Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2020:1637

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 19-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 23-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2020:1637, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/997505-16


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBOBR:2020:1637:DOC
nl

center
100
a4e074f2-8158-4342-9caa-4b19d7743c28
16
550
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: 01/997505-16 [verdachte]Strafrecht
Parketnummer: 01/997505-16Datum uitspraak: 23 maart 2020
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te Delft op [1945] ,wonende te [postcode] , [straatnaam 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 maart 2020.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 januari 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. [naam bedrijf] , verder te noemen 'de B.V.', op of omstreeks 1 januari 2014, althans op enig tijdstip in of omstreeks de maand januari 2014 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van de B.V. over het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2013 (DOC-009 9/22) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de B.V. toen aldaar opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende en/of ingeleverde aangifte omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en/of een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting, althans een onjuist bedrag aan omzetbelasting opgegeven of vermeld, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 AWR jo art. 51 WvS)

2. [stichting 1] , verder te noemen 'de Stichting', op vier, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 september 2014, althans in of omstreeks de periode vanaf de maand(en) januari 2014 tot en met september 2014 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van de Stichting over de/het aangiftetijdvak(ken) 4e kwartaal 2013 (DOC-008 13/29) en/of 2e kwartaal 2014 (DOC-008 15/29) en/of 3e kwartaal 2014 (DOC-008 16/29) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de Stichting toen aldaar (telkens) opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende en/of ingeleverde aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan te betalen omzetbelasting en/of (een) te ho(o)g(e) bedrag(en) aan terug te vragen omzetbelasting, althans (een) onjuist(e) bedrag(en) aan omzetbelasting opgegeven of vermeld, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 AWR jo art. 51 WvS)

3. [stichting 2] , verder te noemen 'de Stichting', op drie, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 september 2014, althans in of omstreeks de periode vanaf de maand(en) januari 2014 tot en met september 2014 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van de Stichting over de/het aangiftetijdvak(ken) 4e kwartaal 2013 (DOC-011 8/24) en/of 1e kwartaal 2014 (DOC-011 9/24) en/of 3e kwartaal 2014 (DOC-011 11/24) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de Stichting toen aldaar (telkens) opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende en/of ingeleverde aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan te betalen omzetbelasting en/of (een) te ho(o)g(e) bedrag(en) aan terug te vragen omzetbelasting, althans (een) onjuist(e) bedrag(en) aan omzetbelasting opgegeven of vermeld, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 AWR jo art. 51 WvS)

4. [stichting 3] , verder te noemen 'de Stichting', op drie, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 juli 2014 tot en met 21 december 2015, althans in of omstreeks de periode vanaf de maand(en) juli 2014 tot en met december 2015 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van de Stichting over de/het aangiftetijdvak(ken) 2e kwartaal 2014 (DOC-010 9/23) en/of 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 (DOC-010 12-14/23) en/of 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2015 (DOC-078 5-7/7) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de Stichting toen aldaar (telkens) opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende en/of ingeleverde aangifte(n) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan te betalen omzetbelasting en/of (een) te ho(o)g(e) bedrag(en) aan terug te vragen omzetbelasting, althans (een) onjuist(e) bedrag(en) aan omzetbelasting opgegeven of vermeld, terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 AWR jo art. 51 WvS)

5. [stichting 4] , verder te noemen 'de Stichting', op of omstreeks 23 december 2014, althans op een tijdstip in of omstreeks de maand december 2014 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Apeldoorn en/of (elders) in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van de Stichting over het aangiftetijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 (DOC-007 9-11/11) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de Stichting toen aldaar opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende en/of ingeleverde aangifte omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en/of een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting, althans een onjuist bedrag aan omzetbelasting opgegeven of vermeld, terwijl die/dat feit(en) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 AWR jo art. 51 WvS)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het opzettelijk doen van een onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften door een rechtspersoon, waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.
Het standpunt van de verdediging.

De raadsman pleit voor vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten en stelt zich op het standpunt dat verdachte de aangiften omzetbelasting terecht en onderbouwd heeft gedaan. Verdachte vertrouwde erop dat zijn zakenrelatie [betrokkene] uit Italië de aangekochte onroerende goederen zou betalen, zodat de door verdachte te maken kosten voor werkzaamheden in zijn ogen reëel waren. De FIOD heeft deze stelling niet onderzocht en de verdediging is door de rechtbank niet in staat gesteld om deze stelling nader te onderbouwen.
Het oordeel van de rechtbank.

De gebezigde bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen in een bijlage opgenomen en uitgewerkt. Deze bijlage is aan dit vonnis gehecht en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
overwegingen

Overwegingen omtrent het bewijs.
Op grond van de (aangehechte) bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk doen van onjuiste en/of onvolledige aangiftes door respectievelijk de rechtspersonen [naam bedrijf] , [stichting 1] , [stichting 2] , [stichting 3] en [stichting 4] , met het oogmerk dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven. Door telkens te weinig af te dragen omzetbelasting aan te geven en/ of een te hoog bedrag aan omzetbelasting terug te vragen is de fiscus benadeeld.
Verdachte heeft verklaard dat hij zelf alle ten laste gelegde aangiften heeft gedaan, en dat hij dit steeds deed namens de betreffende rechtspersonen, waartoe hij beschikte over de daarvoor benodigde autorisaties waaronder inloggegevens van de belastingdienst. Dit is in overeenstemming met de gegevens hieromtrent in het dossier. De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte de tenlastegelegde aangiften onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en overweegt hierbij als volgt.Door de rechtspersonen werd (voor de omzetbelasting) het factuurstelsel gehanteerd. Bij voor de omzetbelasting belaste prestaties bestaat dan in beginsel recht op vooraftrek mits hieraan ten grondslag liggende stukken voorhanden zijn welke als facturen zijn te kwalificeren en die ten bewijze hiervan voorhanden zijn. Indien en voor zover er dergelijke facturen zijn dienen deze niet alleen formeel juist te zijn, maar dienen deze eveneens de materiele waarheid van zowel leverancier/ dienstverrichter als koper/ dienstafnemer en in die zin de feitelijke bedoeling van beide partijen te weerspiegelen. De aangiften die verdachte heeft gedaan voldoen niet aan de voorwaarden, omdat ze niet gebaseerd zijn op als facturen te kwalificeren stukken en/of gebaseerd zijn op facturen die niet de (materiële) waarheid weerspiegelen en daarom vals zijn. De rechtbank overweegt het volgende.
De aangiften genoemd onder feit 5 op de tenlastelegging zijn niet gebaseerd op facturen. Er zijn geen facturen, noch andere onderliggende stukken aangetroffen in de administratie van de [stichting 4] , noch heeft verdachte die op enig moment overgelegd. Daarenboven heeft verdachte verklaard in het geheel niet te weten op wat voor activiteiten de geclaimde vooraftrek betrekking had, terwijl in deze stichting geen andere personen waren betrokken dan alleen hij.

Voor zover de aangiften (deels) gebaseerd zijn op notarisafrekeningen, geldt dat een notarisafrekening als hier bedoeld geen factuur is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968. Een notarisafrekening kwalificeert voor de omzetbelasting alleen als factuur in combinatie met de leveringsakte, zoals is toegelicht in de verklaring van getuige [naam getuige] van de belastingdienst.

Voor zover er wel facturen ten grondslag lagen aan de ingediende aangiften, zoals facturen van aannemers, stelt de rechtbank vast dat die facturen voor wat betreft de rechtspersonen van verdachte als afnemers van de onderwerpelijke leveringen en/of diensten (meestal) reeds aanstonds de materiële werkelijkheid niet weerspiegelden en aldus vals zijn. Verdachte heeft onder het mom van op handen zijnde aankopen van onroerende zaken derden ertoe gebracht facturen op te maken voor in de toekomst te verrichten leveringen of diensten, wetende dat de aankopen van vorenbedoelde onroerende zaken niet door zouden gaan. De rechtbank baseert dit op het volgende. Verdachte heeft namens de verschillende rechtspersonen zeven (nieuwbouw)woningen gekocht in een tijdsbestek van slechts enkele maanden. Tot een daadwerkelijke levering van die woningen is het nooit gekomen wegens gebrek aan financiële middelen. Verdachte wist dat de financiële middelen van de rechtspersonen ontoereikend waren. Desondanks sloot hij namens deze rechtspersonen koop- en aanneemovereenkomsten, zonder hierbij enig voorbehoud van financiering te maken, of voldoende concrete en voor de verkopers achterhaalbare informatie daarover te verstrekken. Alle aangiften die strekten tot teruggave van omzetbelasting behelsden kosten die verband hielden met de aankoop en (ver)bouw van deze onroerende zaken. Verdachte verscheen niet op afspraken bij notarissen ten behoeve van de leveringen en berichtte de verkopers dat de koop niet kon doorgaan wegens onvoldoende financiële middelen. Dat laatste viel soms vrijwel samen met berichten aan de belastingdienst, inhoudende dat aankopen onomkeerbaar waren en dat er zonder meer recht op belastingteruggave was. De ontvangen belastingteruggaven werden vervolgens aangewend voor de betaling van kosten van de enige wel geslaagde transactie, namelijk de aankoop van de grond/woning en daarmee samenhangende kosten aan de [straatnaam 2] , waar verdachte en zijn vrouw zelf wilden gaan wonen.
Verdachte heeft nog aangevoerd dat hij, toen hij de negatieve aangiften omzetbelasting indiende, telkens weer in de veronderstelling verkeerde dat de aankopen zouden doorgaan en dat de facturen dus de veronderstelde materiële waarheid behelsden. Verdachte vertrouwde op betaling door een Belgisch vehikel dat onbekend wilde blijven. Nadere ondervragingen leverden op dat het zou gaan om een Italiaanse zakenman met de naam [betrokkene] , die ogenschijnlijk over een onuitputtelijke geldbron beschikte en verdachte had gevraagd om namens hem in Nederland in onroerende zaken te investeren. Deze zakenman hoefde niet te weten wat voor onroerende zaken het waren; het ging hem uitsluitend om het door verdachte ingeschatte te behalen rendement. Dit had verdachte naar eigen zeggen te danken aan zijn zakelijke relatie met deze [betrokkene] , die al vijftien jaar bestond, waarmee hij talloze keren in meerdere landen heeft samengewerkt en voor wie hij als intermediair heeft gefungeerd, en waarbinnen nog nooit een succesvolle transactie had plaatsgevonden. Behoudens een naam en een telefoonnummer beschikt verdachte niet over persoonsgegevens van deze [betrokkene] . Evenmin beschikt verdachte over enig schriftelijk stuk waaruit zou kunnen blijken van contacten tussen hem en deze [betrokkene] . Ook staat er niets op schrift over (de inhoud van) afspraken over investeringen, verdeling van opbrengsten, declaratie van kosten, en het lopen van eventuele aansprakelijkheidsrisico’s. Vaststaat wel dat er keer na keer geen geld beschikbaar kwam voor de aankoop van een onroerende zaak. Gelet op al deze omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat verdachte, die volgens eigen zeggen al dertig jaar een ervaren ondernemer is, wist dat er van een reële, betrouwbare financiële bron in het geheel geen sprake was en dat op basis van de voorhanden middelen daadwerkelijke leveringen redelijkerwijs waren uitgesloten en derhalve ook niet de feitelijke bedoeling kunnen zijn geweest. Verdachte wist – door desondanks uit te gaan van leveringen – wel degelijk dat hij onjuiste aangiften deed. De omstandigheid dat wel een levering had plaatsgevonden, zijnde de [straatnaam 2] , bestemd voor bewoning door verdachte zelf en zijn partner, doet aan het voorgaande niet af, nu deze onroerende zaak geheel was gefinancierd met aldus ten onrechte verkregen vooraftrekken. Het verweer dienaangaande wordt verworpen.

Het is overigens verdachte zelf die de uiterst dubieuze omstandigheden omtrent de Italiaanse geldschieter naar voren heeft gebracht en heeft bevestigd dat er geen enkele schriftelijke onderbouwing beschikbaar is van contacten of afspraken. De omstandigheid dat het verzoek tot het horen van [betrokkene] als getuige is afgewezen, kan daar niets aan afdoen.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat sprake is geweest van een modus operandi en/of een constructie, waarbij het nooit de bedoeling van verdachte is geweest om de goederen en/of diensten op de ingediende facturen daadwerkelijk te laten uitvoeren en/of leveren dan wel om deze te betalen. De constructie was enkel bedoeld om de BTW op die facturen terug te vragen van de belastingdienst voor eigen gewin. De rechtbank ziet zich gesterkt in dit standpunt vanwege het feit dat alle financiële middelen die zijn ontvangen van de belastingdienst via verschillende bankrekeningen uiteindelijk zijn ingezet om het perceel en de woning op de [straatnaam 2] te betalen, waar verdachte en zijn vrouw zouden gaan wonen. De rechtbank komt gelet op bovenstaande tot de conclusie dat de aangiftes onjuist zijn gedaan, namelijk zonder onderliggende en/ of op basis van valse facturen.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat aangiften onvolledig zijn gedaan in die zin dat ook naar aanleiding van verstrekte creditfacturen geen suppletieaangiften zijn gedaan. Een suppletieaangifte dient te worden ingediend zo snel mogelijk na ontdekking van een onjuistheid of creditering. Verdachte heeft dat nagelaten. De stelling van verdachte dat hij daarvoor vijf jaar de tijd had is onjuist.

Verdachte heeft de aangiften namens de rechtspersonen bewust, willens en wetens, ingediend als feitelijk leidinggevende. Hij beschikte naar eigen zeggen bovendien over kennis van zaken van de omzetbelasting, omdat hij dertig jaar ondernemer is geweest. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte de aangiften opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft ingediend namens de rechtspersonen en dat verdachte dat ook wist op het moment dat hij de aangiften deed.

Door de onjuiste en/of onvolledige aangiftes is telkens te weinig omzetbelasting betaald en/of te veel omzetbelasting teruggevraagd waardoor de fiscus is benadeeld.

De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat
1. [naam bedrijf] , verder te noemen 'de B.V.', op 1 januari 2014, in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van de B.V. over het aangiftetijdvak 4e kwartaal 2013 (DOC-009 9/22) onjuist heeft gedaan, immers heeft de B.V. toen aldaar opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangifte omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting opgegeven,terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
2. [stichting 1] , verder te noemen 'de Stichting', op drie tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 september 2014, in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van de Stichting over de aangiftetijdvakken 4e kwartaal 2013 (DOC-008 13/29) en 2e kwartaal 2014 (DOC-008 15/29) en 3e kwartaal 2014 (DOC-008 16/29) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de Stichting toen aldaar telkens opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangifte omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en/of een te hoog bedragen aan terug te vragen omzetbelasting opgegeven,terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
3. [stichting 2] , verder te noemen 'de Stichting', op drie tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 25 september 2014 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van de Stichting over de aangiftetijdvakken 4e kwartaal 2013 (DOC-011 8/24) en 1e kwartaal 2014 (DOC-011 9/24) en 3e kwartaal 2014 (DOC-011 11/24) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de Stichting toen aldaar telkens opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangifte omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken telkens een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en/of een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting opgegeven terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
4. [stichting 3] , verder te noemen 'de Stichting', op drie tijdstippen in de periode van 2 juli 2014 tot en met 21 december 2015 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van de Stichting over de aangiftetijdvakken 2e kwartaal 2014 (DOC-010 9/23) en 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 (DOC-010 12-14/23) en 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2015 (DOC-078 5-7/7) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de Stichting toen aldaar telkens opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangifte omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken telkens een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en/of een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

5. [stichting 4] , verder te noemen 'de Stichting', op 23 december 2014 in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting ten name van de Stichting over het aangiftetijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 (DOC-007 9-11/11) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft de Stichting toen aldaar opzettelijk op de bij de bevoegde Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingediende aangifte omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting en/of een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.

De raadsman pleit voor het opleggen van de maximale taakstraf van 240 uur en een lange voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast verzoekt de raadsman bij de strafoplegging rekening te houden met de ouderdom van de zaak, de leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat verdachte de zorg heeft voor zijn hulpbehoevende vrouw.
Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting. Deze hadden betrekking op aangekochte onroerende zaken op naam van rechtspersonen waarvan verdachte feitelijk bestuurder was. Verdachte heeft die aangiften gebaseerd op niet bestaande dan wel valse facturen. Verder wist verdachte dat de aankopen onroerende zaken nooit tot betaling en/of overdracht zouden leiden. Als gevolg daarvan hebben de rechtspersonen te weinig omzetbelasting betaald, dan wel te veel omzetbelasting terug ontvangen. Het totaal van de aangiften bedroeg meer dan €1.000.000, waarvan een bedrag van € 435.000 door de belastingdienst is uitbetaald. Verdachte heeft via een afzonderlijke rechtspersoon bovendien met de ontvangen bedragen van de fiscus een woning gefinancierd waar hij met zijn vrouw wilde gaan wonen en waarvoor hij zelf onvoldoende financiële middelen had, terwijl hij wist dat de andere – afgezien van belastingschulden verder lege – rechtspersonen de ontvangen bedragen weer zouden moeten terugbetalen. Hij heeft dus uitsluitend gehandeld voor persoonlijk gewin.
Verdachte moet, op basis van zijn jarenlange ervaring als ondernemer en de door hem zelf gestelde wetskennis, hebben geweten dat zijn handelen in strijd is met de wet. De rechtbank merkt op dat het niet de eerste keer is dat verdachte voor frauduleus handelen in aanraking is gekomen met justitie. Immers is verdachte in 1998, 1999 en 2004 veroordeeld voor verschillende valsheden en verduistering waarvoor (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen zijn opgelegd. Verder heeft verdachte in 2009 op soortgelijke wijze aangiften omzetbelasting gedaan waarbij teruggaven werden gestort op zijn privérekening en waaruit uiteindelijk naheffingsaanslagen van in totaal ruim €150.000 zijn voortgekomen, die kennelijk thans nog steeds openstaan. Overwogen werd toen verdachte strafrechtelijk te vervolgen, maar is de zaak bestuursrechtelijk afgedaan. Noch de eerdere veroordelingen, de nog openstaande naheffingsaanslagen, noch de gevorderde leeftijd van verdachte hebben hem er van weerhouden wederom de fout in te gaan. Verdachte heeft enkel oog voor zijn eigen financieel gewin en heeft geen acht geslagen op het feit dat hij de overheid en verschillende ondernemers ernstig heeft benadeeld.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, onder meer omdat verdachte de zorg heeft over zijn dementerende en hulpbehoevende echtgenote. De rechtbank onderkent dat dit een persoonlijke factor is van gewicht, maar is van oordeel dat de bewezen feiten in combinatie met het (strafrechtelijk) verleden van verdachte met zich brengen dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Een taakstraf zou in het geheel geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde.

De rechtbank zal bovendien een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank zal daarvan zes maanden voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren. Met dit voorwaardelijke deel beoogt de rechtbank zoveel mogelijk te voorkomen dat verdachte – ondanks zijn gevorderde leeftijd – op een later moment wederom de fout in zal gaan.

Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 51, 57;Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 68, 69.
DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

T.a.v. feit 2:

T.a.v. feit 3:

T.a.v. feit 4:

T.a.v. feit 5:

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.
T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5:

Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:mr. M.T. van Vliet, voorzitter,mr. R. van den Munckhof en mr. S.C. van Bergen, leden,in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,en is uitgesproken op 23 maart 2020.