Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:5128

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 09-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:5128, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/01/348151 / KG ZA 19-408


Bron: Rechtspraak

center
100
e222d335-39ef-42a2-8f16-5c4e717f26aa
2
13
image/png

center
100
677174c6-f874-46fd-a196-0bb374089dc0
2
523
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel RechtZittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/348151 / KG ZA 19-408

Vonnis in kort geding van 9 september 2019

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,eiser,advocaat mr. C.C.J. Aarts te Schijndel,
tegen

ECLI:NL:RBOBR:2019:5128:DOC
nl

center
100
e222d335-39ef-42a2-8f16-5c4e717f26aa
2
13
image/png

center
100
677174c6-f874-46fd-a196-0bb374089dc0
2
523
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel RechtZittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/348151 / KG ZA 19-408

Vonnis in kort geding van 9 september 2019

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,eiser,advocaat mr. C.C.J. Aarts te Schijndel,
tegen

1

2. ,beiden wonende te [woonplaats] ,gedaagden,advocaat mr. P. Koeslag te Schijndel.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

de dagvaarding van 9 augustus 2019 met 14 producties

de brief van mr. Koeslag van 22 augustus 2019 met 6 producties

de mondelinge behandeling op 26 augustus 2019

de pleitnota van [eiser]

de pleitnota van [gedaagden] .

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
2

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [eiser] is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] en [gedaagden] zijn eigenaar van het perceel aan de [adres 2] .
2.2.
De achtertuinen van beide percelen zijn afgegrensd door een houten schutting van (ongeveer) twee meter hoog.
2.3.
Op 22 mei 2017 hebben [gedaagden] aan hun zijde van de schutting een viertal leibeuken geplant met een totale hoogte van 3.50 meter. De leibeuken staan binnen een afstand van 50 centimeter van de scheidsmuur tussen beide percelen.
2.4.
In april 2018 hebben [gedaagden] sfeerverlichting aangebracht onder de leibeuken.
2.5.
Bij brief van 1 april 2019 heeft [eiser] [gedaagden] gesommeerde de leibeuken te verwijderen, omdat deze te dicht bij de erfgrens zijn geplaatst.
2.6.
[gedaagden] hebben aan die sommatie tot op heden geen gevolg gegeven.
3

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
arabic

de op het perceel [adres 2] aanwezige leibeuken in hoogte terug te brengen tot een hoogte die gelijk is aan de ter plaatse aanwezige erfafscheiding tussen de percelen [adres 2] en [adres 1] en aldus tot een hoogte van maximaal 2 meter,

[gedaagden] te verbieden om gedurende de periode na zonsondergang de aanwezige leibeuken en andere objecten te verlichten, althans er zorg voor te dragen dat deze verlichting geen hinder oplevert voor [eiser] ,

[gedaagden] te gebieden een zodanige voorziening te treffen dat het strooilicht dat afkomstig is van de lamp bij de achterdeur van de woning van [gedaagden] niet langer zichtbaar is vanuit de tuin en/of woning van [eiser] ,

3.2.
Zij leggen hieraan ten grondslag dat de leibeuken binnen 50 centimeter van de erfafscheiding, en daarmee in strijd met artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zijn geplant. Op grond van de Bomenverordening van de gemeente Meijerijstad bedraagt de in artikel 5:42, lid 1 BW bedoelde afstand 50 centimeter van de erfafscheiding. [eiser] ondervindt hinder van de vier leibeuken, aangezien zij een beperking vormen van het uitzicht en van de lichtinval in de tuin van [eiser] . De leibeuken veroorzaken ook overlast, omdat zij aan de zijde van het perceel van [eiser] niet kunnen worden gesnoeid en daardoor extra bladverlies geven in de tuin van [eiser] . [eiser] heeft recht en belang bij beëindiging van de onrechtmatige toestand door het terugbrengen van de hoogte van de leibeuken tot de hoogte van de schutting. Voorts ondervindt [eiser] hinder van de kunstmatige verlichting die [gedaagden] onder de leibeuken en overigens in de tuin hebben bevestigd en die omhoog schijnt tegen de leibeuken en het tuinhuis van [gedaagden] aan. Voorts ondervindt [eiser] hinder van de lamp bij de achterdeur van [gedaagden] Het schijnsel van de lamp is zichtbaar in de slaapkamer van [eiser] .
3.3.
[gedaagden] voeren verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering, te weten de beëindiging van een onrechtmatige toestand. Dat toewijzing van de vordering een onomkeerbaar karakter heeft brengt nog niet mee dat de zaak niet geschikt is voor behandeling in kort geding.
4.2.
Het verweer van [gedaagden] dat de leibeuken niet zijn aan te merken als bomen, maar als struiken of haag, zodat plaatsing op een afstand tot 50 centimeter van de schutting is toegestaan, slaagt evenmin. Naar gangbaar spraakgebruik alsmede gelet op de hoogte, de stam en de vorm van de leibeuken, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de leibeuken zijn aan te merken als bomen.
4.3.
Gelet op artikel 5:42 lid 2 BW is het niet geoorloofd bomen binnen een afstand van 2 meter van de grenslijn van eens anders erf te hebben, tenzij ingevolge een plaatselijke verordening een kleinere afstand is toegelaten. Niet ter discussie staat dat zich die laatste situatie hier voordoet. Op grond van de geldende Bomenverordening Meijerijstad is de afstand als bedoeld in artikel 5:42 BW voor bomen vastgesteld op 50 cm.
4.4.
Het verweer van [gedaagden] dat sprake is van (stilzwijgende) toestemming van [eiser] aangezien [eiser] na het plaatsen van de leibeuken nog in de tuin van [gedaagden] is geweest, zonder kenbaar te maken bezwaar te hebben tegen plaatsing van de leibeuken, faalt. Het niet kenbaar maken van bezwaar kan niet gelijk worden gesteld aan het geven van toestemming als bedoeld in artikel 5:42 lid 1 BW. Vast staat voorts dat de afstand van de leibeuken tot de erfafscheiding van [eiser] minder is dan de voorgeschreven 50 cm. Door het aldaar hebben van de leibeuken handelen [gedaagden] dus in strijd met het verbod van artikel 5:42 BW.
4.5.
[eiser] heeft in beginsel recht op beëindiging van deze onrechtmatige situatie. Anders dan [eiser] kennelijk veronderstelt, levert dit echter nog geen grond voor een veroordeling van [gedaagden] om de leibeuken terug te snoeien tot een hoogte van 2 meter. Het bepaalde in artikel 5:42, lid 3 BW, waarnaar [eiser] in dit verband verwijst en waar staat dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven, biedt daarvoor geen zelfstandige grondslag. Daarbij speelt in de onderhavige situatie een rol dat uit de overgelegde foto’s kan worden afgeleid dat het terugsnoeien van de leibeuken tot gevolg zal hebben dat er enkel nog vier stammen resteren. Ook hierom ligt een veroordeling van [gedaagden] om de leibeuken terug te snoeien tot een hoogte van twee meter niet in de rede.
4.6.
De subsidiaire stelling van [eiser] dat de aanwezigheid van de leibeuken krachtens artikel 5:37 BW onrechtmatige hinder veroorzaakt, kan evenmin leiden tot het oordeel dat de leibomen teruggesnoeid moeten worden. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. [eiser] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter - mede gelet op de betwisting door [gedaagden] - onvoldoende gemotiveerd gesteld waar de door haar gestelde hinder uit bestaat en waarom deze als onrechtmatig dient te worden aangemerkt. Dat de leibeuken in die mate zonlicht en uitzicht wegnemen voor [eiser] dat sprake is van onrechtmatige hinder kan uit de overgelegde foto’s niet worden afgeleid. Reeds daarom kan de vordering tot het terugsnoeien van de leibeuken evenmin op die grondslag worden toegewezen.

4.7.
[eiser] heeft voorts gesteld dat de door [gedaagden] aangebrachte verlichting, enerzijds bestaande uit een lamp bij de achterdeur van [gedaagden] , die boven de erfafscheiding hangt en anderzijds uit de door [gedaagden] op de bodem van zijn tuin, onder de leibeuken en op andere plekken aangebrachte lampjes, onrechtmatige hinder veroorzaakt. Dit standpunt wordt door de voorzieningenrechter gevolgd. De voorzieningenrechter acht het voldoende aannemelijk dat [eiser] hinder ondervindt van de door [gedaagden] aangebrachte verlichting. De voorzieningenrechter acht in dat kader van belang dat [gedaagden] niet hebben weersproken dat sprake is van opwaarts schijnende verlichting die enkel dient als sfeerverlichting in de tuin van [gedaagden] Op grond van de in het geding gebrachte foto’s staat vast dat de lampen (onder meer) de leibeuken van [gedaagden] van onderaf verlichten, hetgeen in de tuin van [eiser] goed zichtbaar is, nu deze ver boven de erfafscheiding uitsteken. Op grond van de overgelegde foto’s staat eveneens vast dat de lamp bij de buitendeur van [gedaagden] goed zichtbaar is vanuit het perceel van [eiser] , hetgeen door [gedaagden] ook niet is weersproken. Ondanks verzoek daartoe van [eiser] zijn [gedaagden] niet bereid de verlichting in de tuin van kleine kapjes te voorzien, die voorkomen dat het licht niet direct naar boven schijnt. De voorzieningenrechter ziet in dit samenstel van feiten, waarbij gewicht wordt gehecht aan het feit dat de verlichting niet noodzakelijk is en enkel vanuit esthetisch punt is aangebracht, terwijl [eiser] voortdurend met dit licht wordt geconfronteerd en op die wijze niet het ongestoord genot heeft van zijn eigendom, omdat hij de verlichting ervan niet zelf kan bepalen, voldoende reden om te oordelen dat de verlichting onrechtmatige hinder oplevert. [gedaagden] hebben nog wel gesteld dat de verlichting uit veiligheidsoogpunt is aangebracht, maar daaraan komt geen doorslaggevende betekenis toe nu niet in geschil is dat de tuinverlichting uit gaat als [gedaagden] naar bed gaan.
4.8.
De ten behoeve van genoemde percelen gevestigde erfdienstbaarheid van toevoer van licht, waarnaar [gedaagden] in dit verband verwijzen, maakt het voorgaande niet anders. Op grond van deze erfdienstbaarheid heeft [eiser] enige vorm van toevoer van licht vanuit het perceel van [gedaagden] te accepteren. De erfdienstbaarheid brengt echter niet mee dat [eiser] deze vorm van verlichting, op een hoogte die ver boven de erfafscheiding uitkomt, behoeft te dulden.
4.9.
Het voorgaande betekent dat het onder 2 en 3 gevorderde zal worden toegewezen als na te melden. Aan die veroordeling zal eveneens een dwangsom worden verbonden, die in hoogte zal worden beperkt en waaraan een matigingsclausule van na te melden inhoud zal worden verbonden.
4.10.
Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.
beslissing

5

De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt [gedaagden] om gedurende de periode na zonsondergang de aanwezige leibeuken en andere objecten te verlichten,
5.2.
gebiedt [gedaagden] om een zodanige voorziening te treffen dat het strooilicht dat afkomstig is van de lamp bij de achterdeur van de woning van [gedaagden] niet langer zichtbaar is vanuit de tuin en/of woning van [eiser] ,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 en 5.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen,
5.4.
bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voorzover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, (mede)in aanmerking genomen de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2019.