Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:6922

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 03-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:6922, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/879210-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBOBR:2019:6922:DOC
nl

center
100
5741b806-3861-4c03-94bf-be765ba29036
16
550
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879210-18 Datum uitspraak: 03 december 2019
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,wonende te [postcode] , [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 november 2019 en 26 november 2019.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 oktober 2019.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Eindhoven met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Stratumseind, in elk geval op of aan de openbare weg en/of een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal - al dan niet met een hard voorwerp - krachtig in gelaat/gezicht slaan/stompen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;

De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van openlijk geweld richting [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Verdachte en de medeverdachte zijn naar de groep van de slachtoffers toegelopen en hebben beiden geweld gebruikt. Hiermee staat volgens de officier van justitie vast dat verdachte opzet heeft gehad op het in vereniging plegen van openlijk geweld en heeft hij een voldoende significante bijdrage aan het geweld geleverd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is van openlijke geweldpleging gepleegd door verdachte. Er was sprake van twee gescheiden groepen. Van een nauwe en bewuste samenwerking kan niet worden gesproken. Er heeft een woordenwisseling plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 2] , maar beide heren hebben elkaar een hand gegeven en vervolgens is verdachte met drie anderen naar de taxistandplaats vertrokken.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat op de bewuste ochtend van 20 januari 2018 twee confrontaties hebben plaatsgevonden. In de eerste plaats blijkt uit het dossier en het verhandelde ter zitting dat tussen verdachte en [slachtoffer 2] een handgemeen heeft plaatsgevonden. Zowel [slachtoffer 2] als verdachte hebben verklaard dat zij elkaar uiteindelijk een hand hebben gegeven en uit elkaar zijn gegaan. Tegelijkertijd of een korte tijd later heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen een medeverdachte en [slachtoffer 1] .
De rechtbank moet in deze zaak de vraag beantwoorden of er sprake is geweest van een geweldspleging in vereniging of van afzonderlijke gewelddadige confrontaties door individuele personen. Weliswaar hebben verdachte en [medeverdachte] beiden de confrontatie opgezocht met personen die behoorden tot dezelfde uitgaansgroep, echter uit het dossier en het verhandelde ter zitting komt onvoldoende naar voren dat hierbij sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van geweld dan wel dat verdachte een dusdanige wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het door zijn medeverdachte gepleegde geweld (of vice versa) dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging. Er was veeleer sprake van twee gescheiden confrontaties. De rechtbank kan niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat er sprake is geweest van een samenwerking tussen verdachte en medeverdachte. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Nu verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
DE UITSPRAAK

- acht het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en verdachte daarvan ;
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte tot op heden begroot op nihil.
De rechtbank:

Dit vonnis is gewezen door:mr. R. van den Munckhof, voorzitter,mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. S.C. van Bergen, leden,in tegenwoordigheid van mrs. A.E. van Langen-Wouda en H.J.G. van der Sluijs, griffiersen is uitgesproken op 3 december 2019