van € 800.000,- van de pseudokoopsom niet heeft teruggekregen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit de schade is die de Staat heeft geleden. Deze schade is bovendien (mede) het gevolg van het handelen van [gedaagde] . Als [gedaagde] de schilderijen niet had laten verkopen, dan had de Staat de schade niet geleden. Dit betekent dat [gedaagde] voor deze schade aansprakelijk is.
4.16.
Voor zover [gedaagde] nog heeft aangevoerd dat er ook andere partijen betrokken waren bij de heling en het witwassen, maakt dat het voorgaande niet anders. In dit geval is sprake van een situatie waarbij meerdere daders aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, in die zin dat voor meerdere daders geldt dat de schade zonder hun handelen niet zou zijn geleden. In die situatie zijn al deze daders op grond van artikel 6:102 lid 1 BW tegenover de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de volledige schade, waarbij zij onderling eventueel verhaal op elkaar kunnen halen.
4.17.
Dit alles betekent dat [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade van € 800.000,- die de Staat als gevolg hiervan heeft geleden. De vordering van de Staat kan daarom in zoverre worden toegewezen.
Ongerechtvaardigde verrijking

4.18.
Nu de primaire vordering op grond van onrechtmatige daad kan worden toegewezen, hoeft de subsidiaire vordering uit ongerechtvaardigde verrijking verder niet te worden behandeld.
Wettelijke rente

4.19.
De Staat heeft verder nog wettelijke rente gevorderd vanaf 13 september 2008. Deze vordering is door [gedaagde] niet betwist, zodat ook deze kan worden toegewezen.
Proceskosten

4.20.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:- dagvaarding € 98,01- overige explootkosten 0,00- griffierecht 3.946,00- getuigenkosten 0,00- deskundigen 0,00- overige kosten 0,00- salaris advocaat (2,0 punten × tarief € 3.099,00)Totaal € 10.242,01
beslissing

5

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Staat te betalen een bedrag van € 800.000,- , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 13 september 2008 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 10.242,01, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Hutten, mr. H.T.J.F. Verhappen en mr. G.M. Blanken en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2020.