Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:4615

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 09-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:4615, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/1171


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK OOST-BRABANTuitspraak van de meervoudige kamer van 9 augustus 2019 in de zaak tussen [naam] , eiserde minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigden: mr. T.M.D. Buruma, mr F.T.C. Dölle),
(gemachtigden: mr. R. Geraedts, mr. Y.C. Bijl en H. Joosse).

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1171

en

ECLI:NL:RBOBR:2019:4615:DOC
nl

RECHTBANK OOST-BRABANTuitspraak van de meervoudige kamer van 9 augustus 2019 in de zaak tussen [naam] , eiserde minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigden: mr. T.M.D. Buruma, mr F.T.C. Dölle),
(gemachtigden: mr. R. Geraedts, mr. Y.C. Bijl en H. Joosse).
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 18/1171

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2017 (hierna: het aanwijzingsbesluit) heeft verweerder eiser aangewezen als persoon op wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II (hierna: de Sanctieregeling) van toepassing is. Van dit besluit is op 25 juli 2017 mededeling gedaan in de Staatscourant (Staatscourant 2017, nummer 42141). Deze mededeling is in de Staatscourant van 3 augustus 2018 gerectificeerd, omdat in de mededeling per abuis een verkeerde geboortedatum van eiser was vermeld ( [geboortedag] 1994 in plaats van [geboortedag] 1994).

Bij besluit van 5 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het aanwijzingsbesluit gehandhaafd.

Eiser heeft op 16 mei 2018 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om hem vrij te stellen van de verplichting om voor het beroep griffierecht te betalen.

Verweerder heeft bij brief van 6 juni 2018 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend, waaronder een ambtsbericht van 28 maart 2017 (hierna: het ambtsbericht) van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (AIVD).

Eiser heeft bij brief van 13 juni 2018 de gronden van het beroep ingediend en heeft deze bij brief van 1 maart 2019 aangevuld.

Verweerder heeft op 22 augustus 2018 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de AIVD verzocht om de onderliggende stukken van het ambtsbericht in te zenden. Onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de AIVD medegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven om mede op grond van die stukken uitspraak te doen. De rechtbank heeft op 22 februari 2019 in het kantoor van de AIVD kennis genomen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na een schorsing van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank, in de hoedanigheid van geheimhoudingsrechter in de zin van artikel 8:29 van de Awb, alsnog beslist dat beperking van de kennisneming van de onderliggende stukken van het ambtsbericht gerechtvaardigd is. Met instemming van partijen heeft de rechtbank in dezelfde samenstelling de zaak verder inhoudelijk behandeld.

overwegingen

Overwegingen

Verzoek om nihilstelling

1. Naar aanleiding van het door eiser ingediende verzoek om nihilstelling van het griffierecht oordeelt de rechtbank dat gelet op de beschikbare gegevens aannemelijk is dat eiser onvoldoende inkomen en geen vermogen heeft en dat het niet betalen van het, in beginsel verschuldigde, griffierecht in dit geval verschoonbaar is. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht daarom toe.

Relevante regelgeving

2.1.
De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) heeft op 28 september 2001 resolutie 1373 (Trb. 2001, 179, Resolutie 1373) vastgesteld op grondslag van Hoofdstuk VII van het Handvest van de VN. Aanleiding voor deze resolutie vormden de terroristische aanslagen die op 11 september 2001 plaatsvonden in de Verenigde Staten van Amerika. De resolutie verplicht de lidstaten van de VN in artikel 1 tot het bevriezen van de tegoeden van personen die terroristische daden plegen of proberen te plegen, vergemakkelijken of daaraan deelnemen, van de entiteiten die aan die personen toebehoren of door hen worden gecontroleerd, en van de personen en entiteiten die in naam of in opdracht van die personen en entiteiten handelen. Dit artikel stelt:
“all States shall (…) (c) freeze without delay funds and other financial assets or economic resources of persons who commit, or attempt to commit, terrorist acts or participate in or facilitate the commission of terrorist acts; of entities owned or controlled directly or indirectly by such persons; and of persons and entities acting on behalf of, or at the direction of such persons and entities, including funds derived or generated from property owned or controlled directly or indirectly by such persons and associated persons and entities (…)

2.2.
Artikel 48, tweede lid van het Handvest van de VN bepaalt dat de besluiten van deVN-veiligheidsraad door de leden van de VN rechtstreeks, of door middel van hun optreden in de daarvoor in aanmerking komende internationale instellingen waarvan zij lid zijn, worden uitgevoerd.
2.3.
Mede ter uitvoering van Resolutie 1373 heeft de Raad van de Europese Unie (verder: de Raad) op 27 december 2001 het Gemeenschappelijk Standpunt betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (2001/931/GBVB) en het Gemeenschappelijk Standpunt inzake terrorismebestrijding (2001/930/GBVB) aangenomen. Het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/930/GBVB stelt in artikel 2 dat
2.4.
De Sanctiewet 1977 bevat in afdeling 2 een grondslag voor de vaststelling van regelingen die nodig zijn ter uitvoering van internationale sancties. Zo bepaalt het eerste lid van artikel 2:
“ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, kunnen bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde onderwerpen regels worden vastgesteld.”

Het tweede lid van dat artikel bepaalt:

”indien de te stellen regels uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties kan Onze Minister deze vaststellen”.

Ingevolge artikel 3 kunnen de te stellen regels onder andere betreffen: het goederen-, diensten-, en financieel verkeer.

2.5.
Met het oog hierop is onder andere de Sanctieregeling tot stand gekomen. De bepalingen van deze regeling zijn van toepassing op personen en organisaties die door een besluit van de minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de minister van Justitie en de minister van Financiën zijn aangewezen. Tot de vaststelling van een dergelijk besluit kan blijkens de toelichting bij de Sanctieregeling worden overgegaan indien er voldoende aanwijzingen zijn dat betrokkenen gerekend kunnen worden tot de kring van personen en organisaties, bedoeld in Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van 29 september 2001 of Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de EU van 27 december 2001 (2001/930 GVB) inzake terrorismebestrijding. Artikel 2 van de Sanctieregeling bepaalt dat alle middelen die toebehoren aan personen en organisaties, aangewezen door de minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de ministers van Justitie en van Financiën, worden bevroren.
2.6.
Bij besluit van 25 juli 2013 heeft de Raad de plaatsing van de organisatie Devrimci Halk Kurtuluş Partisi-Cephesi (DHKP/C) op de Europese terrorismelijst gehandhaafd (Besluit 2013/395, bijlage, onder “groepen en entiteiten”, nummer 23). De plaatsing van de DHKP/C op die lijst is gebaseerd op beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk (VK) en de minister van Buitenlandse zaken van de Verenigde Staten (VS). Het VK heeft de DHKP/C in maart 2001 op grond van de Terrorism Act toegevoegd aan de lijst met verboden organisaties. De VS hebben de DHKP/C op grond van Executive Order 13224 in oktober 2001 geplaatst op de lijst van terroristische organisaties.
Het aanwijzingsbesluit

3. Bij het aanwijzingsbesluit heeft verweerder, in overeenstemming met de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Financiën, eiser aangewezen als persoon op wie de Sanctielijst Terrorisme 2007-II van toepassing is. Deze aanwijzing heeft onder meer tot gevolg dat de tegoeden van eiser zijn bevroren en hem geen middelen ter beschikking mogen worden gesteld. Aan het aanwijzingsbesluit ligt het ambtsbericht ten grondslag. Daaruit heeft verweerder geconcludeerd dat eiser betrokken is bij de op de terrorismelijst van de Raad als terroristisch aangemerkte organisatie DHKP/C, fondsen werft voor deze organisatie en het blad Yürüyüş, waarin aanslagen en aanslagplegers van de DHKP/C worden verheerlijkt, verspreidt. Door deze activiteiten ondersteunt eiser volgens de AIVD de terroristische activiteiten van de DHKP/C. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het aanwijzingsbesluit gehandhaafd.

Het beroep en de beoordeling daarvan

4.1.
Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 15 november 2018 in de zaak van de PKK tegen de Raad (zaak T-316/14, ECLI:EU:T:2018:788) heeft eiser aangevoerd dat de Raad de handhaving van de DHKP/C op de Europese terrorismelijst onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de plaatsing van de DHKP/C op die lijst daarom niet ten grondslag mag worden gelegd aan het aanwijzingsbesluit. In het PKK-arrest verklaarde het Hof handelingen van de Raad in de periode 2014-2017 om de plaatsing van de PKK op de Europese terrorismelijst te handhaven nietig, omdat de Raad deze handelingen – die elk half jaar worden bezien – ontoereikend had gemotiveerd. Het Hof overwoog dat er geruime tijd was verstreken tussen de vaststelling van de beslissingen die ten grondslag lagen aan de aanvankelijke plaatsing van de PKK op de Europese terrorismelijst (door de VK in 2001 en VS in 1997 en 2001) en de vaststelling van de bestreden handelingen van de Raad tot handhaving van de PKK op de Europese terrorismelijst (2014). Louter op grond van het feit dat een tijdspanne van meer dan tien jaar was verstreken, kan volgens het Hof worden aangenomen dat de beslissingen van het VK en de VS niet langer volstonden om te beoordelen of op de dag van de vaststelling van de bestreden handelingen nog steeds het gevaar bestond dat de PKK bij terroristische activiteiten was betrokken, aldus eiser.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat de Raad in de Statement of Reasons van 23 november 2017, die verweerder voorafgaand aan het bestreden besluit aan eiser heeft toegezonden, heeft geconcludeerd dat de DHKP/C op de Europese terrorismelijst moet worden gehandhaafd. De beslissing van 2001, die was gebaseerd op aanslagen van 1994 tot 1999, en de evaluatie daarvan in oktober 2013 heeft geleid tot handhaving van de DHKP/C op de terrorismelijst, mede gelet op aanslagen van 2012 tot 2013. Anders dan in het door eiser aangehaalde arrest van het Hof met betrekking tot de PKK, waarin sprake was van een tijdsverloop van meer dan tien jaar, is in het geval van de DHKP/C een periode van vier jaar verstreken na de nationale beslissing tot de handeling van de Raad tot handhaving op de Europese terrorismelijst. Daarom kan niet, zoals in het arrest met betrekking tot de PKK, worden geoordeeld dat louter op grond van het tijdsverloop de nationale beslissingen niet langer volstonden als grondslag voor de handhaving van de DHKP/C op de Europese terrorismelijst. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de handhaving van de DHKP/C op de Europese terrorismelijst met voldoende actuele gegevens is gemotiveerd ter zitting nog verwezen naar het arrest van het Hof van 6 maart 2019 in een zaak van Hamas tegen de Raad (zaak T-289/15, www.curia.europa.eu).In deze zaak heeft het Hof in punt 156 geoordeeld dat de feiten van 2011 tot 2014 in ieder geval recent genoeg zijn om de bestreden handelingen (handhaving van de plaatsing in 2015) te rechtvaardigen. Ook daarom kan naar het oordeel van de rechtbank aan hetPKK-arrest niet de betekenis worden toegekend die eiser daaraan gehecht wil zien. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geen twijfel over de geldigheid van de handeling van de Raad betreffende handhaving van de DHKP/C op de Europese terrorismelijst. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, zoals eiser heeft bepleit.
5.1.
Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zijn vergewisplicht onvoldoende is nagekomen. Verweerder heeft weliswaar kennis genomen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht, maar uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder zich ervan heeft vergewist of de AIVD informatie van de Turkse autoriteiten aan het ambtsbericht ten grondslag heeft gelegd. Eiser acht dit van belang, omdat de Turkse autoriteiten volgens hem snel aannemen dat iemand terroristische activiteiten ondersteunt. Eiser voert verder aan dat verweerder zijn verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie schendt, door alleen het ambtsbericht met conclusies aan eiser te overleggen. Verweerder heeft volgens eiser ondeugdelijk gemotiveerd waarom de openbare veiligheid zich verzet tegen volledige verstrekking.
5.2.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat indien uit een ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie vervat in het ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, voor verweerder geen aanleiding bestaat om de aan dat ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien, tenzij de desbetreffende vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat ambtsbericht naar voren heeft gebracht. In beginsel mag er van worden uitgegaan dat door de AIVD verricht onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat vermelding van de aan een ambtsbericht van de AIVD ten grondslag liggende bron, dan wel bronnen, achterwege mag blijven vanwege de vertrouwelijkheid ervan (Afdeling 29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN8600).
5.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder niet de beschikking, maar wel inzage heeft gehad in de onderliggende stukken van het ambtsbericht. Anders dan eiser betoogt, strekt verweerders vergewisplicht niet zo ver dat verweerder onderzoek had moeten instellen naar de bronnen die de AIVD heeft gebruikt bij het verkrijgen van de onderliggende informatie. De AIVD controleert de betrouwbaarheid van haar bronnen en draagt zorg voor de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens en bronnen en de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld. Hierop vindt controle plaats door de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten.
5.4.
Ook de rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder zijn verdedigingsrechten heeft geschonden door slechts het ambtsbericht te verstrekken. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag gelegde gegevens niet aan eiser kunnen worden verstrekt, gelet op de vertrouwelijkheid hiervan. Eiser heeft weliswaar niet de aan de onderliggende stukken van het ambtsbericht kunnen inzien, maar verweerder hem wel tijdig en voldoende in kennis gesteld van de argumenten die aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag zijn gelegd. Deze argumenten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet geformuleerd om daartegen in rechte te kunnen opkomen.
6. De beroepsgrond dat verweerder eiser voorafgaand aan het aanwijzingsbesluit ten onrechte geen gelegenheid tot het indienen van een zienswijze heeft gegeven, slaagt niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende overtuigend gemotiveerd dat eiser, indien geen sprake zou zijn van het aan het aanwijzingsbesluit verbonden verrassingseffect, in staat zou zijn om de op zijn bankrekening aanwezige tegoeden er af te halen. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:11, aanhef en onder c, van de Awb kon verweerder daarom achterwege laten om eiser in staat te stellen een zienswijze in te dienen.

7.1.
Eiser heeft betoogd dat uit artikel 2 van de Sanctiewet 1977 volgt dat uitsluitend op grond van internationale verplichtingen kan worden overgegaan tot bevriezing van de tegoeden van een persoon. Eiser betoogt verder dat Resolutie 1373 niet verplicht tot sanctionering, omdat de betrokken bepaling onvoldoende nauwkeurig is om rechtstreekse werking te hebben. De in artikel 1, aanhef en onder c, van Resolutie 1373 gegeven verplichting geeft volgens eiser namelijk onvoldoende duidelijk aan wie tot deze kring van personen behoren. Eiser verwijst naar de conclusie van Advocaat-Generaal mr. E.J. Hofstee van 11 oktober 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:967) bij het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:574), waarin het standpunt wordt ingenomen dat de verplichting in paragraaf 2, aanhef en onder e, van Resolutie 1373 onvoldoende nauwkeurig is om rechtstreekse werking te hebben. Omdat eiser niet vermeld staat op een Europese sanctielijst, brengt ook het EU-recht geen verplichting tot het nemen van een bevriezingsmaatregel, aldus eiser.
7.2.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat artikel 1, aanhef en onder c, van Resolutie 1373 een verplichting voor staten inhoudt om tegoeden te bevriezen van personen die terroristische activiteiten faciliteren. Het betreft een bindende resolutie van de Veiligheidsraad die op hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties is gebaseerd. Dat deze verplichting geen rechtstreekse werking heeft zodat individuen hierop geen beroep kunnen doen voordat deze is geïmplementeerd in nationale wet- en regelgeving, doet er niet aan af dat de verplichting voor de Nederlandse staat bindend is.
7.3.
De rechtbank onderschrijft ook het standpunt van verweerder dat de internationale verplichting om tegoeden te bevriezen van personen die terroristische activiteiten faciliteren, op juiste wijze is geïmplementeerd in nationale wet- en regelgeving. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Sanctiewet 1977, kan verweerder regels vaststellen die strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of uit bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling Terrorisme 2007-II, voor zover van belang, kan verweerder een aanwijzingsbesluit vaststellen ten aanzien van personen die behoren tot de kring van personen bedoeld in Resolutie 1373. Met betrekking tot de formulering van artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling heeft verweerder gesteld dat het woord ‘ er niet op duidt dat hem een discretionaire bevoegdheid toekomt om al dan niet tot het vaststellen van een aanwijzingsbesluit over te gaan. Niet uitgesloten is dat op internationaal niveau op basis van internationale regels al tot bevriezing van de tegoeden van de betrokkene is overgegaan. Het woord ‘ in artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling strekt er slechts toe om verweerder uitsluitend onder die omstandigheden de mogelijkheid te bieden van het vaststellen van een aanwijzingsbesluit en daarmee het bevriezen van tegoeden af te zien.De rechtbank volgt het standpunt van verweerder en neemt daarbij in aanmerking dat deze uitleg strookt met het imperatieve karakter van artikel 1 van Resolutie 1373, op grond waarvan verweerder gehouden is over te gaan tot het vaststellen van een aanwijzingsbesluit indien sprake is van voldoende aanwijzingen dat de betrokkene tot de kring van personen of organisaties als bedoeld in Resolutie 1373 behoort.
8.1.
Eiser stelt dat hij niet gerekend kan worden tot de kring van personen als bedoeld in artikel 1, sub c, van Resolutie 1373. Verweerder heeft niet gemotiveerd betwist dat de bijdrage van eiser aan de DHKP/C slechts is gebaseerd op het verspreiden van het tijdschrift Yürüyüş en de kosten die met de publicatie daarvan zijn gemoeid. Deze activiteiten kunnen niet bijdragen aan het oordeel dat iemand hoort tot de kring van personen. Verheerlijken van terroristische daden is niet aan te merken als medeplegen daarvan of medeplichtigheid daaraan. Bovendien is uit het besluit niet gebleken dat er een (financiële) relatie is tussen het tijdschrift en de DHKP/C. Ook als zou worden aangenomen dat het werven van gelden voor het tijdschrift gelijk te stellen is met het werven van fondsen voor de DHKP/C, is niet voldaan aan artikel 1, sub c, van Resolutie 1373. Het werven van fondsen voor een organisatie op de EU-lijst valt immers niet onder deze definitie, eerder onder artikel 1, sub d, van Resolutie 1373.
8.2.
De rechtbank oordeelt dat de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken een voldoende concrete en objectieve onderbouwing bevatten van de in het ambtsbericht opgenomen conclusie dat eiser zich bezighoudt met het werven van fondsen ten behoeve van de DHKP/C. Eisers niet gemotiveerde ontkenning hiervan kan niet worden aangemerkt als een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. De rechtbank volgt verweerder dat het werven van fondsen voor een organisatie op de Europese terrorismelijst dient te worden aangemerkt als faciliteren van terroristische activiteiten, dat valt onder artikel 1, sub c, van Resolutie 1373. Verweerder heeft reeds daarom op goede gronden geoordeeld dat eiser behoort tot de kring van personen zoals bedoeld in deze bepaling.
9. Voor zover de fondsenwerving door eiser bestaat uit het verspreiden van het tijdschrift Yürüyüş, faalt het betoog van eiser dat het aanwijzingsbesluit een inmenging vormt op de vrijheid van meningsuiting in de zin van artikel 10, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft in dit verband terecht gesteld dat de bevriezingsmaatregel de verspreiding van het tijdschrift niet verbiedt of anderszins onmogelijk heeft gemaakt.
10. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft aangenomen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat eiser behoort tot de kring van personen, zoals bedoeld in artikel 1, sub c, van Resolutie 1373 en dat verweerder daarom gelet op de relevante internationaalrechtelijke bepalingen gehouden was om ten aanzien van eiser een aanwijzingsbesluit af te geven.
11.1 .
Eiser heeft gesteld dat verweerders besluitvorming niet voldoet niet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit en dat een zorgvuldige belangenafweging ontbeert. Verweerder heeft niet uitgelegd waarom hij niet kon volstaan met een minder verstrekkende maatregel. Verweerder heeft zich bovendien onvoldoende rekenschap gegeven van de gevolgen die het aanwijzingsbesluit voor eiser en zijn familie heeft gehad.
11.2.
De rechtbank oordeelt dat verweerders besluitvorming niet in strijd is met de beginselen van subsidiariteit, proportionaliteit en evenredigheid. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de ingrijpende effecten van het aanwijzingsbesluit in juiste verhouding staan tot het doel daarvan, te weten het afsnijden van potentiële financiële voeding van terroristische activiteiten. Hierbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser de mogelijkheid heeft om een verzoek in te dienen tot ontheffing voor primaire levensbehoeften. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Het beroep is ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning , voorzitter en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. drs. S. van Lokven, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 9 augustus 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.