Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:2752

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 13-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:2752, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/860493-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBOBR:2019:2752:DOC
nl

center
100
d7e4a5e8-461f-4735-a3ba-cb2304c0375d
16
550
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Strafrecht
Parketnummer: 01/860493-18 Datum uitspraak: 13 mei 2019
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,wonende te [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 april 2019.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 maart 2019.
- het brengen van zijn penis in haar vagina en/of haar mond en/of

- het brengen van een of meer van zijn vingers in haar vagina en/of - het brengen van zijn tong in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen en/of het likken van haar vagina en/of schaamlippen en/of schaamstreek en/of

- het betasten en/of strelen van haar borsten en/of van andere lichaamsdelen en/of - het zich door haar laten aftrekken en/of

- het tongzoenen van/met haar,

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 maart 2018 tot en met 25 juni 2018 te Tilburg en/of te Boxtel en/of te Veghel en/of te Uden en/of te Helmond en/of elders in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

zulks terwijl die [slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid en/of opleiding was toevertrouwd (immers was verdachte docent ( [vak] ) aan [naam school] en gaf ( [vak] )les aan die [slachtoffer] en/of heeft verdachte zich opgeworpen als "vertrouwenspersoon" van [slachtoffer] ).

De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
_c2ebc2a6-2d23-4bb6-bb35-9b8e2c6c75a0

De rechtbank acht op grond van het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] en de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, heeft de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
- het brengen van zijn penis in haar vagina en haar mond en

- het brengen van zijn vingers in haar vagina en

- het brengen van zijn tong in haar vagina en tussen haar schaamlippen en het likken van haar vagina en schaamlippen en schaamstreek en

- het betasten en strelen van haar borsten en andere lichaamsdelen en - het zich door haar laten aftrekken en

- het tongzoenen met haar,

in de periode van 1 maart 2018 tot en met 25 juni 2018 te Tilburg en Boxtel en elders in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

zulks terwijl die [slachtoffer] aan zijn opleiding was toevertrouwd (immers was verdachte docent [vak] aan [naam school] en gaf economieles aan die [slachtoffer] en heeft verdachte zich opgeworpen als "vertrouwenspersoon" van die [slachtoffer] ).

De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
beslissing

De motivering van de beslissing.



De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland in haar rapport van 18 april 2019.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft gewezen op de gevolgen die de verdachte naar aanleiding van de onderhavige strafzaak reeds heeft ondervonden en forse matiging van de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. De verdachte is als docent [vak] ontslagen wat voor hem behoorlijke financiële consequenties heeft gehad. Bovendien kan hij nimmer meer werkzaam zijn in het onderwijs. In het geval de rechtbank tot strafoplegging zou overgaan, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat moet worden volstaan met de oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de reclassering in het over de verdachte uitgebrachte rapport van 18 april 2019 heeft geadviseerd. De verdachte is bereid om zich te houden aan alle hem eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, destijds als docent [vak] verbonden aan een middelbare school, heeft gedurende een periode van bijna vier maanden een affectieve relatie gehad met een toen vijftienjarige leerlinge van die middelbare school. De verdachte was op dat moment 28 jaar oud. Binnen deze relatie hebben zij verschillende malen geslachtsgemeenschap gehad. In ieder geval enkele malen was sprake van onbeschermde seks, waarmee het slachtoffer het risico op een zwangerschap en/of het krijgen van een geslachtsziekte heeft gelopen. Ook heeft er oraal sekscontact tussen beiden plaatsgevonden.

De verdachte had, als meerderjarige man, zijn verantwoordelijkheid moeten kennen en het slachtoffer tegen zichzelf in bescherming moeten nemen, ook al stemde zij in met de seksuele handelingen. De verdachte had beter moeten weten. Minderjarigen in deze leeftijd zijn immers kwetsbaar, want zij bevinden zich in een periode van hun leven waarin zij hun seksualiteit beginnen te ontdekken en daarin zoekende en beïnvloedbaar zijn.

De rechtbank rekent dit de verdachte aan, omdat de ervaring leert dat het bewezenverklaarde – hetgeen de rechtbank kwalificeert als ontucht – bij minderjarigen vroeg of laat tot (ernstige) psychische problemen kan zorgen. Tussen verdachte en [slachtoffer] bestond een ongelijke positie en een gezagsrelatie. Niet alleen omdat verdachte de leraar was van [slachtoffer] , maar ook omdat hij zich ten opzichte van het slachtoffer als vertrouwenspersoon heeft opgeworpen. Verdachte voerde wekelijks gesprekken met [slachtoffer] en zij hadden ook buiten school veel contact via de app. Uit de appgesprekken die in het procesdossier zijn opgenomen, blijkt dat verdachte haar veel aandacht en complimenten gaf en dat er op die manier een bijzondere vertrouwensband tussen hen ontstond. De verdachte was in die hoedanigheid op de hoogte van haar persoonlijke problemen en haar (emotionele) kwetsbaarheid. Verdachte had zich ervan bewust moeten zijn en zich er rekenschap van moeten geven dat hij daardoor een grote invloed had op haar handelen en gemoedstoestand. De rechtbank rekent het de verdachte zeer aan dat hij desondanks met haar een liefdesrelatie is begonnen en verschillende malen met het slachtoffer seksueel contact heeft gehad, waarbij de verdachte haar lichaam is binnengedrongen. Verdachte heeft door zo te handelen ernstig inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem had als vertrouwenspersoon en mens. Ook heeft hij door zo te handelen het vertrouwen van zijn collega’s en de ouders van [slachtoffer] beschaamd. De rechtbank acht het voorts kwalijk dat hij het slachtoffer welbewust uit de beschermingssfeer van haar ouders heeft getrokken door een app op haar telefoon te installeren waarmee haar feitelijke verblijf (tijdelijk) niet door haar ouders te traceren was en ook door aan te dringen op het stilhouden van de relatie.Tot slot merkt de rechtbank op dat verdachte, na ermee te zijn geconfronteerd dat [slachtoffer] aangifte had gedaan en er in zijn telefoon compromitterende foto’s van hem en [slachtoffer] waren aangetroffen, niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en de ontuchtige handelingen heeft bekend, terwijl hij wist dat hij daarmee een voor [slachtoffer] zeer ingrijpend en belastend forensisch medisch onderzoek had kunnen voorkomen.
De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat de verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed inziet en – naar de inschatting van de rechtbank – oprecht berouw heeft getoond. De rechtbank geeft zich er rekenschap van dat de verdachte in verband met het door hem gepleegde strafbare feit door zijn werkgever is ontslagen en hoogstwaarschijnlijk nooit meer aan het werk zal komen als leerkracht.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de inhoud van het adviesrapport van Reclassering Nederland van 18 april 2019. Door de reclassering worden de emotionele instabiliteit en het hiermee samenhangend grensoverschrijdend gedrag van de verdachte als belangrijkste criminogene en risicofactoren gezien, waarbij zijn seksualiteitsbeleving meer op de achtergrond ligt. Door het intensieve en persoonlijke contact met het slachtoffer is de onderlinge verhouding tussen afstand en nabijheid sterk vervaagd. Het feit dat de verdachte zijn persoonlijke problemen inbrengt in een gesprek met een leerlinge die vanwege haar onzekerheid contact zoekt met een vertrouwenspersoon is uiterst onprofessioneel. De verdachte lijkt het contact met de leerlinge te hebben geïntensiveerd als copingstrategie op de leegte en stress die hij ervoer ten gevolge van relatieproblemen, die uiteindelijk leidden tot een relatiebreuk. De beperkte weerbaarheid en coping van de verdachte wordt door de reclassering eveneens als een risicofactor gezien. Reeds vanaf zijn kindertijd lijkt hiervan sprake te zijn, maar hij heeft daarvoor nooit hulp gehad. De reclassering schat het risico op herhaling in als laag.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van een briefrapport over de verdachte van registerpsycholoog [deskundige] van 22 april 2019.

Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank, evenals de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur. Bij het bepalen van deze strafmodaliteit heeft de rechtbank met name de omstandigheid dat de verdachte zich naar [slachtoffer] als vertrouwenspersoon heeft opgeworpen als doorslaggevend beschouwd. De rechtbank acht geen termen aanwezig om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals door de raadsman is bepleit. De omstandigheid dat de verdachte als gevolg van de hierna op te leggen gevangenisstraf mogelijk zijn baan als supermarktmedewerker zal verliezen, leidt niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank prevaleren de strafdoelen van vergelding en generale preventie boven de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank zal wel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank houdt daarbij ook uitdrukkelijk rekening met de gevolgen die verdachte al heeft ondervonden als gevolg van het uitkomen van deze ontuchtige handelingen.

De rechtbank zal de gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen. Met het opleggen van deze voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Daarom zullen aan deze voorwaardelijke straf de in het dictum nader omschreven bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals door de reclassering in haar rapport van 18 april 2019 zijn geadviseerd.

Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als de verdachte zich gedurende de proeftijd aan de algemene en bijzondere voorwaarden houdt.

De rechtbank zal bevelen dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf.

Alles overziend zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

De vordering van de wettelijk vertegenwoordiger van benadeelde partij [slachtoffer] .

De moeder van [slachtoffer] heeft zich als haar wettelijk vertegenwoordiger in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 4.172,99, bestaande uit € 172,99 voor materiële schade (kosten injecties en reiskosten) en € 4.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Bovendien is verzocht een vergoeding van proceskosten van € 1.250,-.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft de gevorderde vergoeding van de proceskosten heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze moeten worden gematigd en vastgesteld overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken (twee punten).

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding primair afwijzing van dat deel van de vordering dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in dat deel van de vordering bepleit. Subsidiair heeft hij zich met betrekking tot de gevorderde reiskosten op het standpunt gesteld dat de helft van de gevorderde vergoeding voor toewijzing vatbaar is. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman, met verwijzing naar jurisprudentie, matiging bepleit tot een bedrag van € 750,- en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van die vordering. De vergoeding van de proceskosten moet worden vastgesteld overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken (twee punten à € 120,- per punt).

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schadeposten betreffende de kosten van injecties en de reiskosten moeten worden aangemerkt als verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat immers om kosten van de benadeelde partij zelf die echter, vanwege haar jeugdige leeftijd, zijn voldaan door haar moeder als wettelijk vertegenwoordiger.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de gevorderde kosten van injecties (€ 72,99). Voorts acht de rechtbank op grond van het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat door de benadeelde partij reiskosten zijn gemaakt die rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit. Deze reiskosten betreffen naar het oordeel van de rechtbank ten minste € 50,-. De rechtbank acht daarom dit bedrag eveneens voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat betrekking heeft op de overige reiskosten. Van dit deel van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit onder meer aangezien de bewijstukken daarvan thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Op grond van art. 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek kan onder omstandigheden een immateriële schadevergoeding worden toegekend indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast. Om van persoonsaantasting te kunnen spreken is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Voor de toewijsbaarheid van een vordering ter zake van persoonsaantasting is uitgangspunt dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Op het uitgangspunt dat geestelijk letsel moet zijn aangetoond kan nog wel een uitzondering worden gemaakt in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde.

De rechtbank overweegt dat naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde feit nadeel van immateriële aard heeft ondervonden. Haar nadeel bestaat onder meer uit het verlies van vertrouwen en de nadelige en belastende effecten die de gedragingen van de verdachte – naar ook algemene ervaringsregels leren – hebben gehad (en nog zullen hebben) op het dagelijkse leven en functioneren van betrokkene en op haar (seksuele) ontwikkeling. De omvang van deze schade valt naar zijn aard niet exact vast te stellen. Gelet op de onderbouwing van de vordering, in het bijzonder het schrijven van klinisch psycholoog [deskundige] en psycholoog [deskundige] betreft de geleden immateriële schade van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank ten minste € 1.500,-.

De rechtbank overweegt dat de behandeling van het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding – gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van [slachtoffer] – te ingewikkeld is en aldus een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan de onderdelen van de vordering waarin zij niet-ontvankelijk is verklaard slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal voor het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 122,99 aan materiële schade niet de schadevergoedingsmaatregel (kunnen) opleggen, aangezien de wettelijke basis daarvoor eerst op 1 januari 2019 in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is opgenomen en niet reeds bestond ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Het gaat hier om een wettelijke bepaling zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, zodat de voor de verdachte meest gunstige bepaling moet worden toegepast. Dat is de bepaling zoals die gold vóór 1 januari 2019, waarin oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor personen die schade zoals bedoeld in art. 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (verplaatste schade) lijden nog niet mogelijk was.

Ten aanzien van het toegewezen bedrag aan immateriële schade (€ 1.500,-) zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wel opleggen.

De toegewezen schadevergoedingen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening. De rechtbank bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand overweegt de rechtbank het navolgende.

Door de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij zijn de werkelijk gemaakte proceskosten gevorderd. Door de raadsvrouw van de wettelijk vertegenwoordiger is aangevoerd, met verwijzing naar een (ongepubliceerd) arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 mei 2018, dat het toepasselijke liquidatietarief niet dwingend is voorgeschreven en dat daarvan kan worden afgeweken. De rechtbank acht daartoe evenwel onvoldoende reden aanwezig. De omstandigheid dat de ouders van de benadeelde partij er bewust voor hebben gekozen om zich te laten bijstaan door een advocate van het kantoor dat de vader van de benadeelde partij heeft bijgestaan in verband met de vanuit onderhavige zaak ontstane verdenking (dat hij verdachte heeft mishandeld) en het feit dat er tussen de advocate en de familie een bepaalde vertrouwensband is ontstaan, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het liquidatietarief kantonzaken (Liquidatietarieven Kanton 2019) dient te worden toegepast, waarbij het toe te wijzen bedrag (€ 1.622,99) als uitgangspunt wordt genomen. Dit leidt ertoe dat een proceskostenveroordeling aan de benadeelde partij toekomt, te begroten op twee punten à € 180,- per punt (in totaal € 360,-).

Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

-

ten aanzien van de post injecties (€ 72,99) op 4 januari 2019;

ten aanzien van de post reiskosten (€ 50,-) op 25 april 2019;

ten aanzien van de post immateriële schade (€ 1.500,-) op 25 juni 2018.

Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven; verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

legt op de volgende :

een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering voornoemd;- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht, meewerkt aan diagnostiek en – indien noodzakelijk blijkt – een ambulante behandeling door Fivoor of een andere soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij de verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling en waarbij het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling,
- ten aanzien van de post injecties (€ 72,99) op 4 januari 2019;- ten aanzien van de post reiskosten (€ 50,-) op 25 april 2019;- ten aanzien van de post immateriële schade (€ 1.500,-) op 25 juni 2018;
beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat de verdachte voor het einde van een één of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte - zich binnen vier werkdagen na onherroepelijk worden van het onderhavige vonnis op een maandag, woensdag of vrijdag (tussen 09:30 en 12:00 uur) telefonisch meldt bij Reclassering Nederland, regio zuid, (telefoonnummer 088-8041505), en zich daarna (fysiek) meldt zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; legt op de volgende :
een van te vervangen door ;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de wettelijk vertegenwoordiger van het [slachtoffer] , van een bedrag van
€ 1.500,-

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende hechtenis de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte daarom tot betaling aan de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van , bestaande uit € 122,99 voor materiële schade en € 1.500,-, voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 360,-;

veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten; bepaalt dat de verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;

bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door:mr. J.J.A. Donkersloot, voorzitter,mr. H.M. Hettinga en mr. dr. T. Kraniotis, leden,in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,en is uitgesproken op 13 mei 2019.
_c2ebc2a6-2d23-4bb6-bb35-9b8e2c6c75a0
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, zedenteam 's-Hertogenbosch, met registratienummer 2018124759, afgesloten op 7 november 2018, in totaal 221 doorgenummerde bladzijden.

_ff170b50-e69c-42c5-8f25-cd104d233c33
2

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , van 27 juni 2018, opgemaakt door [verbalisanten] , pag. 57, 59-68.

_7ef2776e-ab2a-4871-8e79-2c2bd6adce06
3

Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank op 29 april 2019.