Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:6377

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 06-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:6377, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/880698-17


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBOBR:2019:6377:DOC
nl

center
100
433e7118-5155-4eca-827d-e99e32d5edf1
16
550
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch Team strafrecht
Parketnummer: 01/880698-17 Datum uitspraak: 6 november 2019
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte 1] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,wonende te [adres 1] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 juli 2018, 2 oktober 2019, 3 oktober 2019 en 23 oktober 2019.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 juni 2018.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2017 tot en met 31 januari 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo en/of Bleiswijk, gemeente Langsingerland en/of Someren en/of Velddriel, gemeente Maasdriel en/of Nieuw Bergen, gemeente Bergen en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen (telkens)

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

2. hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2018 tot en met 17 januari 2018 te Helmond en/of een of meerdere andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 4 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (zaakdossier 5)

3. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2017 tot en met 31 januari 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo en/of Breda en/of 's-Gravenhage en/of Utrecht en/of Eindhoven en/of Nieuwegein en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (zaakdossiers 2 en 8)

4. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2017 tot en met 31 januari 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo en/of Breda en/of 's-Gravenhage en/of Utrecht en/of Eindhoven en/of Nieuwegein en/of een of meerdere (andere) plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten:

een of meer (grote) hoeveelheid/hoeveelheden (contant) geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, althans van dat/die (een) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt en/of

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, zulks terwijl hij, verdachte, en/of mededader(s) van het plegen van voormeld(e) feit(en) een gewoonte heeft/hebben gemaakt; (zaakdossier 2 en 8)

5. hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2017 tot en met 31 januari 2018 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo en/of Helmond en/of elders in Nederland. heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en een of meer perso(o)n(en), te weten [medeverdachte 1] (geboren [1976] ) en/of [medeverdachte 2] (geboren [1989] ) en/of [medeverdachte 3] (geboren [1960] ) en/of een of meer (andere) perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

-misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde en vierde lid van de Opiumwet, te weten het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een of meer middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

en/of

-misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het plegen van voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in laatstgenoemd artikel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding

Op de in de pleitnota omschreven gronden en de daarop gegeven aanvullingen op de zittingen van 2 oktober 2019 en 3 oktober 2019 heeft de verdediging aangevoerd dat de dagvaarding van het onder 4 aan verdachte ten laste gelegde feit geheel nietig moet worden verklaard omdat dit feit in de dagvaarding onvoldoende duidelijk is omschreven. Volgens de verdediging is, met uitzondering van de periode die is ten laste gelegd, niet duidelijk omschreven om welke concrete witwasgedragingen het gaat en wordt geen concreet bedrag vermeld.
De rechtbank is van oordeel dat de in de tenlastelegging onder feit 4 genoemde gedragingen, gelet op de verwijzing naar de zaaksdossiers 2 en 8, voldoende duidelijk en concreet zijn omschreven, zodat verdachte zich heeft kunnen voorbereiden op zijn verdediging. In zaaksdossier 2 worden de transporten van geld en/of verdovende middelen door onder meer [medeverdachte 3] beschreven. In zaak 8 worden de resultaten beschreven van de doorzoeking die op de actiedag van 31 januari 2018 in de woning van [medeverdachte 3] heeft plaatsgevonden, waarbij een grote hoeveelheid cocaïne en een contant geldbedrag van bijna € 60.000,00 zijn aangetroffen. Verdachte wordt ervan verdacht deze feiten te hebben aangestuurd. Op 31 januari 2018 is ook de woning van verdachte doorzocht, waarbij een geldbedrag van ruim € 14.000,00 is aangetroffen. Het proces-verbaal van bevindingen van deze doorzoeking bevindt zich in een ander zaaksdossier. Derhalve gaat de rechtbank ervan uit dat laatstgenoemd bedrag niet ten grondslag is gelegd aan de witwasverdenking in feit 4.Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verwerpt de rechtbank het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot nietigheid van de dagvaarding. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen.
Gronden voor schorsing van de vervolging

Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsbeslissing.

Bewijsmiddelenbijlage

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelenbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Inleiding

In augustus/september 2017 is onder leiding van de officier van justitie een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Bhutia. Aanleiding hiervoor was de bij het openbaar ministerie gerezen verdenking dat de verdachten [medeverdachte 3] en [verdachte 1] zich bezig hielden met de verkoop van chemicaliën ten behoeve van de productie van synthetische drugs vanuit de kringloopwinkel van [verdachte 1] in [plaats 1] . Deze verdenking was gestoeld op informatie die de opsporingsautoriteiten hadden gekregen uit een TCI-melding die werd verstrekt op 22 september 2017 en uit op 7 augustus 2017 ontvangen informatie uit een ander reeds lopend strafrechtelijk onderzoek, onder meer inhoudende dat [medeverdachte 3] in juni 2017 werd gezien op een locatie in Bleiswijk die bij de opsporingsautoriteiten bekend stond als een locatie waar dagelijks gehandeld werd in tabletteermachines en kleur- en bindmiddelen.
Naar aanleiding van deze informatie werden diverse bijzondere opsporingsmiddelen ingezet en toegepast. Teneinde relevante communicatie te onderscheppen werden onder meer bevelen afgegeven tot het opnemen van telecommunicatie (telefoontaps) alsmede het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC-gesprekken) in een Volkswagen Transporter die in gebruik was bij [medeverdachte 3] . Naast voornoemde opsporingsmiddelen werden nog veel andere bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, waaronder stelselmatige observaties door politieambtenaren, peilbakens en het vorderen van historische (print)gegevens. Ook werd door de officier van justitie een zogenaamd “WOD-traject” ingezet en in dat kader werd aan undercoveragent A-4076 het bevel afgegeven tot een pseudokoop met als doel zicht te verkrijgen op strafbare gedragingen van de betrokken personen. Er heeft in totaal drie maal een pseudokoop plaatsgevonden. Twee maal werd een grote partij chemicaliën aangekocht en één maal bijna vier kilogram MDMA.

Uiteindelijk heeft onderzoek Bhutia geleid tot een actiedag op 31 januari 2018, waarbij meerdere verdachten zijn aangehouden, een groot aantal panden, locaties en woningen is doorzocht en een grote hoeveelheid goederen in beslag werd genomen, waaronder drugsgerelateerde voorwerpen en stoffen, een vuurwapen, munitie en contante geldbedragen.

De opsporingsresultaten hebben geleid tot de verdenking dat sprake was van een criminele drugsorganisatie met [verdachte 1] als leider van deze organisatie, [medeverdachte 1] als ondersteuner van [verdachte 1] en met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] als feitelijke uitvoerders onder leiding van [verdachte 1] . Deze personen wordt deelname aan een organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet c.q. artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht verweten, welke organisatie het oogmerk had op het plegen van drugsmisdrijven, te weten handel in harddrugs en het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van verdovende middelen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Aan de organisatie wordt een aantal locaties gekoppeld, te weten:

De verdenking

Verdachte wordt – samengevat – verweten dat hij al dan niet met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan:
Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van de tenlastegelegde feiten onder 1 tot en met 5.
Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft op de gronden vervat in de door hem overgelegde pleitnota betoogd dat verdachte ten aanzien van feit 1 partieel en ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5 integraal behoort te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen houden onder meer in het relaas van politioneel pseudokoper A-4076 over gevoerde PGP-gesprekken (digitaal geschreven berichten). In dat relaas heeft de pseudokoper de gehele tekst van de gesprekken/berichten weergegeven. De rechtbank stelt vast dat het PGP-gesprek dat op 15 januari 2018 aan het begin van de middag (p. 1280) is gevoerd, plaatsvond tussen de pseudokoper enerzijds en [verdachte 1] anderzijds. De rechtbank komt tot die vaststelling omdat het bericht afkomstig van de PGP met [gebruikersnaam] dat luidde: “mijn broetje (de rechtbank leest: broertje) is geweest maar geen mens thuis” in verband kan worden gebracht met het gesprek dat de pseudokoper in de ochtend van 15 januari 2018 face to face voerde met [verdachte 1] over het niet kunnen bereiken van de persoon die formamide zou kunnen leveren. [verdachte 1] zei toen dat zijn broertje op dat moment naar de man op weg was. Deze uitlatingen in onderling verband gezien, leiden tot de conclusie dat het [verdachte 1] was die op 15 januari 2018 aan het begin van de middag het gesprek met de pseudokoper voerde.

De rechtbank stelt vast dat ook het PGP-gesprek dat op 16 januari 2018 (p. 1579) is gevoerd, plaatsvond tussen de pseudokoper enerzijds en [verdachte 1] anderzijds. De rechtbank leidt dit af uit de onderlinge samenhang tussen het bericht afkomstig van de PGP met [gebruikersnaam] dat luidde: “alleen ben morgen vroeg weg en pas rond 14:30 terug” en de verklaring van [getuige] over een bezoek aan Duitsland samen met [verdachte 1] op 17 januari 2018.

Met de deelname door [verdachte 1] aan de PGP-gesprekken met de pseudokoper op 15 en 16 januari 2018 is er in samenhang met de overige bewijsmiddelen sluitend bewijs dat [verdachte 1] 4 kilo MDMA heeft verkocht en afgeleverd en 100 kilo MDMA te koop heeft aangeboden.

De rechtbank zal [verdachte 1] partieel vrijspreken van hetgeen hem onder 1 is ten laste gelegd ten aanzien van de tabletteermachine, kleurstoffen, bindmiddelen en stempels. In het bijzonder acht de rechtbank niet bewezen dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 23 juni 2017 in Bleiswijk een tabletteermachine, kleurstoffen en bindmiddelen ten behoeve van de productie van synthetische drugs hebben opgehaald bij het bedrijf van [betrokkene 1] . Het procesdossier biedt enkel de vermelding dat tijdens de doorzoeking op 19 juli 2017 in het bedrijf van [betrokkene 1] dozen bindmiddel en emmertjes kleurmiddel zijn aangetroffen. De inhoud van het procesdossier geeft echter geen antwoord op de vraag of tijdens die doorzoeking louter aan synthetische drugs gerelateerde voorwerpen zijn aangetroffen of dat er ook legale voorwerpen zijn gevonden. In combinatie met het feit dat ten tijde van de doorzoeking ruim één maand was verstreken nadat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] een bezoek aan dat bedrijf hadden gebracht, maakt dit dat niet onomstotelijk vast is komen te staan dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op 23 juni 2017 in Bleiswijk voorwerpen en stoffen ten behoeve van de productie van synthetische drugs hebben opgehaald. Er zijn ook geen aanwijzingen dat [verdachte 1] zich bezig heeft gehouden met de productie van verdovende middelen waarop het voorhanden of aanschaffen van stempels ziet.

De opdrachtgever van de handel in verdovende middelen.

De bewijsmiddelen houden in dat [medeverdachte 3] verdovende middelen waaronder cocaïne vervoerde in opdracht van een persoon die hij “ [alias] ” of “ [alias] ” noemt. Ook houden de bewijsmiddelen in dat [medeverdachte 3] in opdracht van diezelfde “ [alias] ” of [alias] ” geld vervoerde.
[verdachte 1] heeft ter terechtzitting enige betrokkenheid bij het vervoer van verdovende middelen en contante geldbedragen ontkend en weersproken dat “ [alias] ” zijn bijnaam is of dat hij wordt aangesproken als “ [alias] ” of “ [alias] ”.

De identiteit van “ [alias] ”.

Uit hetgeen hierna wordt overwogen leidt de rechtbank af dat de persoon “ [alias] ” of “ [alias] ” voor wie [medeverdachte 3] deze opdrachten uitvoerde [verdachte 1] is.
Op 2 december 2017 voert [medeverdachte 3] met de getapte telefoon een gesprek met zijn zoon [medeverdachte 12] . [medeverdachte 3] zegt dat hij naar het Sinterklaasfeest bij “ [alias] ” gaat en dat dit de eerste keer is sinds drie maanden dat hij er weer komt, sinds hij bij die andere is begonnen. [medeverdachte 2] gaat waarschijnlijk niet. Hij kreeg dat donderdag of vrijdag van [echtgenote verdachte] te horen toen hij in de winkel was voor die tv. [medeverdachte 12] zegt dat hij gisteren geld af moest gooien en dat “ [alias] ” er slecht uit zag en een kastje om zijn nek had hangen, en dat hij flink was afgevallen. [medeverdachte 12] zegt dat “ [alias] ” ook last van zijn kont had of iets dergelijks en dat hij ook moeilijk loopt. [medeverdachte 3] vraagt of de winkel zowat leeg is, waarop [medeverdachte 12] zegt dat het vol stond met kerstspullen, televisies en koelkasten. Volgende maand zou de winkel gaan verhuizen.

De voornaam van de echtgenote van [verdachte 1] is [echtgenote verdachte] .

Op 3 januari 2018 is in de VW-bus te horen dat [medeverdachte 3] een gesprek voert met zijn vrouw [verdachte 2] . Hij vraagt aan haar of ze weet waar de papieren liggen. [medeverdachte 3] zegt het geld, dat van “die [alias] ”. Hij geeft haar de opdracht om er drieduizend vanaf te pakken. Hij komt het zo ophalen, hij komt nu vanaf Helmond en stopt zo. Een onbekende man in de auto vraagt of hij geld wou hebben. [medeverdachte 3] zegt "even naar [plaats 1] dus".

Hieruit volgt dat [medeverdachte 3] en [verdachte 2] met de naam ‘ [alias] ’ dezelfde persoon aanduiden en dat er een verband is tussen die “ [alias] ” en [plaats 1] . [verdachte 1] had op dat moment (nog) een kringloopwinkel in [plaats 1] .

Op 24 januari 2018 zit [medeverdachte 3] met zijn zoon [betrokkene 2] in de VW-bus. Ze praten over een blauwe Fiat 500. [betrokkene 2] vraagt of “hij” dat heeft. Zij kijken uit naar een blauwe Fiat 500. Volgens [betrokkene 2] arriveert de bestuurder precies op tijd. De mannen begroeten elkaar en na enig geritsel gaat ieder weer zijns weegs.

Volgens de bakengegevens bevindt [medeverdachte 3] zich ten tijde van dit OVC-gesprek in Geldrop tussen de Fleskensstraat en zijn GBA adres [adres 7] . In zijn verhoor bij de politie heeft [verdachte 1] verklaard dat een Fiat 500 op zijn naam staat geregistreerd. [verdachte 1] is GBA ingeschreven op de [adres 8] te Geldrop. Het is aannemelijk dat door [medeverdachte 3] eerder opgehaalde bedragen en/of goederen alhier worden overgedragen aan de bestuurder van de blauwe Fiat 500.

Daarnaast is het volgende gebleken:

[medeverdachte 3] is op 2 mei 2017 betrokken geweest bij een verdachte situatie op een parkeerterrein van de Intratuin in Elst. In het kader van het onderzoek naar die situatie werd de gsm die [medeverdachte 3] toen in zijn bezit had in beslag genomen, uitgelezen en later aan hem teruggegeven. [medeverdachte 3] maakte toen gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Tijdens onderzoek Bhutia bleek dat [medeverdachte 3] het toestel met dit nummer nog steeds in gebruik had. De gegevens uit het eerdere onderzoek werden ter beschikking gesteld voor onderzoek Bhutia. In de contactenlijst van die telefoon staat het contact “ [alias] ” met het nummer [telefoonnummer 2] . Bij dit contact in de WhatsApp contactenlijst stond daarbij de tekst vermeld: “status: 60 kilo lichter”. Dit telefoonnummer is afgegeven aan Kringloopwinkel [adres 8] . Op 2 mei 2017 waren [verdachte 1] en zijn broer [medeverdachte 1] eigenaars van de [adres 9] .

In zijn verhoor bij de politie op 1 februari 2018 heeft [verdachte 1] erkend dat het nummer [telefoonnummer 2] het enige nummer was dat hij in gebruik had. Verder is gebleken in de contacten lijst van deze telefoon het contact “Zoon [alias] ” met het nummer [telefoonnummer 3] staat. Uit onderzoek blijkt dat dit telefoonnummer in gebruik is bij [medeverdachte 2] , zijnde [medeverdachte 2] , zoon van [verdachte 1]

In onderzoek Bhutia is ook de bij [verdachte 2] , echtgenote van [medeverdachte 3] , in gebruik zijnde telefoon in beslag genomen. In de contactenlijst werd onder de naam “ [alias] ” het [telefoonnummer 2] aangetroffen. Dit nummer is in gebruik bij [verdachte 1] Bij dit contact in de Whatsapp contactenlijst stond daarbij de tekst vermeld “status: 60 kilo lichter”. heeft medische stukken overgelegd en ter zitting verklaard over zijn gezondheidsproblemen, waaronder een probleem met zijn darmen, waardoor hij ongeveer 60 kilo is afgevallen.
Nu blijkt dat zowel [medeverdachte 3] als zijn echtgenote [verdachte 2] , [verdachte 1] “de [alias] ” of “ [alias] ” noemen en [medeverdachte 2] wordt geduid als de “zoon van [alias] ” kan het, in combinatie met de medische gegevens van [verdachte 1] , de hiervoor weergegeven bevindingen over de Kringloopwinkel, de gesprekken waarin [medeverdachte 3] wordt aangestuurd door een persoon met de bijnaam [alias] ” of “ [alias] ” en de gegevens uit de telefoons, redelijkerwijs niet anders zijn dan dat deze persoon [verdachte 1] is.

[medeverdachte 3] heeft ter terechtzitting van 2 oktober 2019 als getuige verklaard dat hij met blokken en andere pakketten heeft gereden maar dat hij dit niet in opdracht van [verdachte 1] heeft gedaan. Hij noemde zijn opdrachtgever “ [alias] ” of “ [alias] ” maar het betrof niet [verdachte 1] , zo verklaarde hij.

De rechtbank acht deze getuigenverklaring niet geloofwaardig. Pas in een zeer late fase van het strafproces, nadat hij (als verdachte) had kunnen kennisnemen wat het strafdossier tegen hem en zijn medeverdachten inhield, heeft [medeverdachte 3] willen verklaren over de betekenis van gevoerde gesprekken en de daarin voorkomende naam “ [alias] ” of “ [alias] ”. Zijn getuigenverklaring houdt echter niet meer in dan een blote ontkenning dat daarmee [verdachte 1] werd bedoeld. [medeverdachte 3] heeft geen informatie over de identiteit van “ [alias] ” gegeven die verifieerbaar was en verklaarde voorts tegenstrijdig over het al dan niet kennen en gebruiken van de bijnaam “ [alias] ” voor [verdachte 1]

De rechtbank vindt dat op grond van het voorgaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [medeverdachte 3] in opdracht van [verdachte 1] cocaïne en geld heeft vervoerd.

Het vervoeren van geld naar Nieuwegein.

De bewijsmiddelen houden in dat [medeverdachte 3] met zijn bus regelmatig een adres in Nieuwegein bezocht waar op de achtergrond een geldtelmachine werd gehoord. Dat is het geval op 16 december 2017, 21 december 2017, 28 december 2017 en 23 januari 2018. Bij de doorzoeking in het pand [adres 4] op 31 januari 2018 zijn 3 geldtelmachines aangetroffen.
Uit de OVC gesprekken is gebleken dat [medeverdachte 3] met enige regelmaat sprak over de wisselaar.

In een gesprek op 16 december 2018 om 14.20.29 uur voert [medeverdachte 3] een gesprek met een onbekend persoon waarin hij vraagt “Hoelaat dan?.... ja, iets over de miljoen… ja dat is klaar”. Uit de bakengegevens blijkt dat de VW Transporter die dag om 14.40 uur een stop in Nieuwegein heeft gemaakt. In de PGP-telefoon staat onder “ [PGPnaam 1] ”.

Op 27 december 2017 spreekt [medeverdachte 3] met een onbekende man over “5000 apart, tientjes en twintigjes” en zegt hij dat hij van de week naar de wisselaar moet. Uit de bakengegevens blijkt dat de VW Transporter op 28 december 2017 enige tijd, bijna twee uur, op de [adres 4] is geweest en staat in de PGP-telefoon onder “ [PGPnaam 2] ”. Tijdens de doorzoeking in het pand [adres 4] op 31 januari 2018 is een karton aangetroffen met daarop het bedrag 983,400.

Op 29 december 2017 zegt [medeverdachte 3] tegen zijn vrouw dat hij nog naar die wisselaar moet en spreken zij over het selecteren van kleingeld, batches van 200 biljetten die in twee keer gedaan kan worden, dat het druk was en dat er veel voor hem zaten te wachten. Uit de bakengegevens blijkt dat de VW Transporter die dag in Nieuwegein een stop aan de Liesbosch heeft gemaakt en in de PGP-telefoon staat onder “ [PGPnaam 3] ”.

Op 29 januari 2018 zegt [medeverdachte 3] tegen een onbekende man in zijn voertuig dat hij die tassen nog naar de wisselaar moet brengen en dat hij hier helemaal gek van wordt. Tijdens een observatie is gezien dat [medeverdachte 3] met de bus een loods gelegen aan het adres [adres 4] inreed, de loods lopend verliet en later met de bus uit de loods wegreed.

In de PGP-telefoon staat, naast de hiervoor genoemde gegevens onder “pap”, nog het volgende:

“1.148720 naar cina gebracht 13-12

2,000,000 mil naar cinees (23-1) 40,000. gehad van chinees. Gehadh”
Uit het onderzoek is gebleken dat de huur van het pand [adres 4] stond op naam van [bedrijfsnaam] . De aandelen in [bedrijfsnaam] zijn in bezit van [Holding] . De aandelen van dit bedrijf zijn in handen van [medeverdachte 10] . Uit een proces-verbaal bevindingen betreffende een buurtonderzoek en een getuigenverklaring van een persoon die in de tijd van het onderzoek Bhutia in de omgeving van het pand werkte blijkt dat bij het pand personen van Aziatische afkomst zijn gezien.

Bij de doorzoeking van de VW Transporter [kenteken] op 8 februari 2018 heeft de politie vastgesteld dat zich in de bus een verborgen opbergruimte bevond en zijn in een bergruimte onder de passagiersbank 22 cellofaan verpakkingen aangetroffen. Op 18 daarvan stonden met de hand geschreven geldbedragen tot een totaal van 646.000.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 3] opdrachten heeft gekregen voor niet alleen het ophalen en wegbrengen van cocaïne maar ook van contant geld. Voor wat betreft de contante geldbedragen stelt de rechtbank vast dat het, gelet op de gegevens in de PGP-telefoon van [medeverdachte 3] , is gegaan om grote hoeveelheden contant geld, die voor een groot deel naar een wisselkantoor in Nieuwegein zijn gebracht. Dat in het onderzoek deze grote hoeveelheden contant geld niet zijn aangetroffen past bij de verklaring van [medeverdachte 3] dat er niets meer in zijn bus lag als hij wegreed uit de loods in Nieuwegein. Wel is op de dag van de doorzoeking op 31 januari 2018 in de woning van [medeverdachte 3] een contant geldbedrag van bijna € 60.000,00 aangetroffen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit bedrag minst genomen in verband kan worden gebracht met het gesprek dat [medeverdachte 3] en zijn zoon op 30 januari 2018 voerden over de 40.000 die de Chinees zou hebben gebracht.

Gelet op de eerdere vaststelling dat [medeverdachte 3] heeft gehandeld in opdracht en werd aangestuurd door [verdachte 1] gaat de rechtbank ervan uit dat [verdachte 1] de opdrachtgever was voor het wegbrengen van het contante geld en derhalve dat sprake is van medeplegen.

Witwassen.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of witwassen kan worden bewezen.De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a en b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp, in dit geval contant geld, afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Witwassen kan in zo’n geval bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dat, in dit geval, het geld direct of indirect uit enig misdrijf afkomstig is. Daarvoor zal eerst moeten worden vastgesteld dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Deze verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien hieraan wordt voldaan en de verklaring van verdachte daartoe dus aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de eventuele alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van dit onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat daarom een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Uit bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 3] in opdracht van [verdachte 1] veelvuldig met grote sommen contant geld heeft rondgereden en dit geld wegbracht naar de loods in Nieuwegein, waar het werd geteld en verpakt. Dit geld werd opgehaald tijdens de ritten waarbij [medeverdachte 3] in ieder geval ook pakketten cocaïne vervoerde. Waar het geld vanuit Nieuwegein naartoe is gebracht, is niet komen vast te staan. Onder deze omstandigheden is het vermoeden dat het geld een criminele herkomst heeft gerechtvaardigd.

[medeverdachte 3] noch [verdachte 1] heeft enige verklaring over de herkomst van het geld gegeven. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en het uitblijven van een redengevende verklaring voor de herkomst van het geld acht de rechtbank witwassen wettig en overtuigend bewezen alsmede dat zij, gelet op de duur van de bewezen verklaarde periode, hiervan een gewoonte hebben gemaakt.

De rechtbank is van oordeel, gelet op de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage, dat in de ten laste gelegde periode sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de verdachten [verdachte 1] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] met het oogmerk het plegen van misdrijven uit de Opiumwet. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

In november 2016 werd door de in het onderzoek Bhutia ingezette pseudokoper, die de opdracht had om bij ene [medeverdachte 2] , eigenaar van de Kringloopwinkel in [adres 9] , te proberen chemicaliën of andere goederen te kopen die gebruikt worden bij de productie van synthetische drugs, een bezoek gebracht aan het bedrijf in [plaats 1] . Hij kwam daarbij in contact met [medeverdachte 4] , die onder meer tegen de pseudokoper zei dat hij vermoedelijk zijn vader nodig had, dat die meer van de spullen was en hijzelf van het maken. [medeverdachte 4] sprak over chemicaliën en vroeg aan de pseudokoper of hij nat of droog kleurde en zei dat zijn oom het ook een beetje regelde. [medeverdachte 4] heeft ook gezegd dat “ze” over meerdere loodsen beschikten - bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 4] op 31 januari 2018 zijn onder meer gelaatsmaskers aangetroffen waarop zich restanten van harddrugs bevonden en notities over het herkristalliseren van (meth)amfetamine -. Tijdens dit contact verschijnt [verdachte 1] in de Kringloopwinkel en bespreken zij met zijn drieën mogelijke leveranties van chemicaliën.

Vervolgens is de pseudokoper op 10 januari 2018 naar de winkel TV en witgoed concurrent aan de [adres 6] gegaan, waar de Kringloopwinkel inmiddels was gevestigd. Daar heeft hij contact met zowel [verdachte 1] als, naar later blijkt, [medeverdachte 1] . Met beide spreekt hij over de levering van chemicaliën, waarbij [verdachte 1] zegt dat ze zoutzuur hebben staan, 1000 liter. De dan nog onbekende man ( [medeverdachte 1] ) zegt onder meer dat ze moeten kijken wanneer ze erbij kunnen en dat de pseudokoper dan even zijn bus moet afstaan en geeft hem vervolgens een briefje waarop hij de naam van de PGP-telefoon heeft geschreven, [gebruikersnaam] .

Uit deze contacten is op 12 januari 2018 de overdracht van een hoeveelheid (1000 liter) zoutzuur aan de pseudokoper voortgevloeid. Bij de overdracht waren [verdachte 1] en [medeverdachte 1] aanwezig en de koopsom werd door de pseudokoper betaald aan laatstgenoemde. Via de PGP [gebruikersnaam] gaat het contact verder en worden met [gebruikersnaam] afspraken gemaakt over de levering van 1000 liter mierenzuur en wordt besproken hoe, waar en wanneer die levering zal plaatsvinden. Op de afgesproken datum en tijd, 15 januari 2018 om 10.45 uur in Kerkdriel, is [verdachte 1] aldaar op de parkeerplaats aanwezig en neemt hij de koopsom van de pseudokoper in ontvangst.
Vervolgens heeft [verdachte 1] nog gesprekken gevoerd over de levering van formamide en van 4 respectievelijk 100 kilo MDMA. Uiteindelijk is bijna 4 kilogram door een andere pseudokoper bij de TV- en witgoedconcurrent (=winkel van [verdachte 1] en zijn broer [medeverdachte 3] ) afgehaald en betaald, waarbij deze pseudokoper te woord werd gestaan door [medeverdachte 1] die de MDMA heeft overgedragen aan de pseudokoper en het aankoopbedrag in ontvangst heeft genomen.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [verdachte 1] de leider van de organisatie is. Hij is degene die het door de pseudokoper gelegde contact met [medeverdachte 2] voortzet, hetgeen heeft geleid tot de overdracht van zowel zoutzuur als mierenzuur, en vervolgens de afspraken over de overdracht van de bijna 4 kilo MDMA maakt. Ook [medeverdachte 1] heeft naar het oordeel van de rechtbank een grote rol in de organisatie. Ook hij blijkt goed op de hoogte van de mogelijkheden om chemicaliën te leveren. Daarnaast houdt hij zich bezig met de daadwerkelijke uitvoering daarvan. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit de omstandigheid dat het [medeverdachte 1] is die de beoogde leverancier van de formamide benadert als deze leverantie uitblijft en uit de overdracht van de MDMA op 17 januari 2018 als [verdachte 1] zelf in Duitsland is.

In de aanvangsfase was ook [medeverdachte 4] betrokken bij de strafbare feiten als de degene die het contact tot stand heeft gebracht tussen de pseudokoper enerzijds en zijn vader en [medeverdachte 1] anderzijds. Uit de inhoud van het gesprek met de pseudokoper, het meenemen van de pseudokoper naar een andere ruimte en het daarbij uitschakelen van zijn telefoon leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 4] duidelijk op de hoogte was van de verkrijgbaarheid in de kringloopwinkel van chemische stoffen die bestemd waren voor het productieproces van amfetamine en/of MDMA. In de woning van [medeverdachte 2] zijn bovendien goederen aangetroffen die te maken hebben met de producten van synthetische drugs, zoals gelaatsmaskers met enerzijds het DNA van [medeverdachte 2] en anderzijds sporen van amfetamine. Verder is hij in het bezit van een PGP-telefoon. Deze goederen ondersteunen de betrouwbaarheid van de uitlatingen die [medeverdachte 2] tegenover de pseudokoper heeft gedaan.

Daarnaast moet [verdachte 1] worden beschouwd als de opdrachtgever van [medeverdachte 3] voor wat betreft de transporten van cocaïne en contant geld in de ten laste gelegde periode. [medeverdachte 3] is in het onderzoek in beeld gekomen onder meer omdat hij in de TCI-informatie van 22 september 2017 werd genoemd als de persoon die ervoor zorgde dat de chemische stoffen die vanuit de kringloopwinkel werden verkocht in de kringloopwinkel terecht kwamen. Daarna is uit observaties en peilbakengegevens van de bij hem in gebruik zijnde VW Transporter gebleken dat hij vrijwel dagelijks ritten maakte naar diverse plaatsen in Nederland. Uit het onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 3] grote hoeveelheden cocaïne (en andere verdovende middelen) wegbracht naar of ophaalde op een groot aantal bestemmingen in Nederland en al dan niet in ruil voor die verdovende middelen grote hoeveelheden contant geld vervoerde en dat hij dit deed in opdracht van [verdachte 1] Hiervoor verwijst de rechtbank naar de bewijsmiddelen in de bewijsbijlage.

Aldus is naar het oordeel van de rechtbank in de ten laste gelegde periode een duurzaam samenwerkingsverband tussen de hiervoor genoemde personen ontstaan met een duidelijk waarneembare organisatiegraad en waarbij alle deelnemers bekend waren met het oogmerk van de organisatie, te weten het (opzettelijk) plegen van misdrijven uit de Opiumwet.

De rechtbank verwerpt aldus de verweren die gevoerd zijn en komt tot een bewezenverklaring als na te melden.
De bewezenverklaring.

Op grond van de bewijsmiddelen, zoals weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelenbijlage – bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1. in de periode van 16 november 2017 tot en met 31 januari 2018 te Geldrop en Someren en gemeente Maasdriel en Nieuw Bergen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen

hebbende hij, verdachte en zijn mededaders

2. in de periode van 15 januari 2018 tot en met 17 januari 2018 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd ongeveer 4 kilogram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3. in de periode van 1 december 2017 tot en met 31 januari 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. in de periode van 1 december 2017 tot en met 31 januari 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, grote hoeveelheden contant geld heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, zulks terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders van voormelde feiten een gewoonte hebben gemaakt.

5. in de periode van 1 november 2017 tot en met 31 januari 2018 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte en [medeverdachte 1] (geboren [1976] ) en [medeverdachte 2] (geboren [1989] ) en [medeverdachte 3] (geboren [1960] ), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De vordering van de officier van justitie strekt tot veroordeling van verdachte tot:
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van de verdachte heeft – voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen van een of meer aan verdachte ten laste gelegde feiten – bepleit dat volstaan dient te worden met oplegging van een gevangenisstraf die de duur van het reeds ondergane voorarrest niet te boven gaat.
Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met drie anderen gedurende een periode van bijna drie maanden in georganiseerd verband gehandeld in harddrugs en grondstoffen voor de productie van synthetische drugs. Criminele organisaties ondermijnen de rechtsorde, veroorzaken maatschappelijke onrust en berokkenen de maatschappij financieel nadeel. De deelnemers aan deze criminele organisatie hadden ieder hun eigen rol en taakverdeling. Deels voorzagen zij hun klanten nagenoeg dagelijks van kilo’s cocaïne en deels regelden zij grondstoffen voor de productie van synthetische drugs. In een deel van de thans bewezenverklaarde periode heeft de criminele organisatie voor ten minste 20 kilo aan harddrugs verhandeld.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en, bij overdosis, zelfs tot de dood van de gebruiker. Synthetische drugs vormen steeds meer een nationaal probleem. Het chemisch afval dat ontstaat bij de productie van die drugs wordt vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang kan komen. De georganiseerde drugscriminaliteit leidt ook tot veel geweld met alle gevolgen van dien. Kortom, de productie van en handel in harddrugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Aan al deze negatieve effecten heeft verdachte een bijdrage geleverd. Kennelijk heeft verdachte geen weerstand kunnen bieden aan de verleiding om op criminele wijze veel geld te verdienen Hiermee stelt verdachte zijn eigen geldelijke gewin boven het maatschappelijk belang.

Daarnaast heeft verdachte zich met anderen schuldig gemaakt aan witwassen van grote geldbedragen tot over de miljoenen. Witwassen is een ernstig feit dat door misdrijf verkregen geld de schijn van legitimiteit moet geven en het reguliere financiële verkeer ondermijnt. Bovendien heeft het in omloop zijn van dergelijk grote witgewassen geldbedragen een sterk corrumperende werking en faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen. Door het witwassen worden gelden met een criminele oorsprong in het legale verkeer gebracht zonder dat dit voor (bonafide) deelnemers aan het verkeer kenbaar is. Deze personen worden dus ongemerkt betrokken bij het handelen van criminelen. Anderen die wel op de hoogte zijn, worden door de vaak grote sommen geld die er mee gemoeid zijn in de verleiding gebracht om hun medewerking te verlenen aan de betrokken constructies, door bijvoorbeeld hun diensten aan te bieden, expertise beschikbaar te stellen of door gebruik te maken van de gelegenheid die een bepaalde functie hun biedt. Verdachte heeft zich hier mede schuldig aan gemaakt.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Ten aanzien van de handel in harddrugs maken de oriëntatiepunten een onderscheid tussen oriëntatiepunten voor ‘standaard’ gevallen en oriëntatiepunten in het geval sprake is van een organisatie. In de onderhavige strafzaak is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een organisatie. De rechtbank zal daarom de oriëntatiepunten voor de handel in harddrugs waarbij sprake is van een organisatie tot uitgangspunt nemen.

De oriëntatiepunten voor het bewezenverklaarde onder 2 en 3, de handel in harddrugs, differentiëren voorts aan de hand van het gewicht van de drugs waarop het bewezenverklaarde betrekking heeft. In geval van de handel van 20 kilogram of meer harddrugs luidt het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van meer dan zes jaar.

Voor het bewezenverklaarde witwassen onder 4 zijn binnen de rechtspraak thans geen oriëntatiepunten ontwikkeld. Wel zijn er oriëntatiepunten beschikbaar ter zake van fraude delicten. In de toelichting op deze oriëntatiepunten is vermeld dat onder fraude onder meer het delict witwassen dient te worden verstaan. Gelet hierop heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij deze oriëntatiepunten. In geval van witwassen van meer dan één miljoen euro luidt het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van meer dan 24 maanden.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er feiten of omstandigheden aanwezig zijn die maken dat er van deze uitgangspunten moet worden afgeweken.

De rechtbank betrekt hierbij onder meer de rol die verdachte bij de bewezenverklaarde drugsfeiten heeft gespeeld. Afgezet tegen de rol van de medeverdachten acht de rechtbank de rol van verdachte van een bovengemiddeld gewicht. Verdachte heeft bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten een sturende en leidinggevende rol gehad. Hij heeft zich bezig gehouden met de handel in cocaïne. Tevens is hij degene die het door de pseudokoper gelegde contact met [medeverdachte 2] voortzet; deze contacten hebben geleid tot de overdracht van zowel zoutzuur als mierenzuur, het aanbieden van 100 kilo MDMA en per saldo de overdracht van de bijna 4 kilo MDMA. De rechtbank is er van overtuigd dat zonder verdachte deze transacties niet plaatsgevonden zouden hebben.

Het is de rechtbank duidelijk geworden dat het met de gezondheid van verdachte niet goed is gesteld en dat de gezondheidstoestand van verdachte ertoe zal leiden dat een gevangenisstraf in verband met de gestelde ongemakken hem zwaar zal vallen. Deze feiten en omstandigheden leggen echter - afgezet tegen de ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden – maar beperkt gewicht in de schaal. Des te meer geldt dit nu deze gezondheidsproblemen ten tijde van de thans bewezenverklaarde feiten ook aan de orde waren, maar dat deze kennelijk verdachte niet van het plegen van strafbare feiten hebben weerhouden.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte, conform de eis van de officier van justitie, opleggen een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Voor oplegging aan verdachte van enige geldboete naast de aan hem op te leggen gevangenisstraf ziet de rechtbank geen grond.

Beslag.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot teruggave van de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon.
Het standpunt van de verdediging.

Door de verdediging zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van het beslag.
Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de onder hem in beslag genomen mobiele telefoon (Apple Iphone X), nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van dit voorwerp.
Voorlopige hechtenis.

Door de verdediging is gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en is primair verzocht om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen en subsidiair om de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren.
De rechtbank is van oordeel dat met het wijzen van dit vonnis de ernstige bezwaren en ook de gronden voor voorlopige hechtenis nog altijd aanwezig zijn en dat – gezien de aard, ernst en omvang van de bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging – het belang dat verdachte vanwege zijn persoonlijke omstandigheden bij het voortduren van de schorsing heeft, ondergeschikt is aan de strafvorderlijke belangen en het belang dat de samenleving heeft bij het hervatten van de voorlopige hechtenis. Dit brengt mee dat beide verzoeken worden afgewezen.
Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 tot en met feit 5 bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mederdader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)

- een tabletteermachine en/of een hoeveelheid kleurstoffen en/of bindmiddelen en/of stempels ten behoeve van de vervaardiging van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I gekocht en/of laten kopen en/of besteld en/of voorhanden gehad (zaakdossier 1)

- (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën, waaronder (geconcentreerd) zoutzuur en/of mierenzuur zijnde (elk) een stof geschikt/benodigd voor de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of MDMA, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, besteld en/of ingekocht en/of verkocht en/of laten afnemen/ophalen en/of voorhanden gehad (zaakdossier 3 en 4)

- een of meer loodsen/opslaglocaties gehuurd en/of (aldaar) voornoemde chemicaliën (geconcentreerd zoutzuur/mierenzuur) opgeslagen/ondergebracht en/of laten afleveren en/of met de afnemer/klant afgesproken (zaakdossier 3 en 4)

- (een) hoeveelhe(i)d(en) ((geconcentreerd) zoutzuur en/of mierenzuur in jerrycans overgepompt en/of over laten pompen (zaakdossier 3 en 4)

- een hoeveelheid van (in totaal) 100 kilo MDMA, althans een grote hoeveelheid MDMA, te koop aangeboden en/of besteld (zaakdossier 5)


 Het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de inhoud van de bewijsmiddelen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
 [medeverdachte 3] en [verdachte 1] worden ervan verdacht dat zij in de ten laste gelegde periode van 1 december 2017 tot en met 31 januari 2018 cocaïne en contante geldbedragen van en naar plaatsen in Nederland hebben vervoerd. Het transport zou zijn uitgevoerd door [medeverdachte 3] die daarbij zou hebben gehandeld in opdracht van [verdachte 1] Ook worden zij verdacht van (gewoonte)witwassen.

1. mil naar cina 21-12
 Voor een bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie is een samenwerkingsverband vereist tussen twee of meerdere personen met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad. Niet is vereist dat deelnemers met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen. Van deelneming kan slechts sprake zijn indien verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in de gedragingen – dan wel die gedragingen ondersteunt – die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, te weten het plegen van misdrijven. Dat aandeel moet een zekere duur en intensiteit hebben en een deelnemer moet weten dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft.
- anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft en

- vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten of ernstige redenen hadden om te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit

- grote hoeveelheden chemicaliën, waaronder (geconcentreerd) zoutzuur en mierenzuur zijnde elk een stof geschikt/benodigd voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA, verkocht en laten afnemen/ophalen en voorhanden gehad en

- loodsen/opslaglocaties gehuurd en aldaar voornoemde chemicaliën (geconcentreerd zoutzuur/mierenzuur) opgeslagen/ondergebracht en/of laten afleveren en

- 100 kilo MDMA te koop aangeboden en

- in het kader van voornoemde activiteiten met elkaar en met afnemers/klanten contact gelegd/onderhouden en ontmoetingen gehad en besprekingen gevoerd en afspraken gemaakt.

- misdrijven als bedoeld in artikel 10 vierde lid van de Opiumwet, te weten het verkopen en afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en

- misdrijven als bedoeld in artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet, te weten het plegen van voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in laatstgenoemd artikel.



en/ofen/ofen/ofen/ofen/of - in het kader van voornoemde activiteit(en) met elkaar en/of met afnemer(s)/klant(en) (telefonisch) contact gelegd/onderhouden en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een) bespreking(en) gevoerd en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt (zaakdossier 1, 3, 4 en 5);
-

een loods gelegen aan de [adres 2] , die aan [medeverdachte 5] wordt toegeschreven, maar waarmee ook [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] in verband worden gebracht en waar voorwerpen bestemd voor de productie van verdovende middelen zijn aangetroffen;

een loods gelegen aan de [adres 3] , die aan [medeverdachte 8] wordt toegeschreven, maar waarmee ook [medeverdachte 9] in verband wordt gebracht en waar eveneens voorwerpen bestemd voor de productie van verdovende middelen zijn aangetroffen;

een loods gelegen aan de [adres 4] , die aan [medeverdachte 10] en [medeverdachte 11] wordt toegeschreven, waar contante geldbedragen van de organisatie naar toe werden gebracht;

de kringloopwinkel van [verdachte 1] en [medeverdachte 1] aan het [adres 5] en het witgoed bedrijf aan de [adres 6] , waar ook [medeverdachte 4] , de zoon van [verdachte 1] , werkzaam was.

-

een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht én;

een geldboete van € 30.000,-- subsidiair 185 dagen hechtenis indien de geldboete niet wordt betaald.

arabic

het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van verdovende middelen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet;

de levering van 4 kg MDMA;

de handel in of het vervoeren van (niet nader gespecificeerde) hoeveelheden cocaïne;

het witwassen van een grote hoeveelheid contante geldbedragen;

de deelname aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van aan de Opiumwet gerelateerde feiten.

ten aanzien van feit 1:medeplegen van: om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit verschaffen en vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd ten aanzien van feit 2:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod ten aanzien van feit 3:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd ten aanzien van feit 4:medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken ten aanzien van feit 5:deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid en 10a, eerste lid, van de Opiumwet verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:
ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5:

 een voor de duur met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
ten aanzien van het beslag:

De rechtbank gelast de teruggave van de Apple Iphone X (goednummer 1306305) aan verdachte voornoemd.
Dit vonnis is gewezen door:mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, voorzitter,mr. E.C.P.M. Valckx en mr. A.W.A. Kap-Knippels, leden,in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,en is uitgesproken op 6 november 2019.