Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:6931

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-12-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:6931, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/880223-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBOBR:2019:6931:DOC
nl

center
100
bae552cf-9ea2-4b94-9dd7-7ccbc2d5ac41
16
550
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880223-18 Datum uitspraak: 04 december 2019
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1992,thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 januari 2019, 9 april 2019, 25 juni 2019, 18 september 2019, 7 november 2019, 8 november 2019 en 20 november 2019.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 december 2018.
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)

- een woning en/of een schuur/stalling, gelegen op het perceel aan de [adres] gemeente Weert, (als opslagruimte voor de benodigde chemicaliën en/of als productieruimte(n)) gekocht en/of laten kopen en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en/of

- aanpassingen/verbouwingen aan de woning en/of schuur/stalling aangebracht en/of laten aanbrengen ten behoeve van de opslag van de benodigde chemicaliën en/of grondstoffen en/of aanpassingen/verbouwingen aan de woning en/of schuur/stalling aangebracht en/of laten aanbrengen ten behoeve van de inrichting van de productieruimte(n) en/of

- in het kader van voornoemde activiteit(en) met elkaar contact gelegd/onderhouden en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt en/of

- (een) productieopstelling(en) ten behoeve van de productie van BMK en/of amfetamine voorhanden gehad en/of

- (een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden voorhanden gehad, waaronder: rondbodemkolven en/of spiraalkoelers en/of gasbranders en/of gasflessen en/of branderbakken en/of maatbekers en/of thermometers en/of pollepels en/of - (een) grote hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: PMK en/of BMK en/of N-formylamfetamine en/of mierenzuur en/of fosforzuur en/of APAA en/of MAPA en/of zwavelzuur en/of formamide;

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 9 april 2019 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2018 tot en met 03 oktober 2018 te Swartbroek, gemeente Weert, en/of op een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 april 2018 tot en met 3 oktober 2018 te Swartbroek, gemeente Weert, en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

3.

hij op of omstreeks 03 oktober 2018 te Swartbroek, gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 03 oktober 2018 te ’s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 22 tabletten/pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bronnen:

een zaaksdossier van politie Eenheid Oost-Brabant met proces-verbaalnummer OBRAA18218-Kingstown, op ambtseed opgemaakt en afgesloten d.d. 23 januari 2019, aantal doorgenummerde bladzijden: 1201;

een proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant met proces-verbaalnummer OBRAA18218-302, op ambtsbelofte opgemaakt d.d. 31 oktober 2019, aantal doorgenummerde bladzijden: 6 (met fotomap d.d. 23 september 2019);

een proces-verbaal van politie Eenheid Oost-Brabant met proces-verbaalnummer OBRAA18218-300, op ambtseed opgemaakt d.d. 27 februari 2019, aantal doorgenummerde bladzijden: 1 (met bijgevoegd rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 januari 2019).

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage A bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Inleiding.

Op 18 juli 2018 is het strafrechtelijk onderzoek “Kingstown” gestart naar aanleiding van een TCI-melding op 17 juli 2018. Volgens deze melding zou [verdachte] in de bossen bij Helmond in een oude schuur bij een pand een lab draaien waar synthetische drugs worden geproduceerd. Een tweede TCI-melding van 24 juli 2018 bevatte de navolgende informatie: “In de bossen bij Weert draait in een oude loods bij een pand een lab, waar synthetische drugs worden geproduceerd. Dit lab wordt gedraaid door [verdachte] .” Uit onderzoek is gebleken dat met “ [verdachte] ” verdachte wordt bedoeld en dat de locatie van het “lab in de bossen bij Weert” een perceel aan de [adres] (gemeente Weert) is.
Op 17 september 2018 zijn er twee observatiecamera’s geplaatst op het perceel aan de [adres] : één camera gericht op de toegangspoort en één camera gericht op het binnenterrein met hierop een vakantiewoning en een schuur. De camera’s hebben in de periode van 17 september 2018 tot en met 30 september 2018 verschillende activiteiten op het perceel geregistreerd.

Op de opgenomen camerabeelden zijn onder andere personen in wisselende samenstellingen te zien die voornoemd perceel bezoeken, op het perceel werkzaamheden verrichten en zich tussen vakantiewoning en de schuur heen en weer bewegen. Ook is regelmatig een witte Ford Transit bestelbus met [kenteken] te zien die het terrein op rijdt, waarna er goederen de bestelbus in en/of uit worden geladen. Deze bestelbus blijkt in gebruik te zijn bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Te zien is dat de personen op het perceel zich bezighouden met het verplaatsen van ketels, jerrycans en andere goederen en dat zij daarbij vaak handschoenen dragen.

Op 3 oktober 2018 omstreeks 02.28 uur heeft de politie een inval gedaan op het perceel aan de [adres] . Zowel in de schuur als in de vakantiewoning werd een in werking zijnd laboratorium voor het produceren van synthetische drugs aangetroffen. Bij de inval zijn de volgende personen op het perceel aangehouden: verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .

[medeverdachte 5] heeft zich op 5 oktober 2018 bij de wijkagent gemeld. De medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] zijn op een later moment geïdentificeerd aan de hand van de opgenomen camerabeelden.
Op 3 oktober 2018 heeft de Landelijke Eenheid, Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO), een onderzoek ingesteld op het perceel en de daarop geplaatste opstallen aan de [adres] . Op het perceel bevonden zich een vakantiewoning, een schuur en een zelfgemaakte opslagruimte die vanaf de openbare weg te bereiken waren via een oprit. De verschillende ruimtes van de woning waren ingericht en in gebruik ten behoeve van de vervaardiging c.q. bewerking van synthetische drugs en de opslag van chemicaliën en hardware. Twee ruimtes in de schuur waren ingericht en in gebruik ten behoeve van de vervaardiging van synthetisch drugs c.q. precursoren. Voor de ingang van de schuur stonden verpakkingen met chemicaliën opgeslagen. In de schuur bevonden zich drie kookopstellingen waarvan er op het moment van de inval twee in werking waren en waarmee men de precursor BMK vervaardigde met behulp van een zuur. In totaal was er ongeveer 106,5 liter ruwe BMK in de schuur aanwezig. Met de ter plaatse vervaardigde BMK werd vervolgens met de tevens aanwezige benodigde chemicaliën (formamide, mierenzuur, zoutzuur en caustic soda) amfetamine vervaardigd volgens de Leuckart-methode. Er was ongeveer 6,2 liter amfetaminebase in de schuur aanwezig. In de zelfgemaakte buitenruimte werd de ruwe zure amfetaminebase (olie) in loogvaten gescheiden van de zure onderlaag, zodat ruwe amfetamineolie ontstond. Deze ruwe amfetamineolie werd vervolgens met een in de woning aanwezige stoomdestillatieopstelling gezuiverd.

Op het perceel stond een grote hoeveelheid productieafval opgeslagen.

Van de op het perceel aangetroffen vloeistoffen, poeders en andere stoffen zijn monsters genomen die voor onderzoek zijn aangeboden aan het NFI. Uit het rapport van het NFI van 7 januari 2019 volgt dat in het onderzoeksmateriaal onder andere BMK, N-formylamfetamine, mierenzuur, fosforzuur, APAA, MAPA, zwavelzuur en formamide is aangetoond. Het onderzoeksmateriaal was volgens het NFI te relateren aan de vervaardiging van BMK uit APAA en MAPA en de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckart-methode.

Het perceel aan de [adres] is sinds 18 april 2018 eigendom van [medeverdachte 5] .
Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1, 2, 3 en 4.
Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3. De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en 2.

Uit de stukken in het dossier - met name uit het rapport van de LFO en het onderzoek door het NFI naar de genomen monsters van de verschillende aangetroffen stoffen en de daaruit getrokken conclusies – blijkt dat op het moment dat de politie op 3 oktober 2018 het perceel aan de [adres] betrad, op dit perceel ruimtes voor de productie van synthetische drugs aanwezig waren en dat er een laboratoriumopstelling voor het vervaardigen van amfetamineolie in werking was.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en), betrokken is geweest bij dit drugslaboratorium en het productieproces. Bij de beantwoording van deze vraag acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

De omstandigheden waaronder verdachte en de medeverdachten zijn aangehouden.

Bij het betreden van het perceel aan de [adres] op 3 oktober 2018 om 02.28 uur heeft de politie waargenomen dat verdachte en [medeverdachte 3] na het aanroepen “Stop politie” zijn weggerend en zich op het perceel probeerden te verschuilen. Verdachte is aangehouden onder een struik op een afstand van 10 meter vanaf de schuur. [medeverdachte 3] is aangehouden onder de overkapping van de schuur, waar hij weggedoken zat. [medeverdachte 4] is aangehouden aan de achterzijde van de schuur.
Sleutels.

Observatie van verdachte.

Op 16 augustus 2018 neemt het observatieteam waar dat [medeverdachte 5] bij de Maaspoorthal te ’s-Hertogenbosch bij verdachte in een bestelbus stapt. De bus rijdt vervolgens naar Schijndel naar de winkel Cranenbroek.Op de camerabeelden gemaakt bij Cranenbroek worden [medeverdachte 5] en [verdachte] waargenomen. Er wordt gezien dat zij bij het rek met waterpompen, slangen en toebehoren staan. [medeverdachte 5] heeft hierover verklaard dat zij die dag bij Cranenbroek een pomp hebben gekocht en dat verdachte deze heeft betaald.
Camerabeelden.

Op 20 september 2018 is onder andere te zien dat verdachte en [medeverdachte 8] blauwe tonnen uit de bus halen en naar de schuur brengen. In de schuur en ook elders op het perceel werden later dergelijke tonnen (klemdekselvaten) aangetroffen, die onder meer werden gebruikt voor de omzetting van BMK en als loogvaten. Op 21 september 2018 is onder andere te zien dat verdachte met een waterslang over het perceel loopt. Op 22 september 2018 is onder andere te zien dat verdachte en [medeverdachte 8] van de woning naar de schuur lopen en doeken voor hun gezocht binden. Op 23 september 2018 is onder andere te zien dat verdachte met bigshoppers in zijn handen over het perceel loopt. Op 24 september 2018 is onder andere te zien dat verdachte en [medeverdachte 8] gevulde jerrycans met lichtgele en bruine vloeistof in een witte Volkswagen Polo laden. Later verlaten zij het perceel in diezelfde auto. Op 25 september 2018 is onder andere te zien dat verdachte en [medeverdachte 4] een drukvat op wieltjes richting de woning duwen, terwijl verdachte in zijn linkerhand een gasfles draagt. Een dergelijk drukvat werd later in de woning aangetroffen.
Betrouwbaarheid verklaring [medeverdachte 5] .

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 5] betwist.De rechtbank stelt vast dat de verklaringen die [medeverdachte 5] bij de politie heeft afgelegd gedetailleerd zijn, grotendeels gelijkluidend en bovendien in overeenstemming met hetgeen tijdens de observaties, op de camerabeelden en bij het onderzoek op het perceel is waargenomen. Daarbij verwijst de rechtbank onder meer naar de wijze van aankoop van het perceel, de bouw van het afdakje, het bezoek aan Cranenbroek te Schijndel, de werkwijze op het perceel (handschoenen aan en geen lege (drink)verpakkingen rond laten slingeren) en de beschrijving van de goederen op het perceel (zoals de blauwe vaten onder een zeil naast de schuur).De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 5] te twijfelen en zal deze dan ook betrekken bij de beoordeling van het bewijs.
Verklaring van verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij via chatberichten van een onbekende persoon genaamd [naam] opdrachten kreeg om op het perceel werkzaamheden te verrichten. Verdachte zegt dat hij niets wist van de productie van synthetische drugs aldaar, maar dat hij op een gegeven moment wel het idee kreeg “dat er iets niet klopte”. Verdachte heeft verklaard dat hij - in het kader van die opdrachten - samen met [medeverdachte 5] en een andere persoon een afdakje op het perceel heeft getimmerd. Verdachte droeg naar zijn zeggen tijdens de werkzaamheden op het perceel altijd handschoenen, omdat hij niet tegen vuil kan.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte onaannemelijk en gaat hier aan voorbij. De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat de verklaring van verdachte wordt weersproken door de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] en de handelingen van verdachte die op de camerabeelden zijn waargenomen. Deze handelingen passen immers volledig bij hetgeen in het proces-verbaal zoals vermeld in de bij dit vonnis gevoegde bijlage A omtrent de Leuckart-methode is omschreven. De rechtbank concludeert op grond van de voormelde verklaringen en de beschrijvingen van de camerabeelden in het dossier dat verdachte betrokken was bij de productie van synthetische drugs op de op 3 oktober 2018 in Swartbroek aangetroffen productie-locatie. Uit dit alles en uit het feit dat verdachte wegrende en zich verstopte toen hij op 3 oktober 2018 ter plaatse werd aangetroffen, leidt de rechtbank af dat volkomen helder is dat verdachte precies wist wat daar gaande was. Op het moment van zijn aanhouding was verdachte bovendien in het bezit van twee sets sleutels die passen op de sloten van de opstallen op het perceel. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zelfstandig toegang had tot het perceel.

Medeplegen.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van verdachte moet van voldoende gewicht zijn.
De rechtbank stelt vast dat uit de camerabeelden die zijn opgenomen op het perceel [adres] blijkt dat verdachte en de medeverdachten in wisselende samenstellingen in een soort van ploegendienst overdag en ‘s nacht aanwezig waren op het perceel en zich bezighielden met werkzaamheden ten behoeve van de productie van synthetische drugs met behulp van de Leuckart-methode. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een belangrijke rol heeft gehad bij het aangetroffen synthetische drugslaboratorium. Verdachte was degene die [medeverdachte 5] ertoe bracht het perceel aan de [adres] aan te kopen. Verdachte ging mee naar de notaris voor het tekenen van de koopakte, nam daarna alle stukken mee en hij gaf [medeverdachte 5] de eerste maanden geld voor de huur. Ook was het verdachte die samen met [medeverdachte 5] in augustus 2018 een afdak bouwde op het perceel ten behoeve van het drugslaboratorium. Daarbij droeg verdachte [medeverdachte 5] op met handschoenen aan te werken. Laatstgenoemde mocht geen lege (drink)verpakking laten rondslingeren van verdachte. Verder blijkt uit de camerabeelden dat verdachte vrijwel alle dagen dat de camera draaide op het perceel aanwezig was en in wisselende samenstellingen met andere personen overdag en ‘s nacht werkzaamheden verrichtte op het perceel. Hij was in bezit van twee sets sleutels van de opstallen op het perceel. Verdachte heeft aldus een leidende rol gehad bij de aankoop van het perceel, de opbouw van het drugslaboratorium en de werkzaamheden in het drugslaboratorium.

Op grond van al deze feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten een actieve rol in het productieproces heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven genoemde feiten en omstandigheden zodanig wijzen op een actieve betrokkenheid van verdachte bij de productie van synthetische drugs dat van hem een redelijke en geloofwaardige verklaring mag worden verlangd om een en ander te weerleggen. Verdachte heeft deze verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet gegeven.

Gelet op de aanwezige stoffen, materialen en goederen op het perceel acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen en bewerken van amfetamine heeft gepleegd en dat hij op 3 oktober 2018 met de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine aanwezig heeft gehad. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de rol van verdachte en de medeverdachten bij het drugslaboratorium - kort gezegd hun aanwezigheid op het terrein en hun betrokkenheid bij het productieproces - stelt de rechtbank vast dat de aangetroffen goederen en stoffen zich in hun machtssfeer bevonden en acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook deze voorbereidingshandelingen in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten heeft gepleegd.

Pleegperiode.

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij in totaal zes keer op het perceel aan de [adres] is geweest. De derde keer was na 18 juli 2018. Toen hij er eind juli, begin augustus 2018 voor de vierde keer (met verdachte) was zag [medeverdachte 5] (onder meer) een jongen in de schuur bezig, die, een doek voor zijn mond gebonden, met een pollepel stond te roeren in een ketel, waaronder een gasbrander brandde. De rechtbank leidt uit verschillende details (doek, pollepel, ketel, gasbrander) in de verklaring van [medeverdachte 5] af dat in ieder geval vanaf omstreeks 1 augustus 2018 op het perceel in Swartbroek synthetische drugs werden geproduceerd. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier (ten aanzien van het ten laste gelegde feit 1) onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de productie van amfetamine voorafgaand aan 1 augustus 2018. De rechtbank zal verdachte daarom (ten aanzien van feit 1) partieel vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 1 augustus 2018.
Ten aanzien van feit 4

De rechtbank heeft gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Conclusie.

Gelet op het hiervoor overwogene, acht de rechtbank het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde zoals hieronder weergegeven wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de aangehechte lijst met uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
- zich en een of meer anderen gelegenheid tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feit(en)

- een woning en een schuur/stalling, gelegen op het perceel aan de [adres] , gemeente Weert, (als opslagruimte voor de benodigde chemicaliën en/of als productieruimte(n)) gekocht en/of laten kopen en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en

- aanpassingen/verbouwingen aan de schuur/stalling aangebracht en/of laten aanbrengen ten behoeve van de opslag van de benodigde chemicaliën en/of grondstoffen en

- productieopstellingen ten behoeve van de productie van BMK en/of amfetamine voorhanden gehad en

- laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad, waaronder: rondbodemkolven en spiraalkoelers en gasbranders en gasflessen en branderbakken en maatbekers en thermometers en pollepels en - (grote) hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: PMK en BMK en N-formylamfetamine en mierenzuur en fosforzuur en APAA en MAPA en zwavelzuur en formamide;

1.

in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 3 oktober 2018 te Swartbroek, gemeente Weert, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt en vervaardigd een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 18 april 2018 tot en met 3 oktober 2018 te Swartbroek, gemeente Weert,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

3.

op 3 oktober 2018 te Swartbroek, gemeente Weert, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

op 3 oktober 2018 te ’s-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 22 tabletten bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4:

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om - indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring - de door de officier van justitie gevorderde straf sterk te matigen. De raadsman meent dat verdachte een beperkte rol heeft gehad in het geheel en dat de eis van de officier van justitie niet in verhouding is met straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken.
Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van 1 augustus 2018 tot en met 3 oktober 2018 schuldig gemaakt aan het medeplegen van de productie van amfetamine alsmede het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet in de periode van 18 april 2018 tot en met 3 oktober 2018. Op 3 oktober 2018 heeft verdachte een grote hoeveelheid amfetamine opzettelijk aanwezig gehad. De rechtbank neemt in aanmerking dat deze feiten in eendaadse samenloop zijn begaan, nu de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer in dezelfde periodes en op dezelfde plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Kort gezegd: het gaat om het voorbereiden van de productie van een materiaal bevattende amfetamine in opstallen gelegen op een perceel aan de [adres] (Weert), het daadwerkelijk produceren van amfetamine(olie) en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid amfetamine aldaar.
Voor de productie van synthetische drugs, in dit geval amfetamine(olie), wordt gebruik gemaakt van chemische grondstoffen die bijzonder schadelijk zijn voor de volksgezondheid en het milieu. De productie vindt gewoonlijk plaats in daarvoor niet bestemde ruimten, zoals (in dit geval) een (vakantie)woning en een schuur. Bij het (ondeskundig) opslaan (en bewerken)van dergelijke chemicaliën kan ontploffingsgevaar optreden. Het productieproces levert bovendien grote hoeveelheden schadelijke afvalstoffen op die, zo leert de praktijk, illegaal onder andere in natuurgebieden worden gedumpt. Dit brengt grote fysieke schade toe aan de natuur en materiële schade in verband met de aanzienlijke kosten die met het opruimen van het chemische afval gemoeid zijn. Dat laatste speelde zeker ook in deze zaak. Uit het dossier blijkt immers dat zich op het perceel een rooster bevond met daaronder een gat in de grond, waarin afval werd geloosd. Ook werd (chemisch) afval uit bijvoorbeeld IBC-vaten door middel van een slang rechtstreeks de grond in geleid. Verder bevond zich op het perceel een enorme hoeveelheid productieafval opgeslagen in emmers, vaten en jerrycans.

Verder is het algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Van de productie van synthetische drugs is bovendien algemeen bekend dat dit steeds meer gepaard gaat met andere, ook zwaardere vormen van criminaliteit.

Verdachte heeft kennelijk alleen uit financieel gewin gehandeld en zich niets gelegen laten liggen aan alle hiervoor benoemde schadelijke effecten waarmee de productie van synthetische drugs gepaard gaat.

Uit de bewijsmiddelen is naar oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat verdachte - anders dan zijn medeverdachten - een sturende rol heeft gehad in het geheel van voornoemde strafbare handelingen.

Voorts heeft verdachte in zijn woning 22 MDMA-tabletten aanwezig gehad.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij tegen verdergaand delictgedrag van verdachte acht de rechtbank een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden passend en geboden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK




De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; t.a.v. feit 2: medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen zich gelegenheid tot het plegen van dat feit te verschaffen en stoffen en voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit; t.a.v. feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; in eendaadse samenloop gepleegd; t.a.v. feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf:

t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4: gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door:mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,mr. B.A.J. Zijlstra en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,en is uitgesproken op 4 december 2019.