Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:2763

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:2763, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 333671 / HA ZA 18-302


Bron: Rechtspraak


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

center
100
61190cbd-5b0b-4f33-929a-e694df561734
2
13
image/png

center
100
5814def0-70df-4414-8102-acf3eee998a7
2
523
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel RechtZittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/333671 / HA ZA 18-302

Vonnis van 15 mei 2019

in de zaak van

[V] BEHEER B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[Vd W] BEHEER B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,eiseressen,advocaat mr. E.H.W. van Nijnatten te Eindhoven,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ENEXIS NETBEHEER B.V.

gevestigd te 's-Hertogenbosch,gedaagde,advocaat mr. E.J.W.M. van Niekerk te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [V] c.s. en Enexis genoemd worden.

ECLI:NL:RBOBR:2019:2763:DOC
nl

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
center
100
61190cbd-5b0b-4f33-929a-e694df561734
2
13
image/png

center
100
5814def0-70df-4414-8102-acf3eee998a7
2
523
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel RechtZittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/333671 / HA ZA 18-302

Vonnis van 15 mei 2019

in de zaak van

[V] BEHEER B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[Vd W] BEHEER B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,eiseressen,advocaat mr. E.H.W. van Nijnatten te Eindhoven,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ENEXIS NETBEHEER B.V.

gevestigd te 's-Hertogenbosch,gedaagde,advocaat mr. E.J.W.M. van Niekerk te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [V] c.s. en Enexis genoemd worden.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

het tussenvonnis van 24 oktober 2018

de depotakte met depotnummer 9/2019

het proces-verbaal van comparitie van 14 maart 2019.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2

2.1.
[V] c.s. zijn de indirecte aandeelhouders van [aannemer W] B.V. (hierna: [aannemer W] ), die op 29 april 2014 failliet is verklaard. Enexis was de grootste opdrachtgever van [aannemer W] .
2.2.
Volgens [V] c.s. is het faillissement van [aannemer W] het gevolg van twee acties van Enexis: 1) het intrekken van 359 saneringsopdrachten die Enexis eerder aan [aannemer W] gegeven had, en 2) het doen van onjuiste mededelingen over een krimp van 25% van te verwachten werk. [V] c.s. meent dat Enexis daarmee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [aannemer W] en tegenover de schuldeisers van [aannemer W] . De curator in het faillissement van [aannemer W] en een groot deel van de schuldeisers van [aannemer W] hebben hun schadevorderingen op Enexis overgedragen aan [V] c.s..
2.3.
Enexis betwist dat haar acties onrechtmatig waren en dat die acties de oorzaak waren van het faillissement van [aannemer W] .
2.4.
Op verzoek van [V] c.s. zijn voorlopige getuigenverhoren gehouden, waarbij medewerkers van [aannemer W] , Enexis en de provincie Noord-Brabant als getuige werden gehoord.
3

3.1.
[aannemer W] hield zich bezig met infrastructurele werken en kabel-, grond- en graafwerkzaamheden in de provincies Noord-Brabant en Limburg. Haar activiteiten waren onderverdeeld in twee business units. Voor de business unit [W. Distributie] werkten 115 fte medewerkers (waarvan 84 fte voor de productie en de rest voor overhead). Voor de business unit [W. Projecten] werkten 15 fte medewerkers.
3.2.
Enexis beheert elektriciteits- en gasleidingen in onder andere de provincies Noord-Brabant en Limburg. Enexis geeft opdrachten aan aannemers voor het aanleggen of vervangen van leidingen. Zij verdeelt die opdrachten onder in “klantgedreven” en “eigengedreven” opdrachten. Bij de klantgedreven opdrachten ligt het initiatief bij een opdrachtgever van Enexis, zoals bij het aanleggen van leidingen naar een nieuwbouwwoning of bij een renovatieopdracht van de provincie. Bij de eigengedreven opdrachten ligt het initiatief bij Enexis zelf, zoals bij sanering van oude leidingen of uitbreidingen van het netwerk.
3.3.
Enexis en [aannemer W] werkten vanaf 2006 met elkaar samen. [aannemer W] begon de samenwerking als zgn. Synfra-aannemer. Enexis is samen met andere leidingbeheerders aangesloten bij de Stichting Synfra, die de werkzaamheden van de aangesloten leidingbeheerders coördineert. [aannemer W] kreeg alle Synfra-opdrachten van Enexis en andere leidingbeheerders in een bepaald gebied op basis van vaste tarieven. Daarnaast gaf Enexis vanaf 2010 aan [aannemer W] opdrachten voor het saneren van oude gasaansluitingen en leidingen (dat saneringswerk viel buiten het Synfra-verband).
3.4.
[aannemer W] leed in 2009 en vooral 2010 flinke verliezen, waardoor zij eind 2010 een negatief eigen vermogen had van € 1.683.016,. [aannemer W] werd overeind gehouden dankzij investeringen van de BOM en [V] c.s. en extra kredieten van huisbankier Rabobank. De Rabobank wees [de L] van Inter Actus aan om toezicht te houden op de bedrijfsvoering van [aannemer W] . In 2012 schakelde [aannemer W] ook [Van H] als adviseur in.
3.5.
Het Synfra-werk bleek verliesgevend voor [aannemer W] . Dat probleem werd voor 2011 opgelost doordat Enexis tot eind 2011 een minimaal rendement voor [aannemer W] garandeerde, maar Enexis wilde die garantie daarna niet verlengen. [aannemer W] stopte daarom per 1 januari 2012 als Synfra-aannemer. In plaats daarvan ging zij werken als onderaannemer voor Synfra-aannemers. [aannemer W] ging wel verder met het saneringswerk rechtstreeks in opdracht van Enexis.
3.6.
Daarna ging het beter met [aannemer W] . Haar negatieve eigen vermogen was eind 2011 gedaald naar € 1.598.243,, eind 2012 naar € 959.599, en eind 2013 naar € 197.090,. De kredieten bij de Rabobank werden afgebouwd, maar moesten van de Rabobank nog verder worden afgebouwd.
3.7.
Enexis stelde jaarlijks een budget vast voor de eigengedreven opdrachten. Daarna besprak Enexis aan het begin van het jaar met alle aannemers die zij voor het saneringswerk inschakelde, hoeveel saneringen iedere aannemer dat jaar zou uitvoeren. Iedere aannemer kreeg van Enexis een voorraad van een aantal werkmappen met gegevens over de op een bepaald adres te saneren leidingen. Zodra die voorraad slonk, kon de aannemer zelf om nieuwe werkmappen vragen. Later in het jaar bekeek Enexis hoe ver de aannemers met het saneringswerk waren. Als een aannemer vanwege ander werk niet in staat was om het volledig aantal saneringen uit te voeren dat aan het begin van het jaar was besproken, werd het resterende aantal toegekend aan andere saneringsaannemers die daarvoor wel tijd hadden. In de jaren 2011 tot en met 2013 voerde [aannemer W] steeds meer saneringen uit dan het aantal dat aan het begin van het jaar met haar was besproken (bijvoorbeeld waren voor 2013 1.200 saneringen besproken, maar voerde [aannemer W] in dat jaar feitelijk 1.673 saneringen uit).
3.8.
Voor de uitvoering van het saneringswerk maakte [aannemer W] eerst ter plekke een proefsleuf, zodat zij wist welke materialen en welke werkzaamheden voor de sanering nodig waren. Die materialen kocht [aannemer W] van Enexis. [aannemer W] hield een bulkvoorraad aan van materialen voor alle soorten saneringen en bestelde regelmatig bij Enexis nieuwe materialen ter aanvulling van die voorraad. Na de proefsleuf maakte [aannemer W] een afspraak met de klant van Enexis en plande zij welke ploeg het werk zou uitvoeren. Nadat het werk was uitgevoerd, meldde [aannemer W] dat aan Enexis. Als het saneringswerk van een werkmap niet uitvoerbaar bleek, meldde [aannemer W] dat ook aan Enexis.
3.9.
De aantallen saneringen voor het jaar 2014 werden besproken op 28 januari 2014 (notulen prod. 6 Enexis). Voor [aannemer W] werd een aantal van 1.400 saneringen besproken. Enexis wees er tijdens deze bespreking op dat de genoemde aantallen een prognose waren, omdat het mogelijk was dat het saneringswerk richting de Synfra-aannemers zou verschuiven. [aannemer W] gaf tijdens deze bespreking aan dat zij het grootste deel van de saneringen voor 2014 zou uitvoeren in het eerste kwartaal van 2014, omdat zij een grote opdracht in het tweede kwartaal van 2014 verwachtte (schriftelijke verklaringen [Vd W] en [B] bij prod. 16 en 17 [V] c.s.).
3.10.
Op 9 januari 2014 zond Enexis aan [aannemer W] een rappellijst (e‑mail prod. 20a [V] c.s.). Volgens die rappellijst waren 1.226 saneringsadressen nog niet uitgevoerd (waarvan het merendeel volgens de lijst in december 2013 door Enexis was verstrekt). Daarvan waren 41 saneringsadressen vóór 1 januari 2013 aan [aannemer W] verstrekt. Enexis verzocht om die adressen met voorrang uit te voeren.
3.11.
De eerste maanden van 2014 kregen de Synfra-aannemers nauwelijks opdrachten van Enexis. Dat is gebruikelijk voor de wintertijd, maar in 2014 bleven de opdrachten van Enexis langer uit dan normaal, in ieder geval tot en met april 2014. Bovendien was er in de winter van 2013/2014 nauwelijks sprake van vorst, zodat de aannemers voor liepen op hun schema. Omdat het werkaanbod stagneerde, voorzagen de Synfra-aannemers dat ze rond de bouwvak geen werk meer zouden hebben (e-mail [Bt] bij prod. 15 [V] c.s.). De Synfra-aannemers besloten daarom hun onderhanden werk zelf uit te voeren en dat werk niet uit te besteden aan onderaannemers zoals [aannemer W] . [aannemer W] concentreerde zich daarom in de eerste maanden van 2014 op het saneringswerk voor Enexis.
3.12.
[aannemer W] kreeg op 12 februari 2014 540 nieuwe werkmappen van Enexis en in de periode daarna tot 25 maart 2014 nog 10 nieuwe werkmappen. Daarmee beschikte [aannemer W] over meer werkmappen dan het voor 2014 besproken aantal van 1.400. Op 27 maart 2014 stonden nog 820 saneringsadressen open, waarvan geen meer van vóór 1 januari 2013 (rappellijst prod. 20b [V] c.s.).
3.13.
Over het eerste kwartaal van 2014 leed [aannemer W] een verlies van € 343.502,. Eind maart 2014 besloot [aannemer W] ontslag aan te vragen voor een deel van het personeel van [W. Distributie] . De daarvoor bij de kantonrechter ingediende verzoeken zouden op 22 en 23 mei 2014 worden behandeld (prod. 37 [V] c.s.).
3.14.
Bij e-mail van Enexis aan [aannemer W] van 2 april 2014 (prod. 7 Enexis) waarschuwde Enexis dat [aannemer W] al 1.156 saneringen had uitgevoerd. Enexis wees erop dat een jaarproductie van 1.400 saneringen was overeengekomen en dat Enexis zich strikt aan de afgesproken hoeveelheden moest houden, zodat [aannemer W] haar productie aanzienlijk moest inkrimpen. Enexis meldde dat zij absoluut geen budget had om meer te realiseren dan afgesproken.
3.15.
Bij e-mail van 7 april 2014 (prod. 8 Enexis) wees Enexis [aannemer W] erop dat [aannemer W] op dat moment al 1.349 saneringen had uitgevoerd en dat de productie van [aannemer W] met de nog op te leveren saneringen over het afgesproken aantal van 1.400 heen ging. Enexis deelde mee dat [aannemer W] daarom per direct moest stoppen met het saneringswerk.
3.16.
Bij e-mail van 14 april 2014 (prod. 10 bij prod. 8 [V] c.s.) deelde Enexis mee dat [aannemer W] direct moest stoppen met het vervangen van leidingen, ook als [aannemer W] al werk had ingepland. Enexis kondigde aan dat zij de productie boven het afgesproken aantal van 1.400 niet zou betalen. Zij verzocht [aannemer W] de in haar bezit zijnde werkmappen terug te sturen naar Enexis.
3.17.
[aannemer W] had op dat moment over 2014 totaal 1.592 saneringen voor Enexis uitgevoerd (die uiteindelijk toch allemaal door Enexis werden betaald). [aannemer W] had daarna nog 359 werkmappen liggen. [V] c.s. heeft feitelijk 346 originele werkmappen op de griffie gedeponeerd (volgens [V] c.s. omdat een aantal mappen meerdere saneringen bevatten). Omdat in de stukken steeds sprake is van 359 werkmappen, zal de rechtbank in dit vonnis dat aantal blijven gebruiken. De 359 werkmappen zouden voor [aannemer W] een omzet van bijna € 300.000, opleveren en [aannemer W] zou met die 359 werkmappen 50 werknemers zes weken aan het werk kunnen houden.
3.18.
[aannemer W] maakte samen met enkele branchegenoten een afspraak voor een bespreking met het bestuur van Enexis, maar die afspraak werd door Enexis afgezegd en [aannemer W] werd verwezen naar de heren [L] (manager Productie van Enexis) en [W] (manager Aannemerij van Enexis).
3.19.
Op Goede Vrijdag 18 april 2014 vond een bespreking plaats tussen de heren [L] en [W] namens Enexis en de heren [V] , [Vd W] en [Van H] namens [aannemer W] . [aannemer W] verzocht om de 359 werkmappen die zij nog had liggen, alsnog te mogen uitvoeren, maar Enexis weigerde dat. Volgens de getuigenverklaringen van de heren [V] en [Van H] (prod. 12 en 14 [V] c.s.) deelde de heer [W] tijdens deze bespreking mede dat er een krimp van 25% zou zijn in de opdrachten van Enexis voor het soort werk dat [aannemer W] (in onderaanneming) deed. De heer [W] verklaarde als getuige (prod. 13 [V] c.s.) dat hij alleen sprak over een krimp van 25% bij Alliander (een andere leidingbeheerder) en dat er bij Enexis geen sprake was van een significante krimp, al weet de heer [W] niet meer of hij dat laatste ook heeft meegedeeld. Volgens de getuigenverklaring van de heer [L] (prod. 16 [V] c.s.) is een krimp van 25% niet zo expliciet aan de orde geweest.
3.20.
Op 5 maart 2014 had Enexis haar jaarrekening over 2013 gepubliceerd (waarvan enkele pagina’s zijn overgelegd als prod. 21 [V] c.s.). In die jaarrekening gaf Enexis voor 2014 investeringen op die neerkwamen op een toename van 10% (zoals door [V] c.s. gesteld en door Enexis niet betwist).
3.21.
[aannemer W] riep de hulp in van de provincie Noord-Brabant, die grootaandeelhouder in Enexis is en samen met [aannemer W] betrokken was bij Road2Work, een project voor de opleiding van werklozen en kansarmen. Op 28 april 2014 vond een bespreking plaats tussen de provincie, Enexis en [aannemer W] . In de notulen van deze bespreking (prod. 12 bij prod. 8 [V] c.s.) staat onder meer het volgende:
“ [V] :(…) [aannemer W] voert een gedeelte van de werkzaamheden uit in onder-aanneming en zal dus bij een verminderde vraag naar capaciteit dit het eerste merken. De hoofdaannemer zal trachten zijn eigen personeel aan het werk te houden. [aannemer W] heeft direct maatregelen genomen om de overcapaciteit te reduceren echter dit is niet van de ene dag op de ander dag te regelen. (…) Om het tijdspad te kunnen overbruggen is Enexis, in het overleg van 18 april, gevraagd om de reeds in bezit zijnde huisaansluitingen te mogen maken. Hier kan de gewenste periode, ter reductie van de overcapaciteit, worden overbrugd. Dit verzoek is door Enexis afgewezen.
[V] geeft verder aan dat er meer saneringsopdracht bij [aannemer W] liggen als de in eerste instantie aangegeven hoeveelheid van 1400 en verzoekt nogmaals om de overige saneringen uit te mogen voeren. Hierdoor blijven de mensen aan het werk gedurende de overbruggingsperiode en ontstaat er geen stilstandverlies.

Enexis:(…) Men geeft duidelijk aan dat de investeringen achter blijven en zullen afnemen. De grootte van de afname zal ongeveer 25 % bedragen waardoor er in de markt een grote overcapaciteit ontstaat. Een deel van deze afname wordt gecompenseerd door het opschroeven van de vervangingsinvesteringen echter de crisis is de grote veroorzaker.(…) Hoe de toekomst er uit ziet is onbekend stelt Enexis.Tot slot heeft Enexis ,gezien de ontstane problematiek, een stellingname waarbij in eerste instantie het werk naar de contractaannemers gaat. [aannemer W] heeft zich niet gekwalificeerd als contractaannemer dus zit niet in de eerste lijn van opdracht verstrekking.
Provincie(…) Duidelijk is dat er voor [aannemer W] geen werk voorhanden is om de periode, ter overbrugging van de ingezette inkrimping, te kunnen overbruggen. Enexis is niet bereid hierin een oplossing te bieden door werk uit te laten voeren door [aannemer W] , ook de reeds in bezit zijnde saneringen van huisaansluitingen mogen niet meer worden uitgevoerd.
[V] : [V] geeft aan dat, indien dit niet realiseerbaar is, hij na beëindiging van dit overleg het faillissement van [aannemer W] aan gaat vragen.”
3.23.
[aannemer W] vroeg dezelfde dag nog haar faillissement aan (die faillissementsaanvraag was na de eerste bespreking op 18 april 2014 al voorbereid). Op 29 april 2014 werd [aannemer W] in staat van faillissement verklaard.
3.24.
Een aantal weken na het faillissement van [aannemer W] -wanneer precies staat niet vast- begon Enexis alsnog met het geven van opdrachten aan de Synfra-aannemers.
3.25.
De curator in het faillissement van [aannemer W] droeg de activiteiten van [W. Projecten] over aan een andere vennootschap van de heer Van de Westerlo. Voor [W. Distributie] bleek een doorstart niet mogelijk omdat een grote opdrachtgever besloot de aan [aannemer W] gegeven opdracht opnieuw aan te besteden. De verwachting van de curator in het faillissement van [aannemer W] is dat de opbrengsten onvoldoende zullen zijn om de boedelkosten te kunnen betalen, zodat het faillissement bij gebrek aan baten zal moeten worden opgeheven.
3.26.
De curator in het faillissement van [aannemer W] droeg de in deze procedure geclaimde vordering van [aannemer W] op Enexis over aan [V] c.s. voor een koopprijs die bestond uit een direct te betalen bedrag en een later te betalen deel van de schadevergoeding die Enexis in deze procedure verschuldigd zal blijken aan [aannemer W] . Volgens de door [V] c.s. overgelegde akten (prod. 33) droegen ook veel (concurrente) schuldeisers van [aannemer W] hun vorderingen op Enexis over aan [V] c.s.. Enexis betwist dat deze akten door een bevoegd persoon zijn ondertekend en/of dat de door de schuldeisers geclaimde vorderingen bestaan.
3.27.
[V] c.s. liet de schade als gevolg van het door haar gestelde onrechtmatig handelen van Enexis begroten door de heer [Vd V] MSc MiF MBV RV, verbonden aan PKF Wallast (prod. 24 [V] c.s.). Enexis liet een tegenrapport uitbrengen door de heer drs. [Van P] RV, verbonden aan Hermes Advisory (prod. 14 Enexis).
4

4.1.
[V] c.s. vordert samengevat - dat de rechtbank:1) voor recht verklaart dat Enexis onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [aannemer W] en Enexis veroordeelt tot betaling aan [V] c.s. van primair een bedrag van € 26.631.282, met rente;2) voor recht verklaart dat Enexis onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de schuldeisers van [aannemer W] en Enexis veroordeelt tot betaling aan [V] c.s. van primair een bedrag van € 3.540.780,47 met rente;3) Enexis veroordeelt in de kosten van de door [V] c.s. ingeschakelde deskundige van € 59.815,14,, de kosten van de voorlopige getuigenverhoren, de proceskosten en de nakosten met rente.
4.2.
Enexis voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

5

De 359 werkmappen

5.1.
[V] c.s. stelt dat Enexis al gegeven opdrachten ten onrechte heeft ingetrokken met de mededeling dat [aannemer W] niet verder mocht werken aan de 359 werkmappen. [V] c.s. stelt zich op het standpunt dat Enexis met de terbeschikkingstelling van de 359 werkmappen opdracht heeft gegeven voor de uitvoering van het saneringswerk van die 359 werkmappen. Enexis betwist dat. Volgens Enexis heeft zij alleen op 28 januari 2014 mondeling opdracht gegeven voor 1.400 saneringen. Enexis stelt dat de saneringswerkzaamheden werden uitgevoerd op basis van een raamovereenkomst (prod. 5 Enexis), maar zij beschikt niet over een ondertekende versie van die overeenkomst. [V] c.s. ontkent dat sprake is van een door [aannemer W] ondertekende overeenkomst. Volgens [V] c.s. was het door Enexis overgelegde document ook niet bij [aannemer W] bekend.
5.2.
Omdat de door Enexis gestelde schriftelijke raamovereenkomst door [V] c.s. is betwist en Enexis niet heeft toegelicht wanneer en door wie die overeenkomst zou zijn ondertekend, moet het bestaan van die schriftelijke raamovereenkomst als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het saneringswerk, althans voor wat betreft de omvang daarvan, was gebaseerd op een of meer mondelinge overeenkomst(en). Partijen stellen niet dat bij het sluiten daarvan uitdrukkelijk is gesproken over de wijze van totstandkoming van een opdracht. Zij hebben ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid wat partijen op het moment van de totstandkoming van de mondelinge overeenkomst(en) op dit punt redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarom zal aan de hand van de feitelijke gang van zaken na het sluiten van de overeenkomst(en) en alle andere omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld of [aannemer W] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij het saneringswerk van alle aan haar ter beschikking gestelde werkmappen zou mogen uitvoeren. De raamovereenkomst van Enexis biedt op dit punt overigens geen duidelijkheid, zodat ook als deze raamovereenkomst zou gelden aan de hand van die feitelijke gang van zaken en die omstandigheden moet worden beoordeeld wat exact de status van die werkmappen is.
5.3.
Enexis stelde per jaar vooraf vast hoeveel budget zij in dat jaar had voor het saneringswerk, hoeveel saneringen zij met dat budget kon uitvoeren en hoe het totaal aantal mogelijke saneringen werd verdeeld over alle aannemers die zij voor het saneringswerk inschakelde. Voor [aannemer W] was duidelijk, of moest duidelijk zijn, dat Enexis met een budget werkte. [V] c.s. stelt immers dat [aannemer W] alle verslagen en publicaties van Enexis door nam om een beeld te krijgen van het investeringsniveau van Enexis en de capaciteit van haar werkaanbod (randnummer 2.39 dagvaarding). Als alle aannemers in een jaar meer saneringen zouden uitvoeren dan het aan het begin van het jaar met hen besproken aantal, dan zou dat betekenen dat Enexis haar budget voor saneringen fors zou overschrijden. De voor het saneringswerk ingeschakelde aannemers mochten er daarom in beginsel niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij in een jaar meer saneringen zouden mogen uitvoeren dan het aantal saneringen dan in het begin van het jaar met hen was afgesproken.
5.4.
Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat [aannemer W] vanaf 2011 elk jaar meer saneringen heeft kunnen uitvoeren dan het aan het begin van het jaar besproken aantal. Dat was niet het gevolg van overschrijding van het budget voor dat jaar door Enexis, maar van herverdeling van het gebudgetteerde aantal saneringen over de aannemers. Deze omstandigheid zou daarom hooguit kunnen betekenen dat [aannemer W] erop mocht hopen dat in de loop van 2014 aan haar meer saneringen zouden worden vergund dan aanvankelijk voorzien. Op een dergelijke hoop kan echter geen gerechtvaardigd vertrouwen worden gebaseerd. Bovendien had Enexis bij de bespreking van het aantal van 1.400 saneringen voor [aannemer W] al aangegeven dat het mogelijk was dat Enexis het saneringswerk richting de Synfra-aannemers zou verschuiven. Dat betekende dat [aannemer W] er in ieder geval serieus rekening mee moest houden dat de in de loop van het jaar eventueel bij andere aannemers overgebleven saneringen niet naar [aannemer W] , maar naar Synfra-aannemers zouden worden overgeheveld. Strikt genomen moest [aannemer W] vanwege deze aankondiging van Enexis zelfs rekening houden met de mogelijkheid dat Enexis het aantal van 1.400 saneringen nog zou kunnen verlagen (al werd Enexis in die mogelijkheid beperkt omdat zij wist dat [aannemer W] de meeste van de 1.400 saneringen zou uitvoeren in het eerste kwartaal van 2014).
5.5.
[V] c.s. wijst er op dat [aannemer W] feitelijk van Enexis meer dan 1.400 werkmappen heeft gekregen. Het standpunt van [V] c.s. komt erop neer dat [aannemer W] er op mocht vertrouwen dat zij alle van Enexis verkregen werkmappen mocht uitvoeren, omdat dat de gangbare praktijk bij Enexis was. [V] c.s. stelt dat zij alle 359 werkmappen al had voorbereid door proefsleuven te graven en personeel voor de sanering in te plannen. Enexis betwist dat bij gebrek aan wetenschap. Enexis stelt zich op het standpunt dat de werkmappen alleen de werkvoorraad van [aannemer W] betroffen en dat het altijd de aannemers waren die de omvang van hun werkvoorraad bepaalden door bij Enexis om nieuwe werkmappen te vragen. Volgens Enexis was het gebruikelijk dat aannemers extra werkmappen kregen omdat een groot percentage saneringen in de praktijk niet uitvoerbaar bleek (de getuige [Vd W] schat dat grof op 20%). [V] c.s. reageert dat de ene keer [aannemer W] om nieuwe werkmappen vroeg maar dat de andere keer Enexis zelf extra werkmappen aanbood. Het aantal niet-uitvoerbare werkmappen was in de visie van [V] c.s. minimaal (slechts 1% a 2%); [V] c.s. biedt daarvan bewijs aan.
5.6.
De houding van [aannemer W] wekt echter niet de indruk dat zij er daadwerkelijk op vertrouwde dat zij de 359 werkmappen zou mogen uitvoeren. Toen Enexis in haar e-mail van 2 april 2014 waarschuwde dat [aannemer W] zich strikt aan het afgesproken aantal van 1.400 saneringen moest houden, reageerde [aannemer W] niet met een protest dat zij het recht had om alle ontvangen werkmappen te mogen uitvoeren. Evenmin wees zij Enexis erop dat zij al werkmappen had voorbereid. Integendeel, [aannemer W] zweeg en bleef eenvoudigweg doorgaan met het saneringswerk. Die houding handhaafde [aannemer W] ook na de e-mail van 7 april 2014, waarin Enexis er bij [aannemer W] op aandrong dat [aannemer W] met het saneringswerk zou stoppen. [aannemer W] kwam pas in beweging toen Enexis in haar e‑mail van 14 april 2014 aankondigde dat zij niet meer dan 1.400 saneringen zou betalen. Maar zelfs in de besprekingen op 18 en 28 april 2014 heeft [aannemer W] niet het standpunt ingenomen dat zij recht had op uitvoering van alle 359 werkmappen waarover zij beschikte en heeft zij Enexis er niet op gewezen dat zij die 359 werkmappen al had voorbereid. [aannemer W] heeft tijdens die besprekingen alleen aan Enexis toestemming gevraagd om de 359 werkmappen alsnog te mogen uitvoeren.
5.7.
Ook als [aannemer W] inderdaad alle 359 werkmappen al had voorbereid (en met name werk had verricht door het graven van proefsleuven), dan nog speelt die voorbereiding geen rol bij de vraag of [aannemer W] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij die 359 werkmappen mocht uitvoeren. Omdat [aannemer W] nooit aan Enexis heeft gemeld dat zij al proefsleuven had gegraven, heeft Enexis immers niet de kans gehad om die omstandigheid te betrekken in haar beslissingen. Bovendien heeft [V] c.s. niet gesteld hoeveel proefsleuven [aannemer W] al had gegraven op het moment dat zij de e‑mail van Enexis van 2 april 2014 ontving. Als [aannemer W] na die datum nog proefsleuven heeft gegraven, dan komt dat hoe dan ook voor eigen rekening en risico van [aannemer W] .
5.8.
De omstandigheid dat Enexis aan [aannemer W] meer dan 1.400 werkmappen ter beschikking heeft gesteld, is op zichzelf niet doorslaggevend omdat partijen het erover eens zijn dat in de praktijk niet alle werkmappen konden worden uitgevoerd. De rechtbank ziet geen reden om aan [V] c.s. bewijs op te dragen van haar stelling dat slechts 1 à 2% van de werkmappen niet kon worden uitgevoerd. Ook als die stelling juist is, dan nog is de enkele omvang van het aantal extra verschafte werkmappen onvoldoende om het vertrouwen te rechtvaardigen dat al die extra werkmappen mochten worden uitgevoerd. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig.
5.9.
Een dergelijke bijkomende omstandigheid zou wellicht kunnen zijn dat Enexis in februari 2014 uit eigen beweging de 540 extra werkmappen aan [aannemer W] heeft verschaft (als [aannemer W] met dat aantal ver uitkwam boven het uitvalpercentage waarmee in de praktijk bij de omvang van werkvoorraden rekening werd gehouden). Dat is echter niet genoeg, omdat de werkmappen korte tijd na de bespreking van januari 2014 waarin de aantallen zijn besproken zijn verstrekt en gesteld noch gebleken is dat er zich in de tussentijd nieuwe feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan [aannemer W] mocht menen dat Enexis niet (meer) wilde vasthouden aan het voorziene aantal van 1.400 saneringen. Verder geldt dat [V] niet heeft gesteld dat deze werkmappen op eigen initiatief van Enexis aan [aannemer W] zijn verstrekt. [V] c.s. heeft alleen aangevoerd dat Enexis in een aantal gevallen ook uit zichzelf werkmappen ter beschikking stelde. Op de gang van zaken in februari 2014 is [V] c.s. niet ingegaan. Dan kan het dus zo zijn geweest dat het [aannemer W] zelf was die om de 540 extra werkmappen heeft gevraagd, zoals Enexis stelt. [V] c.s. heeft bovendien niet gesteld dat verzoeken om nieuwe werkmappen altijd werden besproken met een medewerker van Enexis die betrokken was bij de beslissing over het aantal saneringen dat een aannemer mocht uitvoeren.
5.10.
[V] c.s. baseert het gestelde vertrouwen ook nog op haar stelling dat het de gangbare praktijk was bij Enexis dat de aannemers alle aan hen ter beschikking gestelde werkmappen mochten uitvoeren. Wellicht heeft [aannemer W] zelf in de voorgaande drie jaren alle aan haar ter beschikking gestelde werkmappen mogen uitvoeren, maar dat kan worden verklaard door de overname door [aannemer W] van werk van andere aannemers in de loop van het jaar. [aannemer W] heeft niet gesteld dat het bij [aannemer W] en/of andere aannemers in de praktijk regelmatig voor kwam dat een aannemer al vóór de herverdeling van werk later in het jaar aanzienlijk meer saneringen had uitgevoerd dan het in het begin van het jaar besproken aantal. Bovendien geldt dat er in 2014 een afwijking plaatsvond van de voorheen gebruikelijke gang van zaken, omdat [aannemer W] het saneringswerk in sterke mate versneld heeft uitgevoerd op een moment dat er nog geen enkel overzicht bestond voor Enexis over hoe de uitvoering van het saneringswerk zich nadien in de loop van 2014 bij alle aannemers zou ontwikkelen. De gang van zaken in 2014 was dusdanig anders, dat niet kon worden vertrouwd op de gang van zaken tijdens eerdere jaren.
5.11.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [aannemer W] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij het saneringswerk van alle aan haar ter beschikking gestelde werkmappen - en dus de 359 die zij nog had liggen - zou mogen uitvoeren.
De mededelingen van de heer [W]

5.12.
[V] c.s. verwijt Enexis dat de heer [W] tijdens de besprekingen op 18 en 28 april 2019 heeft meegedeeld dat Enexis de komende twee jaar een krimp van 25% in het door Enexis aan te besteden werk verwachtte, terwijl Enexis in werkelijkheid verwachtte dat er sprake zou zijn van een groei van 10%. Volgens [V] c.s. heeft [aannemer W] onder meer op basis van deze voorspelling van de heer [W] haar faillissement aangevraagd, omdat een dergelijke krimp zou betekenen dat de Synfra-aannemers het Synfra-werk eerst door hun eigen werknemers zouden laten uitvoeren en [aannemer W] niet meer als onderaannemer zouden inschakelen, althans veel minder. [V] c.s. stelt dat binnen enkele weken na het faillissement van [aannemer W] de orderportefeuilles van de Synfra-aannemers zo vol stroomden met opdrachten van Enexis dat die aannemers het werk niet aan konden en Enexis zelfs op zoek moest naar nieuwe aannemers. In de dagvaarding (randnummer 2.75) heeft [V] c.s. gesteld dat het uiteindelijk door Enexis over 2014 gerealiseerde volume vergelijkbaar was met het volume dat Enexis had voorspeld in haar jaarrekening over 2013. Op de comparitie heeft [V] c.s. geconcretiseerd dat uit het jaarverslag van Enexis over 2014 blijkt dat er uiteindelijk in dat jaar sprake was van een groei van 5% in de investeringen van Enexis.
5.13.
Omdat Enexis op de comparitie heeft erkend dat de door de heer [Van H] opgestelde notulen van de bespreking van 28 april 2014 het besprokene correct weergeven, staat tussen partijen vast dat de heer [W] tijdens die bespreking een krimp van 25% in de investeringen van Enexis heeft voorspeld. Omdat Enexis daarmee afwijkt van de getuigenverklaring van de heer [W] , gaat de rechtbank er vanuit dat Enexis evenmin betwist dat de heer [W] die voorspelling ook al op 18 april 2014 heeft gedaan. In ieder geval heeft Enexis een eventuele betwisting niet gemotiveerd.
5.14.
Enexis stelt wel dat de heer [W] zijn mededeling over de krimp van 25% heeft genuanceerd door erop te wijzen dat die krimp de klantgedreven investeringen betrof en dat Enexis deze krimp gedeeltelijk zou compenseren door haar eigengedreven investeringen te verhogen. Enexis heeft op de comparitie meegedeeld dat er feitelijk over heel 2014 sprake was van een krimp die hoger was dan de krimp van 7% over 2013. Enexis heeft op de comparitie geen informatie aan de rechtbank kunnen verschaffen over het tijdstip en de hoeveelheid van de kort na het faillissement van [aannemer W] door Enexis verstrekte opdrachten.
5.15.
De rechtbank houdt Enexis aan de verklaring van de heer [W] als getuige, dat er bij Enexis geen sprake was van een significante krimp. Als Enexis ook op dat punt van de verklaring van de heer [W] had willen afwijken, dan had zij de stelling van [V] c.s. in de dagvaarding al in haar conclusie van antwoord moeten betwisten en had zij niet mogen volstaan met een blote en vage stelling over een feitelijke krimp die hoger was de krimp van 7% over 2013, maar had zij haar standpunt moeten motiveren.
5.16.
De heer [W] suggereerde met zijn voorspelling dat de klantgedreven investeringen, die als gevolg van de financiële crisis al sinds jaren waren afgenomen, in 2014 nog met 25% extra zouden afnemen. Omdat de verhoging van de eigengedreven investeringen volgens de heer [W] onvoldoende zou zijn om de krimp van 25% te compenseren, mocht [aannemer W] in redelijkheid aannemen dat de heer [W] daarmee voorspelde dat de Synfra-aannemers veel minder werk van Enexis zouden krijgen. Dit zou in nog sterkere mate ten koste gaan van het werk dat [aannemer W] zou kunnen doen als onderaannemer voor die Synfra-aannemers. De voorspelling van de heer [W] was in strijd met de kort tevoren door Enexis gepubliceerde jaarrekening over 2013, waarin juist een groei van 10% in de investeringen van Enexis was voorspeld. Een dergelijke groei veronderstelt dat de klantgedreven investeringen niet verder zouden dalen, of in ieder geval niet zoveel dat die daling niet ruimschoots kon worden gecompenseerd door verhoging van de eigengedreven investeringen. De voorspelling van de heer [W] is in de praktijk ook niet uitgekomen.
5.17.
Enexis heeft niet gesteld dat er in de korte periode tussen de publicatie van de jaarrekening op 5 maart 2014 en de besprekingen van 18 en 28 april 2014 sprake was van bijzondere ontwikkelingen of andere omstandigheden op basis waarvan Enexis haar verwachtingen voor het jaar 2014 aanzienlijk had moeten bijstellen. Evenmin heeft Enexis gesteld dat de heer [W] over verkeerde informatie beschikte. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de heer [W] een onjuiste mededeling heeft gedaan. Dat blijkt ook uit zijn eigen getuigenverklaring die inhoudt dat van een significante krimp bij Enexis helemaal geen sprake was. De heer [V] heeft tijdens de bespreking op 28 april 2014 erop gewezen dat [aannemer W] bij een krimp van 25% haar faillissement zou moeten aanvragen. De heer [W] wist dus welk belang [aannemer W] toekende aan zijn voorspelling en de gevolgen daarvan voor [aannemer W] . Het doen van die onjuiste mededeling moet om die reden worden aangemerkt als in strijd met de zorgvuldigheid die Enexis jegens [aannemer W] in acht had te nemen en daarmee als onrechtmatig handelen van Enexis tegenover [aannemer W] .
5.18.
De rechtbank verwerpt het standpunt van Enexis dat op [aannemer W] als professionele aannemer de verantwoordelijkheid rustte om een onderzoek in te stellen naar de juistheid van de mededelingen van de heer [W] . De heer [W] was geen willekeurige medewerker van Enexis, maar hij was door het bestuur van Enexis zelf als woordvoerder van Enexis aangewezen. [aannemer W] hoefde ook geen rekening te houden met de mogelijkheid dat de heer [W] tijdens de eerste bespreking ondoordachte uitspraken had gedaan, omdat de heer [W] zijn voorspelling heeft herhaald tijdens de tweede bespreking in het bijzijn van medewerkers van de provincie. [aannemer W] hoefde daarom niet bij het bestuur van Enexis na te vragen of de mededelingen van de heer [W] wel juist waren.
De aansprakelijkheid van Enexis tegenover de schuldeisers van [aannemer W]

5.19.
[V] c.s. stelt zich op het standpunt dat Enexis met de onjuiste mededeling van de heer [W] niet alleen onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [aannemer W] , maar ook onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de schuldeisers van [aannemer W] . [V] c.s. verwijst naar de arresten van de Hoge Raad van 24 september 2004, NJ 2008/578, ECLI:NL:HR:2004:AO9069 (Vleesmeesters/Alog), 20 januari 2012, NJ 2012/59, ECLI:NL:HR:2012:BT7496 (Wierts/Visseren) en 14 juli 2017, NJ 2017/364, ECLI:NL:HR:2017:1355. [V] c.s. meent dat Enexis haar gedrag mede had moeten laten bepalen door de belangen van de crediteuren van [aannemer W] bij de continuïteit van [aannemer W] , omdat Enexis de maatschappelijke positie van een monopolist inneemt en omdat Enexis wist dat [aannemer W] haar faillissement zou moeten aanvragen en dat de crediteuren van [aannemer W] dan niet zouden worden betaald.
5.20.
In de genoemde arresten heeft de Hoge Raad beslist dat het een contractspartij niet onder alle omstandigheden vrij staat de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben omdat de contractsverhouding in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen met de belangen van die derden. Als de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen moet ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen dit meebrengen, zal de rechter de relevante omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken.
5.21.
Bij vrijwel elke overeenkomst hebben de schuldeisers van beide contractanten er een zeker belang bij dat het contract deugdelijk wordt uitgevoerd, omdat het gevolg van wanprestatie of onrechtmatig handelen van de ene contractant zou kunnen zijn dat de andere contractant in financiële problemen raakt, waardoor de schuldeisers van die andere contractant het risico zouden kunnen lopen dat hun vorderingen niet of niet volledig worden betaald. De aard van die belangen van schuldeisers is echter niet zodanig dat de normen in het maatschappelijk verkeer in het algemeen meebrengen dat de ene contractant zijn gedrag mede moet laten bepalen door de belangen van de schuldeisers van de andere contractant. Daarvan kan alleen sprake zijn onder bijzondere omstandigheden. De omstandigheden waarop [V] c.s. zich beroept (de monopoliepositie van Enexis en de waarschuwing van [aannemer W] aan Enexis dat zij haar faillissement zou moeten aanvragen) leveren dergelijke bijzondere omstandigheden niet op. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het de opzet van de heer [W] (en daarmee van Enexis) was om met zijn mededeling het faillissement van [aannemer W] te veroorzaken.
5.22.
De rechtbank concludeert dat Enexis niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de schuldeisers van [aannemer W] . De vordering onder 2 van [V] c.s. moet daarom worden afgewezen. Dat zal de rechtbank pas onder de beslissing opnemen zodra ook over de andere vorderingen van [V] c.s. definitief kan worden beslist.
5.23.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat, zelfs al zou Enexis niet alleen onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [aannemer W] maar ook tegenover de schuldeisers van [aannemer W] , een verplichting van Enexis tot vergoeding van de schade van [aannemer W] tot gevolg zou kunnen hebben dat [aannemer W] de vorderingen van haar schuldeisers alsnog geheel of gedeeltelijk kan voldoen.
Het causaal verband en het beroep op “eigen schuld”

5.24.
In verband met de door [V] c.s. gevorderde schade van (alleen) [aannemer W] zal de rechtbank moeten beoordelen of er causaal verband bestaat tussen (alleen) de onjuiste mededeling van de heer [W] en het faillissement van [aannemer W] . Daarvoor moet de feitelijke situatie na dat faillissement worden vergeleken met de hypothetische situatie die zou zijn ontstaan als de heer [W] geen onjuiste mededeling zou hebben gedaan.
5.25.
[V] c.s. stelt dat [aannemer W] zonder het onrechtmatig handelen van Enexis niet failliet zou zijn verklaard, zodat Enexis de waarde van de als gevolg van het faillissement verloren onderneming van [aannemer W] moet vergoeden.
5.26.
Enexis betwist het causaal verband tussen haar onrechtmatig handelen en het faillissement van [aannemer W] . Volgens Enexis was dat faillissement het gevolg van de wankele financiële situatie van [aannemer W] , een tekort aan opdrachten van andere opdrachtgevers dan Enexis en de afhankelijkheid van de onderneming van [aannemer W] van Enexis. Als de onderneming van [aannemer W] financieel gezond was, dan heeft [aannemer W] in de visie van Enexis zelf haar faillissement veroorzaakt door niet op zoek te gaan naar aanvullende financiering of naar een koper van de onderneming. Enexis stelt zich op het standpunt dat deze omstandigheden in ieder geval meebrengen dat de eventueel door haar verschuldigde schadevergoeding moet worden verminderd omdat sprake is van “eigen schuld” van [aannemer W] in de zin van artikel 6:101 BW.
5.27.
Dat de onderneming van [aannemer W] voor een groot deel (direct en indirect) afhankelijk was van Enexis, was een ten tijde van het onrechtmatig handelen van Enexis bestaand gegeven waarvan Enexis ook op de hoogte moet zijn geweest. Die enkele omstandigheid is daarom geen reden om te concluderen dat het causaal verband ontbreekt of om de schadevergoedingsplicht van Enexis te verminderen op de voet van artikel 6:101 BW. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat [aannemer W] zelf haar faillissement heeft aangevraagd. Omdat [aannemer W] eind 2013 een negatief eigen vermogen had dat in de eerste maanden van 2014 alleen maar is toegenomen, zou verkoop van de onderneming of aanvullende financiering alleen een reële optie zijn geweest als het vooruitzicht bestond dat [aannemer W] in de toekomst winst zou kunnen gaan maken en daarmee uit de rode cijfers zou kunnen komen. Begin 2014 kon die verwachting nog worden gebaseerd op de in 2012 en 2013 gemaakte winst, maar na het verlies van de 349 werkmappen en na de onjuiste mededeling van de heer [W] moest [aannemer W] juist verwachten dat zij over 2014 een fors verlies zou lijden. Enexis heeft niets gesteld waaruit kan volgen dat verkoop in die situatie een reële optie was. Uit de gegevens die [aannemer W] ter zitting heeft verschaft blijkt verder dat de bank de financiering juist aan het afbouwen was, zodat aanvullende financiering in een periode dat de omzet sterk terugliep evenmin reëel voorkomt. Aan [aannemer W] kan daarom niet worden verweten dat zij de mogelijkheden voor verkoop of aanvullende financiering niet heeft onderzocht.
5.28.
De beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van Enexis en het faillissement van [aannemer W] , komt daarom aan op de vraag of [aannemer W] in de hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen voldoende levensvatbaar was en dus haar faillissement niet had hoeven aanvragen.
5.29.
Bij haar standpunt dat [aannemer W] in de hypothetische situatie niet failliet zou zijn verklaard, is [V] c.s. er vanuit gegaan dat [aannemer W] in die hypothetische situatie de 359 werkmappen had mogen uitvoeren. Omdat het verwijt over die 359 werkmappen is verworpen, moet er echter vanuit worden gegaan dat [aannemer W] ook in de hypothetische situatie die 359 werkmappen niet kon uitvoeren, althans niet voor de zomer van 2014. De rechtbank zal [V] c.s. in de gelegenheid stellen een nadere conclusie te nemen waarin zij een analyse van de hypothetische situatie presenteert waarin geen rekening is gehouden met het uitvoeren van die 359 werkmappen, maar wordt uitgegaan van de feitelijke situatie van de onderneming per 28 april 2014 en wordt beschreven hoe de situatie per 28 april 2014 exact was en hoe die zich zou hebben ontwikkeld indien naar verwachting op zeker moment (zie hierna) weer opdrachten als onderaannemer van de Synfra aannemers konden worden uitgevoerd.
5.30.
[V] c.s. zal haar analyse naar behoren moeten onderbouwen door nadere financiële informatie te verschaffen en die informatie zoveel mogelijk met bewijsstukken moeten staven. Gegevens over de financiële situatie van [aannemer W] per 28 april 2014 zijn al verschaft in de bijlagen 2a en 2b bij het rapport van PKF Wallast (prod. 24 [V] c.s.). [V] c.s. zal echter met betrekking tot die stand van zaken inzicht moeten verschaffen. Daarbij zal in ieder geval duidelijk moeten worden hoeveel verlies er in 2014 tot die datum was geleden en hoe dat is berekend, wat de liquiditeitsbehoefte was per die datum, wat de stand van de liquiditeit was en of de liquiditeitsbehoefte kon worden gedekt onder de bestaande financieringsafspraken, op 28 april 2014 en nog gedurende de tijd dat feitelijk nog geen opdrachten van Synfra-aannemers zouden volgen en ook nog geen betalingen voor die opdrachten binnenkwamen. [V] c.s. heeft ook nog geen inzicht verschaft in de per 28 april 2014 redelijkerwijs te verwachten financiële ontwikkelingen na 28 april 2014. [V] c.s. zal in ieder geval moeten opgeven hoeveel opdrachten [W. Distributie] en [W. Projecten] al hadden gekregen voor de periode na 28 april 2014, wanneer die opdrachten zouden worden uitgevoerd en welke omzet en kosten aan die opdrachten verbonden zouden zijn. Die gegevens zal [V] c.s. ook moeten verschaffen in verband met opdrachten die nog niet zeker waren maar die [aannemer W] wel in redelijkheid mocht verwachten. Duidelijk zal moeten worden vanaf welk moment [aannemer W] naar verwachting weer opdrachten van Synfra-aannemers zou hebben gekregen en in welke mate, wat en wanneer de omzet daarvan zou zijn geweest en of (mede) daarmee al dan niet winst kon worden en ook zou zijn gegenereerd. In verband met het werk dat [aannemer W] per 28 april 2014 op termijn verwachtte te kunnen verrichten als onderaannemer voor de Synfra-aannemers, is niet doorslaggevend wanneer in 2014 Enexis precies begon met het geven van opdrachten aan de Synfra-aannemers, maar op welk moment die opdrachten naar redelijke verwachting een zodanige omvang zouden hebben aangenomen dat de Synfra-aannemers de conclusie konden trekken dat zij voldoende werk hadden voor hun eigen personeel en daarom alsnog onderaannemers konden inschakelen en ook hoe dat, gegeven het moment waarop Enexis weer opdrachten is gaan verstrekken aan die Synfra- aannemers, feitelijk zou zijn gegaan. Dus vanaf wanneer die Synfra-aannemers feitelijk [aannemer W] weer opdrachten zouden hebben gegeven en vanaf wanneer daaruit inkomsten binnengekomen zouden zijn. [V] c.s. zal daarover zo gedetailleerd mogelijke informatie moeten verschaffen.
5.31.
[V] c.s. zal daarnaast moeten opgeven voor hoeveel werknemers [aannemer W] ontslag had aangevraagd, tegen welke datum dat ontslag waarschijnlijk zou zijn verleend, welke ontslagvergoeding [aannemer W] eventueel had moeten betalen en hoeveel loonkosten [aannemer W] nog voor deze werknemers had moeten maken tot de datum van ontslag. [V] c.s. zal moeten specificeren of, en zo ja hoe, zij deze personeelskosten en andere bedrijfskosten had kunnen (blijven) betalen vanaf 28 april 2014. Zij zal aanvullende informatie moeten verschaffen over de wijze waarop de hoogte van de kredietruimte bij de Rabobank werd berekend en over de berekening van de door [V] c.s. op de comparitie opgegeven kredietruimte van € 400.000,. [V] c.s. zal in haar analyse moeten uitleggen hoe die kredietruimte zich in de loop van 2014 zou hebben ontwikkeld.
5.32.
Waar al het voorgaande op neerkomt is dat [V] c.s. op een inzichtelijke en onderbouwde wijze aannemelijk dient te maken dat [aannemer W] zonder de onrechtmatige mededelingen van [W] /Enexis geen reden zou hebben gehad om haar faillissement aan te vragen en feitelijk ook niet failliet zou zijn gegaan in 2014.
5.33.
Enexis zal een antwoord nadere conclusie mogen nemen waarin zij kan reageren op de analyse en informatie van [V] c.s. en waarin zij desgewenst een eigen analyse kan opnemen.
5.34.
Nadat de gevraagde informatie is verschaft, zal de rechtbank beslissen over het al dan niet bestaan van het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van Enexis en het faillissement van [aannemer W] . Als dat causaal verband blijkt te bestaan, zal de rechtbank nog hebben te beslissen over de wijze van de schadebegroting. Te zijner tijd zal aan partijen eerst gelegenheid worden gegeven om zich hierover uit te laten.
5.35.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
beslissing

6

De rechtbank
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van voor het nemen van een nadere conclusie door [V] c.s. over hetgeen is vermeld onder 5.29 en volgende, waarna Enexis op de rol van acht weken daarna een antwoord nadere conclusie kan nemen,
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik, mr. O.R.M. van Dam en mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2019.