Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:2186

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 17-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:2186, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/880708-16


Bron: Rechtspraak

center
100
18ecf313-5ebc-43f5-a353-adf915b2ea10
16
550
image/png

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 maart 2019.
- (op 1 november 2016) aan, althans bestemd voor, die [supermarkt 1] , al dan niet via [supermarkt 1] , middels een e-mailbericht en/of een -website- contactformulier heeft bericht dat hij 250.000 euro aan bitcoins wil, hij een ultimatum stelt namelijk 'mocht dit bedrag aan bitcoins er voor vrijdag 20.00 niet op staan er producten van [supermarkt 1] sporen van pure lsd zullen gaan bevatten aan de buitenkant en hij per 1 december hiermee zal beginnen indien er geen gehoor wordt gegeven aan zijn eis', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (op 12 november 2016) aan, althans bestemd voor, die [supermarkt 1] , al dan niet via [supermarkt 1] , middels een e-mailbericht en/of een -website- contactformulier heeft bericht dat zijn eis omtrent chantage en dreiging is verviervoudigd van 250.000 naar 1.000.000 euro en hij per 1 december gaat starten met de lsd aanvallen 'mocht [supermarkt 1] niet op zijn bitcoin rekening overschrijven', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (op 27 november 2016) aan, althans bestemd voor, die [supermarkt 2] , al dan niet via [supermarkt 2] , middels een e-mailbericht en/of een -website- contactformulier heeft bericht dat hij 250.000 euro aan bitcoins eist en dat als zijn eis niet wordt ingewilligd hij per 15 dec. gaat beginnen met het aanbrengen van lsd drugs sporen op producten van de [supermarkt 2] waarbij ook kinder artikelen er aan gaan geloven en ondertekend met [alias] , althans woorden van gelijke aard en/of strekking

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
- (op 1 november 2016) aan die [supermarkt 1] , al dan niet via [supermarkt 1] , middels een -website- contactformulier heeft bericht dat hij 250.000 euro aan bitcoins wil, hij een ultimatum stelt namelijk 'mocht dit bedrag aan bitcoins er voor vrijdag 20.00 niet op staan er producten van [supermarkt 1] sporen van pure lsd zullen gaan bevatten aan de buitenkant en hij per 1 december hiermee zal beginnen indien er geen gehoor wordt gegeven aan zijn eis', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- (op 12 november 2016) aan die [supermarkt 1] , al dan niet via [supermarkt 1] , middels -website- contactformulier heeft bericht dat zijn eis omtrent chantage en dreiging is verviervoudigd van 250.000 naar 1.000.000 euro en hij per 1 december gaat starten met de lsd aanvallen 'mocht [supermarkt 1] niet op zijn bitcoin rekening overschrijven', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- (op 27 november 2016) aan die [supermarkt 2] , al dan niet via [supermarkt 2] , middels een e-mailbericht heeft bericht dat hij 250.000 euro aan bitcoins eist en dat als zijn eis niet wordt ingewilligd hij per 15 dec. gaat beginnen met het aanbrengen van lsd drugs sporen op producten van de [supermarkt 2] waarbij ook kinder artikelen er aan gaan geloven en ondertekend met [alias] , althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
De vordering van de officier van justitie strekt tot veroordeling van verdachte tot:
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
RECHTBANK OOST-BRABANT [verdachte] ,De tenlastelegging.De formele voorvragen.Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.De bewezenverklaring.De strafbaarheid van het feit.De strafbaarheid van verdachte.Oplegging van straf.De eis van de officier van justitie.Het oordeel van de rechtbank.
Locatie 's-Hertogenbosch Team strafrecht
Parketnummer: 01/880708-16 Datum uitspraak: 17 april 2019
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,wonende te [woonplaats] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2019.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op verschillende tijdstippen, in elk geval op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 01 november 2016 tot en met 27 november 2016 te Veghel en/of Arnhem en/of Zaandam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (telkens) [supermarktketen 1] . en/of [supermarktketen 2] te dwingen tot de afgifte van hoeveelheden of een hoeveelheid geld, groot 250.000 euro en/of 1.000.0000 euro in de vorm van bitcoins, althans een of meer hoeveelheden/hoeveelheid bitcoins, in elk geval van enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [supermarktketen 1] . en/of [supermarktketen 2] , met voormeld oogmerk, (telkens)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

op verschillende tijdstippen in de periode van 1 november 2016 tot en met 27 november 2016 te Veghel of Arnhem of Zaandam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld (telkens) [supermarktketen 1] en [supermarkt 2] te dwingen tot de afgifte van 250.000 euro en/of 1.000.000 euro in de vorm van bitcoins, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [supermarktketen 1] en/of [supermarkt 2] , met voormeld oogmerk, (telkens)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten nadele van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op verschillende momenten [supermarkt 1] en [supermarkt 2] gepoogd te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid bitcoins, door te bedreigen met het aanbrengen van LSD op producten die door deze supermarkten worden verkocht. Daarmee heeft verdachte met het oog op financieel gewin zich meermalen schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. Verdachte heeft op deze manier inbreuk willen maken op de eigendomsrechten van een ander. Feiten als het bewezenverklaarde zijn in het algemeen zeer bedreigend voor de mensen en/of bedrijven die het aangaan en versterken bovendien de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank acht afpersing – in welke vorm dan ook – een bijzonder ernstig feit en is met de officier van justitie van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel een passende strafafdoening is.

De rechtbank heeft echter rekening te houden met omstandigheden die maken dat in strafmatigende zin van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

De rechtbank noemt in dit verband dat uit een omtrent de geestesvermogens van verdachte opgemaakt rapport van psycholoog [psycholoog] van 30 maart 2017 volgt dat het door verdachte gepleegde strafbaar feit hem – door de aanwezigheid van een borderline persoonlijkheidsstoornis – in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank weegt verder mee dat het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op 9 februari 2017 onder voorwaarden is geschorst en dat uit het voortgangsverslag van de reclassering van 26 februari 2019 blijkt dat verdachte zich gedurende het schorsingstoezicht (thans meer dan twee jaar) coöperatief heeft opgesteld en zijn afspraken goed is nagekomen. Verdachte heeft inmiddels een behandeling bij de forensische polikliniek van Kairos positief afgerond. Er is een medicamenteuze behandeling ingezet en de medicatie wordt door verdachte trouw ingenomen. Verdachte woont inmiddels samen met zijn vriendin en heeft een eigen bedrijf opgericht. Verdachte krijgt nog altijd woonbegeleiding van de zorginstelling GewoonZo. De verwachting is dat dit traject binnen een jaar zal zijn afgerond. Vanwege de positieve ontwikkelingen die verdachte in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt wordt – in tegenstelling tot hetgeen eerder is geadviseerd door psycholoog [psycholoog] in haar rapport van 30 maart 2017 en door de reclassering in haar rapport van 14 april 2017 – thans geen meerwaarde gezien in het opleggen van een verplicht reclasseringscontact. De reclassering heeft dit beschreven in haar voortgangsverslag van 26 februari 2019 en geadviseerd om bij een veroordeling van verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank weegt tot slot mee dat de uiteindelijke berechting van verdachte onwenselijk en onnodig lang op zich heeft laten wachten. De inhoudelijke behandeling van de zaak na ontvangst van het eindproces-verbaal op 14 maart 2018 heeft meer dan één jaar op zich laten wachten. De weinig voortvarende procesgang trekt dan ook een wissel op de afdoening van deze in de kern ernstige zaak.

De rechtbank acht alles afwegende – in dit uitzonderlijke geval – een taakstraf voor de duur van 180 uren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden.

De rechtbank zal een in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uren te verrichten arbeid waarderen. De rechtbank zal de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, maar bovenal om toch tot op zekere hoogte de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking te kunnen brengen. De rechtbank zal daarbij, gelet op de ouderdom van het feit en het gegeven dat verdachte gedurende de langdurige schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, de proeftijd vaststellen op één jaar.
De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke veroordeling de algemene voorwaarde stellen dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank zal met de door haar op te leggen straf een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

-

een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en;

een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

ECLI:NL:RBOBR:2019:2186:DOC
nl

center
100
18ecf313-5ebc-43f5-a353-adf915b2ea10
16
550
image/png

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 maart 2019.
- (op 1 november 2016) aan, althans bestemd voor, die [supermarkt 1] , al dan niet via [supermarkt 1] , middels een e-mailbericht en/of een -website- contactformulier heeft bericht dat hij 250.000 euro aan bitcoins wil, hij een ultimatum stelt namelijk 'mocht dit bedrag aan bitcoins er voor vrijdag 20.00 niet op staan er producten van [supermarkt 1] sporen van pure lsd zullen gaan bevatten aan de buitenkant en hij per 1 december hiermee zal beginnen indien er geen gehoor wordt gegeven aan zijn eis', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (op 12 november 2016) aan, althans bestemd voor, die [supermarkt 1] , al dan niet via [supermarkt 1] , middels een e-mailbericht en/of een -website- contactformulier heeft bericht dat zijn eis omtrent chantage en dreiging is verviervoudigd van 250.000 naar 1.000.000 euro en hij per 1 december gaat starten met de lsd aanvallen 'mocht [supermarkt 1] niet op zijn bitcoin rekening overschrijven', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- (op 27 november 2016) aan, althans bestemd voor, die [supermarkt 2] , al dan niet via [supermarkt 2] , middels een e-mailbericht en/of een -website- contactformulier heeft bericht dat hij 250.000 euro aan bitcoins eist en dat als zijn eis niet wordt ingewilligd hij per 15 dec. gaat beginnen met het aanbrengen van lsd drugs sporen op producten van de [supermarkt 2] waarbij ook kinder artikelen er aan gaan geloven en ondertekend met [alias] , althans woorden van gelijke aard en/of strekking

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
- (op 1 november 2016) aan die [supermarkt 1] , al dan niet via [supermarkt 1] , middels een -website- contactformulier heeft bericht dat hij 250.000 euro aan bitcoins wil, hij een ultimatum stelt namelijk 'mocht dit bedrag aan bitcoins er voor vrijdag 20.00 niet op staan er producten van [supermarkt 1] sporen van pure lsd zullen gaan bevatten aan de buitenkant en hij per 1 december hiermee zal beginnen indien er geen gehoor wordt gegeven aan zijn eis', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- (op 12 november 2016) aan die [supermarkt 1] , al dan niet via [supermarkt 1] , middels -website- contactformulier heeft bericht dat zijn eis omtrent chantage en dreiging is verviervoudigd van 250.000 naar 1.000.000 euro en hij per 1 december gaat starten met de lsd aanvallen 'mocht [supermarkt 1] niet op zijn bitcoin rekening overschrijven', althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

- (op 27 november 2016) aan die [supermarkt 2] , al dan niet via [supermarkt 2] , middels een e-mailbericht heeft bericht dat hij 250.000 euro aan bitcoins eist en dat als zijn eis niet wordt ingewilligd hij per 15 dec. gaat beginnen met het aanbrengen van lsd drugs sporen op producten van de [supermarkt 2] waarbij ook kinder artikelen er aan gaan geloven en ondertekend met [alias] , althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
De vordering van de officier van justitie strekt tot veroordeling van verdachte tot:
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
RECHTBANK OOST-BRABANT [verdachte] ,De tenlastelegging.De formele voorvragen.Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.De bewezenverklaring.De strafbaarheid van het feit.De strafbaarheid van verdachte.Oplegging van straf.De eis van de officier van justitie.Het oordeel van de rechtbank.
Locatie 's-Hertogenbosch Team strafrecht
Parketnummer: 01/880708-16 Datum uitspraak: 17 april 2019
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,wonende te [woonplaats] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2019.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op verschillende tijdstippen, in elk geval op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 01 november 2016 tot en met 27 november 2016 te Veghel en/of Arnhem en/of Zaandam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (telkens) [supermarktketen 1] . en/of [supermarktketen 2] te dwingen tot de afgifte van hoeveelheden of een hoeveelheid geld, groot 250.000 euro en/of 1.000.0000 euro in de vorm van bitcoins, althans een of meer hoeveelheden/hoeveelheid bitcoins, in elk geval van enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [supermarktketen 1] . en/of [supermarktketen 2] , met voormeld oogmerk, (telkens)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

op verschillende tijdstippen in de periode van 1 november 2016 tot en met 27 november 2016 te Veghel of Arnhem of Zaandam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld (telkens) [supermarktketen 1] en [supermarkt 2] te dwingen tot de afgifte van 250.000 euro en/of 1.000.000 euro in de vorm van bitcoins, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [supermarktketen 1] en/of [supermarkt 2] , met voormeld oogmerk, (telkens)

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten nadele van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op verschillende momenten [supermarkt 1] en [supermarkt 2] gepoogd te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid bitcoins, door te bedreigen met het aanbrengen van LSD op producten die door deze supermarkten worden verkocht. Daarmee heeft verdachte met het oog op financieel gewin zich meermalen schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing. Verdachte heeft op deze manier inbreuk willen maken op de eigendomsrechten van een ander. Feiten als het bewezenverklaarde zijn in het algemeen zeer bedreigend voor de mensen en/of bedrijven die het aangaan en versterken bovendien de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank acht afpersing – in welke vorm dan ook – een bijzonder ernstig feit en is met de officier van justitie van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel een passende strafafdoening is.

De rechtbank heeft echter rekening te houden met omstandigheden die maken dat in strafmatigende zin van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

De rechtbank noemt in dit verband dat uit een omtrent de geestesvermogens van verdachte opgemaakt rapport van psycholoog [psycholoog] van 30 maart 2017 volgt dat het door verdachte gepleegde strafbaar feit hem – door de aanwezigheid van een borderline persoonlijkheidsstoornis – in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank weegt verder mee dat het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op 9 februari 2017 onder voorwaarden is geschorst en dat uit het voortgangsverslag van de reclassering van 26 februari 2019 blijkt dat verdachte zich gedurende het schorsingstoezicht (thans meer dan twee jaar) coöperatief heeft opgesteld en zijn afspraken goed is nagekomen. Verdachte heeft inmiddels een behandeling bij de forensische polikliniek van Kairos positief afgerond. Er is een medicamenteuze behandeling ingezet en de medicatie wordt door verdachte trouw ingenomen. Verdachte woont inmiddels samen met zijn vriendin en heeft een eigen bedrijf opgericht. Verdachte krijgt nog altijd woonbegeleiding van de zorginstelling GewoonZo. De verwachting is dat dit traject binnen een jaar zal zijn afgerond. Vanwege de positieve ontwikkelingen die verdachte in de afgelopen jaren heeft doorgemaakt wordt – in tegenstelling tot hetgeen eerder is geadviseerd door psycholoog [psycholoog] in haar rapport van 30 maart 2017 en door de reclassering in haar rapport van 14 april 2017 – thans geen meerwaarde gezien in het opleggen van een verplicht reclasseringscontact. De reclassering heeft dit beschreven in haar voortgangsverslag van 26 februari 2019 en geadviseerd om bij een veroordeling van verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

De rechtbank weegt tot slot mee dat de uiteindelijke berechting van verdachte onwenselijk en onnodig lang op zich heeft laten wachten. De inhoudelijke behandeling van de zaak na ontvangst van het eindproces-verbaal op 14 maart 2018 heeft meer dan één jaar op zich laten wachten. De weinig voortvarende procesgang trekt dan ook een wissel op de afdoening van deze in de kern ernstige zaak.

De rechtbank acht alles afwegende – in dit uitzonderlijke geval – een taakstraf voor de duur van 180 uren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden.

De rechtbank zal een in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uren te verrichten arbeid waarderen. De rechtbank zal de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, maar bovenal om toch tot op zekere hoogte de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking te kunnen brengen. De rechtbank zal daarbij, gelet op de ouderdom van het feit en het gegeven dat verdachte gedurende de langdurige schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, de proeftijd vaststellen op één jaar.
De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke veroordeling de algemene voorwaarde stellen dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank zal met de door haar op te leggen straf een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

-

een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en;

een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Voorlopige hechtenis.
De rechtbank zal het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden opheffen. Deze voorlopige hechtenis is op 9 februari 2017 reeds geschorst.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank: verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

poging tot afpersing, meermalen gepleegd verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

- een voor de duur van subsidiair 90 dagen hechtenis overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
- een voor de duur van met een van .
legt op de volgende straffen:

De rechtbank waardeert een in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uren te verrichten arbeid.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt de opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 9 februari 2017 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:mr. M.A. Waals, voorzitter,mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging en mr. H. Slaar, leden,in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,en is uitgesproken op 17 april 2019.