Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:2030

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:2030, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/880351-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBOBR:2019:2030:DOC
nl

center
100
cc5adae8-006f-46fc-bf8c-e4b8124398ac
16
550
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

- terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor de zich in die woning en/of de zich in de bij die woning behorende tuin bevindende bewoonster (genaamd [slachtoffer 1] ) en/of voor de zich in belendende woningen bevindende perso(o)n(en) - en of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de bij/aan die carport gelegen woning ( [adres 3] ) en/of

belendende woningen (waaronder pand [adres 4] en/of [adres 5] en/of pand [adres 6] ) en/of de zich in die woning(en) bevindende inboedel/inventaris te duchten was;

- terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of nabij gelegen panden en/of percelen en/of - levensgevaar voor personen (te weten de zich in die woning bevindende bewoners/personen) te duchten was.

Strafrecht

Parketnummer: 01/880351-18 Datum uitspraak: 12 april 2019
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,thans gedetineerd te: Vught PPC. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 januari 2019 en 29 maart 2019.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 december 2018.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 29 maart 2019 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 26 september 2018 in de gemeente Asten, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur en/of een andere ontstekingsbron (de inhoud van) een vuilcontainer (op de oprit van een woning aan de [adres 2] ) in brand gestoken, - terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor de zich in die woning bevindende perso(o)n(en) - en of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor een zich op die oprit bevindende auto en/of (groen)container en/of die woning ( [adres 2] ) en/of de bij die woning behorende garage en/of de zich in die woning en/of garage bevindende inboedel/inventaris

te duchten was;

2. hij op of omstreeks 8 september 2018 in de gemeente Deurne, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur en/of een andere ontstekingsbron een carport en/of goederen bevindende zich onder/bij een carport (behorende bij pand [adres 3] ) in brand gestoken,

3. hij op of omstreeks 21 juli 2018 in de gemeente Deurne, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur en/of een andere ontstekingsbron een afvalcontainer (in gebruik bij " [bedrijf 1] ") in brand gestoken, - terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor een bedrijfspand (waarin gevestigd " [bedrijf 1] ") en/of een zich nabij die (brandende) afvalcontainer bevindende container (in gebruik bij " [bedrijf 2] ") en/of een zich daarnaast (aan [adres 7] ) gelegen bedrijfspand (waarin gevestigd " [bedrijf 2] ") en/of de inboedel en/of inventaris van genoemd(e) bedrijfspand(en) en/of - terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor zich

in die panden ( [adres 8] en/of [adres 7] ) bevindende personen;

4. hij op of omstreeks 24 september 2018 in de gemeente Deurne, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur en/of een andere ontstekingsbron één of meer pallets (onder een overkapping van een bedrijf gevestigd aan de [adres 9] ) in brand gestoken, - terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die overkapping en/of voor dat aan de [adres 9] gevestigde bedrijfspand - en/of terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor zich in genoemd bedrijfspand bevindende personen te duchten was;

5. hij op of omstreeks 14 april 2018 in de gemeente Deurne, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur en/of een andere ontstekingsbron een hoeveelheid (oud) papier in brand gestoken, - terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor een nabij dat (oud) papier (in de [wijk] ) gelegen electriciteitsstation en/of de in de (directe) omgeving van dat electriciteitsstation zich bevindende

gebouwen en/of de inboedel/inventaris van die gebouwen en/of - terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor

de bewoners van de woningen gelegen in de (directe) omgeving van dat

(in de [wijk] gelegen) electriciteitsstation;

6. hij op of omstreeks 6 juni 2018 in de gemeente Deurne, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk brand heeft gesticht, in/aan/tegen een (bedrijfs)pand gelegen aan de [adres 10] ,

door opzettelijk open vuur en/of een andere ontstekingsbron in aanraking te brengen met een brandbaar voorwerp/voornoemde woning, - terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of nabij gelegen percelen en/of panden te duchten was;

7. hij op of omstreeks 26 september 2018 in de gemeente Asten, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, opzettelijk brand heeft gesticht in de carport van een woning gelegen aan [adres 11] , door opzettelijk (open) vuur en/of een andere ontstekingsbron in aanraking te brengen met een brandbaar voorwerp (een stoelverhoger) en/of met voornoemde woning, ten gevolge waarvan brand ontstaan is,

Tengevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging onder 3 begaan, ontbreken in de laatste regel na “bevindende personen” de woorden “te duchten was”. De rechtbank herstelt deze omissie en leest de tenlastelegging met inachtneming van vorenstaande. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd het ten laste gelegde onder 1, 2, 3, 4, 6 en 7 wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde onder 5.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde onder 2, 3, 4, 5 en 6 op grond van het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
De raadsman heeft ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 en 7 aangevoerd dat een bewezenverklaring kan volgen, in die zin dat steeds sprake is van brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake was van levensgevaar voor personen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel brandstichtingen heeft gepleegd, maar dat hij de ten laste gelegde feiten niet heeft gepleegd, althans dat hij zich dat niet kan herinneren.

Het oordeel van de rechtbank.
_d616ca7c-5351-4ed9-a1c9-c012334de336

Feit 1

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij woont aan de [adres 2] te Asten en dat zij op 26 september 2018 omstreeks 05.00 uur werd gewekt door de krantenbezorgster die aanbelde en bonsde op de voordeur. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij zag dat de zwarte vuilcontainer, die op de oprit van de woning stond, in brand stond, dat haar man de groene vuilcontainer, die ernaast stond, wegtrok en dat hij de brand bluste met een brandblusser. [slachtoffer 2] heeft verder verklaard dat boven de vuilcontainer een bewakingscamera hangt, dat zij de camerabeelden heeft bekeken en dat zij daarop zag dat om 04.54 uur een man de oprit op komt lopen, dat de man met een aansteker een in de zwarte vuilcontainer liggende plastic vuilniszak aansteekt en dat deze hierop begint te branden.

[verbalisant 1] heeft gerelateerd dat zij de camerabeelden afkomstig van het adres [adres 2] in Asten heeft bekeken. De hierna weergegeven tijden betreffen de daadwerkelijke tijden gelet op het relaas van [verbalisant 1] , inhoudende dat de daadwerkelijke tijd 1 uur later is dan de tijdsaanduiding op de camerabeelden. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat om 04.54.18 uur een manspersoon in beeld verschijnt, dat hij de oprit oploopt richting de afvalcontainer, dat hij om 04.54.33 uur de afvalcontainer die in beeld staat opent, dat de afvalcontainer vol zit, dat bovenop een dichtgeknoopte plastic zak ligt, dat de man zijn linkerhand tegen de plastic zak aanhoudt, dat hij met zijn duim een beweging maakt waarbij er een vonk ontstaat, dat hij dit zeven keer herhaalt en dat hij daarna de oprit afloopt. [verbalisant 1] heeft verder gerelateerd dat de man een bril draagt, kalend is en een jas draagt, licht van kleur en de mouwen donker van kleur, met een kraagje en een embleem op de linkerzijde van de borst. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat er om 04.55.00 uur een duidelijke brand in de afvalcontainer is, dat om 04.55.24 de brand hoger wordt en blijft branden, dat om 05.04.37 een man de brand gaat blussen en dat om 05.11.26 de brand uit is. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat zij de persoon op de camerabeelden van de brandstichting op de [adres 2] te Asten herkent als de persoon die zij op 15 september 2018 samen met [verbalisant 3] heeft gecontroleerd. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat zij de man op de camerabeelden beschrijft als een persoon met een donkere bril en een donker kortgeschoren haardracht met twee diepe inhammen. [verbalisant 2] heeft verder gerelateerd dat zij ook het opvallende jack (de rechtbank begrijpt: jas) van de man herkent, dat zij deze jas eerder heeft gezien op camerabeelden in combinatie met deze manspersoon, te weten een lichte jas met donkere mouwen, een kraag en een zwart embleem op de linkerborst.
[verbalisant 3] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd dat zij op 15 september 2018 omstreeks 03.55 uur op de [straat] te Deurne een man op een fiets zagen aankomen en dat deze man een kalend hoofd had en een bril droeg. [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd dat zij deze man om 04.10 uur wederom tegen kwamen, nu te voet met zijn hond, dat hij een bril droeg en was kaalgeschoren en dat hij desgevraagd zei dat hij [verdachte] , [adres 1] te [woonplaats] , was.

[verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben gerelateerd dat zij aanwezig waren bij de aanhouding van verdachte op 26 september 2018, dat verdachte dezelfde dag door hen is verhoord en door [verbalisant 5] ook op 27 september 2018 en dat zij op 29 en 30 oktober 2018 op verschillende momenten contact hebben gehad met verdachte. [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben gerelateerd dat zij meerdere keren de camerabeelden behorende bij de brandstichting van een afvalcontainer aan de [adres 2] te Asten hebben bekeken en dat zij de persoon die de brand sticht herkennen als verdachte. Zij hebben verder gerelateerd dat zij hem herkennen aan zijn gelaat, de vorm van het hoofd, zijn haarinplant en zijn manier van voortbewegen en dat zij zagen dat de jas die de persoon op de camerabeelden draagt identiek is aan de jas die zij bij verdachte in beslag hebben genomen.

Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat zij op 26 september 2018 de woning van verdachte binnentraden ter aanhouding van verdachte en inbeslagname van goederen gerelateerd aan brandstichtingen. [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat zij zagen dat in een van de stoelen bij de eettafel een jack (de rechtbank begrijpt: een jas) lag. [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben verder gerelateerd dat [verbalisant 5] deze jas in beslag nam en van de inbeslaggenomen jas foto’s maakte. De rechtbank neemt op de foto’s waar dat de jas een lichtkleurig borst- en rugpand heeft, donkere mouwen en een donkerkleurig embleem op de linkerborst.

[verbalisant 1] heeft gerelateerd dat zij in de rechter jaszak van de inbeslaggenomen jas van verdachte een betaalpas op naam van [verdachte] en een aansteker aantrof en in de linker jaszak ook een aansteker.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 1 heeft begaan, in die zin dat sprake is van brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de zich op de oprit bevindende groencontainer, te duchten was.

Feit 7

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij woont aan [adres 11] te Asten, dat naast zijn woning een carport is, dat deze carport aan de woning en de garage is vastgemaakt, dat onder de carport de auto staat, dat tussen de auto en de woning een oude dressoirkast staat en dat op de kast een stoelverhoger ligt. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zijn dochter in de week dat er veel branden in Asten zijn geweest ontdekte dat er brandschade aan de stoelverhoger zat, dat hij de brandschade ook zag en direct de beelden van de beveiligingscamera’s onder de carport en bij de woning terug is gaan kijken. [slachtoffer 3] heeft verder verklaard dat hij op de camerabeelden van 26 september 2018 zag dat een man het stoeltje onder de carport in brand stak, dat het stoeltje flink in brand staat en dat het vuur uiteindelijk uit zichzelf dooft. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij ontzettend is geschrokken, dat zijn vrouw, zoon en hij op dat moment boven lagen te slapen, dat de carport aan de onderzijde is betimmerd met kunststof schroten, dat hij er niet aan moet denken dat het vuur hierop overgeslagen was, dat het dak van de carport, de aangelegen serre en keuken allemaal [verbalisant 6] zijn, en dat het hele huis wel af had kunnen branden. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat op de beelden niet de juiste tijd zichtbaar is, maar dat hij heeft uitgerekend dat de brand tussen 04.00 en 04.30 uur heeft plaatsgevonden.

Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat zij op de camerabeelden afkomstig van de bewakingsbeelden van [adres 11] te Asten zagen dat een man de oprit opgelopen kwam, dat de man gekleed was in een jas waarvan het buik- en rugpand lichtkleurig was, de mouwen donkerkleurig en op de borst een opvallend zwart logo, dat de man kalend was en een bril droeg, dat de man naar het dressoir liep en dat op het dressoir een stoelverhoger stond. [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben verder gerelateerd dat de man met zijn linkerhand een voorwerp uit zijn jaszak haalde, dat hij dit voorwerp nabij de stoelverhoger hield, dat hij wederom met zijn linkerhand in zijn jaszak tastte en een voorwerp uit zijn jaszak haalde, dit wederom bij de stoelverhoger hield, dat iets felkleurig oplichtte, dat de stoelverhoger vlam vatte en dat de man de oprit afliep terwijl het brandje woedde. [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat zij de man herkenden als zijnde [verdachte] , dat zij hem herkenden aan zijn specifieke loopje, zijn houding en postuur, bril en kalend hoofd.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien met de onder feit 1 genoemde proces-verbalen van [verbalisant 4] en [verbalisant 5] omtrent de contactmomenten met verdachte en de inbeslagname van de jas, de waarneming van de rechtbank met betrekking tot die jas en het proces-verbaal van [verbalisant 1] omtrent het aantreffen van de betaalpas van verdachte en een tweetal aanstekers in de zakken van de jas, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 7 heeft begaan, in die zin dat sprake is van brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen, te weten voor onder meer de dressoirkast, de carport en de woning, te duchten was alsook levensgevaar voor personen, te weten voor de zich in de woning bevindende aangever, zijn vrouw en zoon.

Feit 6

[persoon 1] , manager bij [bedrijf 3] , heeft verklaard dat hij namens [slachtoffer 5] bevoegd is om aangifte te doen van brandstichting aan het kantoorpand aan [adres 10] in Deurne. [persoon 1] heeft verklaard dat de sleutelhouder op 6 juni 2018 omstreeks 07.00 uur een melding kreeg dat brand was ontstaan en dat de [verzekeringsmaatschappij] een onderzoek heeft ingesteld. [persoon 1] heeft verklaard dat door de brand schade is ontstaan aan de gevel, het dak, het plafond aan de binnenzijde en de op het dak bevestigde airco-installatie.

[getuige] heeft verklaard dat hij werkzaam is bij [verzekeringsmaatschappij] en dat uit een onderzoek naar de oorzaak van de brand is gebleken dat de brand is ontstaan door het brengen van vuur nabij de hemelwaterafvoer aan de rechter achterzijde van het pand. [getuige] heeft verder verklaard dat een uitdraai is gemaakt van het alarmsysteem, dat om 05.12.49 uur het alarm is afgegaan en dat zij daaruit hebben geconcludeerd dat de brand op dat moment naar binnen is geslagen, omdat geen braakschade zichtbaar was aan het pand.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft gerelateerd dat zij op de camerabeelden van de [adres 10] te Deurne zag dat op 6 juni 2018 om 03.35 een manspersoon van links het beeld inliep, dat hij vervolgens rechts achter het gebouw [adres 10] uit beeld verdween en dat dezelfde man om 03.38 uur achter het gebouw vandaan gelopen kwam en links uit beeld verdween. [verbalisant 5] heeft gerelateerd dat zij om 04.36 uur een lichte rookontwikkeling aan de achterzijde van het pand zag komen en om 04.45 uur een oranjekleurige lichtreflectie aan de achterzijde van het pand die zij interpreteerde als vlammen van de brand die inmiddels was uitgeslagen. [verbalisant 5] heeft verder gerelateerd dat zij de man kan omschrijven als een man van middelbare leeftijd met een kort kapsel aan de achterzijde opgeschoren en bovenop dun respectievelijk kalend en hij droeg een bril en een jas met een waarschijnlijk wit dan wel lichtkleurig borst- en rugpand en zwarte, dan wel donkerkleurige mouwen en op zijn linkerborst een donkerkleurig embleem.

[verbalisant 2] heeft gerelateerd dat zij de camerabeelden van de [adres 10] te Deurne heeft bekeken en dat zij op deze beelden de persoon herkent die zij op 15 september 2018 heeft gecontroleerd. [verbalisant 2] heeft verder gerelateerd dat zij op de camerabeelden een kaal manspersoon zag en dat de jas die de man droeg licht van kleur was, dat de mouwen erg donker van kleur waren en dat op de linkerborst een donker embleem zit.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien met het onder feit 1 genoemde proces-verbaal van [verbalisant 3] en [verbalisant 2] omtrent de controle van verdachte op 15 september 2018, het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] omtrent de inbeslagname van de jas en de waarneming van de rechtbank met betrekking tot die jas, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 6 heeft begaan, in die zin dat sprake is van brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen, te weten voor het desbetreffende bedrijfspand en de inboedel, te duchten was.

Feit 2

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij woont aan [adres 3] te Deurne, dat zij op 8 september 2018 omstreeks 04.30 uur wakker werd van een geluid, dat zij via het raam in de keukendeur naar buiten keek, dat zij zag dat er vuur was, dat er een hele hoop vlammen waren en dat deze vlammen zich bevonden aan de buitenzijde van de keukendeur gesitueerd onder de carport behorende bij haar woning. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat het vanwege het vuur onmogelijk was om via de keukendeur naar buiten te gaan, dat zij toen via een andere deur naar de tuin is gegaan, dat de tuin is omsloten door een houten schutting en de garage, dat zij de tuin niet kon verlaten zonder langs de brand te moeten en dat zij om hulp is gaan roepen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij 81 jaar is en slecht ter been, dat zij niet in staat was op eigen gelegenheid over de schutting te klimmen en dat uiteindelijk de politie haar met behulp van een trap over de schutting heeft getild. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij heeft gevreesd voor haar leven.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat hij woont aan [adres 5] te Deurne, dat hij op 8 september 2018 rond 04.30 uur in de buurt brand ziet, hoort en ruikt en dat hij constateert dat de losse aanbouw van zijn woning door voornoemde brand is aangetast. [slachtoffer 6] heeft verklaard dat zijn aanbouw grenst aan de aanbouw/carport van [adres 3] te Deurne.

[slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij woont aan [adres 6] te Deurne, dat zijn achtertuin grenst aan het perceel [adres 3] te Deurne, dat hij op 8 september 2018 omstreeks 04.30 uur wakker werd van gebonk op de deur en het raam, dat het zijn buurvrouw was van [nummer] , dat ze zei dat er brand was, dat hij grote vlammen uit de carport zag slaan van perceel [adres 3] , dat de carport grenst aan zijn scheidingsmuur, dat de vlammen in zijn tuin terecht kwamen en dat hij daardoor schade in zijn achtertuin heeft. [slachtoffer 7] heeft verklaard dat de trampoline, het kunststof gras en tuinstoelen door de brand zijn vernield en dat de scheidingsmuren door de hitte van de vlammen zijn gescheurd.

[verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben gerelateerd dat zij een brandonderzoek hebben ingesteld naar aanleiding van de brand in de woning aan [adres 3] te Deurne. [verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben gerelateerd dat het de rechter woning van een zogenaamde twee-onder-een-kapwoning betrof, dat de carport bestond uit houten balken met daarop een dakbedekking, dat via de oprit de carport te bereiken was met daarachter de garage en dat de carport met de linkerzijde aan de woning was bevestigd en met de achterzijde aan de garage. [verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben verder gerelateerd dat zij zagen dat de rechter zijgevel beroet was, dat de beroeting van onder de carport kwam en naar de nok van het dak zichtbaar was, dat de balken van de carport waren ingebrand, dat vuur en hitte hadden ingewerkt op de garagedeur, dat de houten balken en goederen op een opbergrek in de garage waren aangetast en dat de woonkamer en keuken beroet waren. [verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben gerelateerd dat kan worden gesteld dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan onder de carport aan de rechterzijde van de garagedeur en dat gemeen gevaar voor goederen/personen te duchten was gelet op de feiten dat het een hoekwoning betrof, dat de bewoonster in de woning lag te slapen, dat de overige ruimtes door rookgassen waren aangetast en dat de brand door de brandweer werd geblust.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft gerelateerd dat zij de beelden afkomstig van [adres 12] te Deurne heeft bekeken en dat de beelden de oprit van de woning (aan de [adres 12] ), het trottoir en deels de openbare weg voor de woning betroffen. [verbalisant 5] heeft gerelateerd dat zij op 8 september 2018 te 04.28 uur een manspersoon met een aangelijnde hond aan zag komen lopen over de [straat] , dat de man om 04.29 uur de oprit van de woning aan [adres 12] voorbij liep, om zich heen keek en zich omdraaide, waarna hij terugliep naar de oprit, dat hij de oprit opliep, dat hij uit beeld van de camera verdween voor 30 seconden, dat hij om 04.30 uur terug in beeld kwam, de oprit afliep en zijn weg vervolgde in de [straat] , in de richting van de kruising [straat] te Deurne. [verbalisant 5] heeft verder gerelateerd dat zij de man op de beelden kan omschrijven als kalend, droeg een jas waarvan het borst- en rugpand lichtkleurig waren en de mouwen donkerkleurig en droeg een bril met donker montuur.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien met de onder feit 1 en 7 genoemde bewijsmiddelen en hetgeen hierna is overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 2 heeft begaan, in die zin dat sprake is van brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de bij/aan de carport gelegen woning aan [adres 3] , voor belendende woningen en voor de zich in die woningen bevindende inboedel/inventaris, te duchten was alsook levensgevaar voor personen, te weten voor de zich in de woning aan [adres 3] bevindende [slachtoffer 1] .

Gelet op het relaas van verbalisant [verbalisant 5] omtrent de camerabeelden afkomstig van [adres 12] te Deurne is een manspersoon waarvan het signalement voldoet aan verdachte kort voor de brand niet alleen in de desbetreffende straat gesignaleerd, maar loopt hij ook een oprit van een woning op. Het door [verbalisant 5] omschreven signalement van deze manspersoon is zeer specifiek, te weten een kalende man, brildragend en met een jas waarvan het borst- en rugpand lichtkleurig waren en de mouwen donkerkleurig, en dit signalement komt overeen met het signalement van de persoon op de camerabeelden van feit 1 en 7, waarbij de desbetreffende persoon door meerdere verbalisanten is herkend als zijnde verdachte. Verder komt de door [verbalisant 5] omschreven jas overeen met de onder verdachte inbeslaggenomen jas en is verdachte in het bezit van een hond die hij ook bij zich had ten tijde van de controle door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 15 september 2018. Tot slot loopt de persoon op de camerabeelden van [adres 12] in de richting van de [straat] en dat is tevens in de richting van [adres 3] .

Feit 3

[slachtoffer 8] heeft verklaard dat hij mede-eigenaar is van het [bedrijf 2] , gevestigd aan [adres 7] te Deurne, dat tegen de gevel van het pand een container is geplaatst voor de opslag van automaterialen en dat naast deze container een afvalcontainer in gebruik bij “ [bedrijf 1] ” staat. [slachtoffer 8] heeft verklaard dat op 21 juli 2018 rond 05.00 uur de inhoud van de afvalcontainer in gebruik bij “ [bedrijf 1] ” in brand is gestoken, dat het vuur is overgeslagen in hun container, dat de inhoud van de container is verbrand en dat de gevel van het bedrijfspand door de brand zwart geblakerd is. [slachtoffer 8] heeft verder verklaard dat “ [bedrijf 1] ” aan het pand bewakingscamera’s heeft hangen.

[verbalisant 8] heeft gerelateerd dat zij de beelden van de brand aan [adres 7] te Deurne bekeek, dat op 21 juli 2018 omstreeks 05.00 uur een man in beeld komt, dat de man vermoedelijk blank is met een kalend hoofd of zeer kort haar en dat de man reed op een herenfiets. [verbalisant 8] heeft gerelateerd dat de man de container aansteekt en dat de container vlam vat en begint te branden.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft gerelateerd dat hij zich op 31 oktober 2018 bevond in de parkeergarage onder het appartementencomplex aan het [adres 13] te Deurne en dat de locatiemanager hem een fiets aanwees, waarvan zij wist dat deze fiets toebehoorde aan verdachte. [verbalisant 4] heeft gerelateerd dat dit een herenfiets betrof en dat een opvallend kenmerk aan de fiets het hoge, zogenaamde vlinderstuur, is.

Verbalisant [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben gerelateerd dat zij in het bezit waren van de foto’s van de fiets van verdachte, dat zij (zo begrijpt de rechtbank, hoewel in het proces-verbaal telkens “ik” staat) zagen dat de fiets een opvallend stuur had, een zogenaamd vlinderstuur, een opvallende beugel, behorende bij de bagagedragerinstructie, die synchroon liep met de fietsband en een opvallend kleurverloop in het frame. [verbalisant 5] en [verbalisant 4] hebben verder gerelateerd dat de fiets op de beelden van [adres 7] te Deurne overeenkomsten vertoonde met de fiets van verdachte, dat de opvallende in de schaduw van de garagedeur zichtbare kromming sterke overeenkomsten vertoont met het zogenaamde vlinderstuur van de fiets van verdachte en dat op sommige beelden ook de opvallende beugel, behorende bij de bagagedragerconstructie, die synchroon liep met de fietsband, en het kleurverloop van het frame zichtbaar was.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft gerelateerd dat zij aan [persoon 2] , de eigenaar en uitbater van [café] , gemeente Deurne, schriftelijk heeft gevraagd wanneer [verdachte] heeft deelgenomen aan dartwedstrijden in genoemd café, na sluiting van het officiële dartseizoen. [verbalisant 5] heeft gerelateerd dat [persoon 2] haar mailde dat [verdachte] met zekerheid heeft gedart in zijn café in de avonduren van 20 juli 2018.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft gerelateerd dat onder verdachte bij zijn aanhouding een GSM werd aangetroffen, dat deze telefoon over twee IMEI-nummers beschikte, dat van beide IMEI-nummers de historische verkeersgegevens werden gevorderd en verkregen, dat uit deze gegevens bleek dat in de telefoon in de bevraagde periode één simkaart heeft gezeten en dat dit een simkaart betreft met telefoonnummer [telefoonnummer] . [verbalisant 4] heeft gerelateerd dat uit de historische verkeersgegevens van de nacht van vrijdag 20 juli 2018 op zaterdag 21 juli 2018 blijkt dat de telefoon van verdachte tussen 21.56 uur en 03.25 uur meerdere malen gebruik maakt van een zendmast die de locatie van [café] bedient, dat er tussen 03.25 uur en 05.09 uur geen telefoonverkeer is en dat om 05.09 uur en 05.21 uur de telefoon gebruik maakt van zendmasten in de omgeving van de woning van verdachte.

De rechtbank stelt voorts aan de hand van de in het dossier opgenomen overzichtskaart vast dat [adres 7] te Deurne is gelegen op een logische route tussen [café] en de woning van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel eens brand heeft gesticht in grotere containers dan containers die doorgaans voor huishoudelijk afval worden gebruikt.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder 3 heeft begaan, in die zin dat sprake is van brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de container in gebruik bij “ [bedrijf 2] ”, het bedrijfspand aan [adres 7] en de inboedel en inventaris van genoemd bedrijfspand, te duchten was.

Feit 4

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 4 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om verdachte als dader aan te merken van de brandstichting waarvan [slachtoffer 9] namens [slachtoffer 10] aangifte heeft gedaan. Anders dan een onderzoek naar de sleutelgegevens van het appartementencomplex waarin verdachte woont en waaruit volgt dat verdachte ten tijde van de brandstichting niet thuis was en een met de telefoon van verdachte kort na de brandstichting verzonden bericht met de tekst “I’m gonna kill myself” bevat het dossier geen aanwijzingen waaruit de betrokkenheid van verdachte bij dit feit volgt. Zo zijn er bijvoorbeeld geen camerabeelden. De locatie [adres 9] te Deurne is niet gelegen in de buurt van de woning van verdachte en de modus operandi komt niet overeen met andere brandstichtingen die verdachte heeft begaan, waarbij brand is gesticht onder een carport of in een container.

Feit 5

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 5 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om verdachte als dader aan te merken van de brandstichting waarvan [persoon 3] namens [energiemaatschappij] aangifte heeft gedaan. De locatie [adres 14] te Deurne is niet gelegen in de buurt van de woning van verdachte en de modus operandi komt niet overeen met andere brandstichtingen die verdachte heeft begaan, waarbij brand is gesticht onder een carport of in een container.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1. op 26 september 2018 in de gemeente Asten opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur en/of een andere ontstekingsbron de inhoud van een vuilcontainer op de oprit van een woning aan de [adres 2] in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor een op die oprit bevindende groencontainer, te duchten was;

2. op 8 september 2018 in de gemeente Deurne opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur en/of een andere ontstekingsbron een carport en/of goederen bevindende zich onder/bij een carport behorende bij pand [adres 3] in brand gestoken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander, te weten voor de zich in die woning bevindende bewoonster genaamd [slachtoffer 1] , en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de bij/aan die carport gelegen woning [adres 3] en belendende woningen en de zich in die woningen bevindende inboedel/inventaris, te duchten was;

3. op 21 juli 2018 in de gemeente Deurne opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur en/of een andere ontstekingsbron een afvalcontainer in gebruik bij " [bedrijf 1] " in brand gestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor een bedrijfspand waarin gevestigd " [bedrijf 1] " en een zich nabij die brandende afvalcontainer bevindende container in gebruik bij " [bedrijf 2] " en een daarnaast aan [adres 7] gelegen bedrijfspand waarin gevestigd " [bedrijf 2] " en de inboedel en inventaris van genoemde bedrijfspanden, te duchten was;

6. op 6 juni 2018 in de gemeente Deurne opzettelijk brand heeft gesticht tegen een bedrijfspand gelegen aan de [adres 10] , door opzettelijk open vuur en/of een andere ontstekingsbron in aanraking te brengen met een brandbaar voorwerp, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

7. op 26 september 2018 in de gemeente Asten opzettelijk brand heeft gesticht in de carport van een woning gelegen aan [adres 11] , door opzettelijk open vuur en/of een andere ontstekingsbron in aanraking te brengen met een brandbaar voorwerp (een stoelverhoger), ten gevolge waarvan brand ontstaan is, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen, te weten de zich in die woning bevindende personen, te duchten was.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 6 en 7 op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.
De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis rekening gehouden met de ernst van de feiten en de impact die de branden hebben gehad op het leven van de mensen in Deurne en Asten en in het bijzonder op dat van de slachtoffers.

De officier van justitie heeft verder rekening gehouden met de door de gedragsdeskundigen omtrent verdachte opgemaakte rapporten, inhoudende dat verdachte lijdende is aan een persoonlijkheids- en alcoholstoornis en als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, dat het recidiverisico hoog is en dat het enige behandelingskader – gelet op de ernst van de stoornis en het ondanks langdurige behandeling beperkte zelfinzicht – een TBS met bevel tot verpleging is. De officier van justitie heeft aangevoerd dat aan de vereisten van de door de deskundigen geadviseerde terbeschikkingstelling met verpleging is voldaan.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen die passend is bij de door hem bewezen geachte feiten 1 en 7.
De raadsman heeft verder verzocht geen terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte uitvoerig is behandeld en dat het (pas) is misgegaan in de resocialisatiefase door zijn alcoholgebruik. De raadsman heeft aangevoerd dat hij verwacht dat een behandeling in een GGZ-instelling, al dan niet met een BOPZ-machtiging of in het kader van een TBS met voorwaarden, volstaat.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf brandstichtingen waarbij telkens gemeen gevaar voor goederen bestond en bij twee van die brandstichtingen ook levensgevaar voor personen. Dergelijke delicten leiden tot een toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. In onderhavige zaak hebben de brandstichtingen grote onrust veroorzaakt in met name de plaatselijke gemeenschap van Deurne en Asten.

Verdachte heeft door zijn gedragingen niet alleen grote materiële schade veroorzaakt, maar ook gevaren voor anderen in het leven geroepen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich niets heeft aangetrokken van de belangen van de slachtoffers. Uit de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen volgt dat de brandstichtingen grote indruk op hen hebben gemaakt. Meerdere slachtoffers hebben aangegeven dat zij kampten met slaapproblemen. [slachtoffer 1] (feit 2) heeft aangegeven dat zij zeer angstig is geweest tijdens de brandstichting en op enig moment zelfs heeft gedacht dat zij het leven zou laten. Nadien heeft zij veel huilbuien gehad. Mevrouw ondervindt ook nu nog de gevolgen van de brandstichting. Door de brand is haar huis nog niet bewoonbaar en zij ervaart het gemis van haar hondje en dierbare spullen.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte in 1997 en 2001 reeds onherroepelijk werd veroordeeld voor brandstichting, waarbij hij in 2001 naast acht maanden gevangenisstraf ook terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging opgelegd heeft gekregen.

De rechtbank houdt in strafverzwarende zin ook rekening met de omstandigheid dat verdachte tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol verkeerde, waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende.

De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat uit de omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebrachte rapporten door psychiater E.M. Bakker en GZ-psycholoog R. Bout van 13 december 2018 blijkt, dat de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat aan verdachte in ieder geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur moet worden opgelegd. De rechtbank heeft zich voorts de vraag gesteld of aan verdachte, in enige vorm, de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Het rapport van psychiater E.M. Bakker houdt onder meer het volgende in: Bij betrokkene is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en vermijdende trekken, een stoornis in alcoholgebruik en een ongespecificeerde parafiele stoornis. Ten tijde van het tenlastegelegde, indien en voor zover bewezen geacht, waren bovengenoemde stoornissen eveneens aanwezig.
Betrokkene heeft een justitiële voorgeschiedenis bestaand uit twee eerdere veroordelingen voor brandstichting, waarbij hij de laatste keer werd veroordeeld tot TBS met dwangverpleging. In 2013 werd deze maatregel voorwaardelijk beëindigd en ging hij wonen in een RIBW te Deurne. Eind 2016 is de maatregel TBS onvoorwaardelijk beëindigd, maar bleef betrokkene woonachtig in dezelfde RIBW.

Sinds het verblijf in een RIBW is betrokkene toenemend geïsoleerd geraakt door zijn onvermogen om sociale contacten te leggen. Nadat betrokkene zijn baan verloor in september 2017 nam zijn eenzaamheid en sombere gevoel toe. Betrokkene zocht zijn toevlucht tot darten in de kroeg, waarbij hij geleidelijk meer alcohol ging nuttigen. Hiernaast speelde bij betrokkene een continue gevoelde frustratie en onvermogen ten aanzien van zijn gestoorde seksualiteitsbeleving. In juni 2018 ontstond vervolgens een conflict met zijn begeleiders van de RIBW over zijn hygiëne, wat een accumulatie van spanning en boosheid bij betrokkene opleverde. Betrokkene is onvermogend om op een adequate wijze met deze overweldigende gevoelens om te gaan en vervalt dan in zijn enige uitweg: het toenemend nuttigen van alcohol. Alcohol werkt bij betrokkene drempelverlagend ten aanzien van zijn impulsregulatie. De combinatie van een verminderde impulscontrole door de inname van alcohol en de innerlijke woede en frustratie lijken te hebben geleid tot impulsieve acting-out in de vorm van brandstichting.

Gezien de ernstige persoonlijkheidspathologie van betrokkene, zoals beschreven in onderhavig rapport maar ook in de vele eerdere rapporten, acht rapporteur betrokkene op demomenten dat hij brand stichtte onvoldoende in staat om zijn denken en handelen te beïnvloeden. Geadviseerd wordt om betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor de ten laste gelegde brandstichtingen, mits en voor zover bewezen verklaard.
Uit de afweging van de klinische beoordeling en alle risico- en beschermende factoren, schat rapporteur het risico op een herhaling van brandstichting als hoog in wanneer betrokkene zonder enige vorm van behandeling of begeleiding zou worden vrijgelaten.

Gezien de aard en ernst van de problematiek en het feit dat eerdere langdurige behandelingeen snelle terugval niet heeft kunnen voorkomen, is naar mening van rapporteur een zeerlangdurende, mogelijk zelfs levenslange, intensieve behandeling en begeleiding nodig. Zelfs in de ingebedde vorm van een RIBW, na een 16-jarige behandeling in de TBS, is hetbetrokkene onvoldoende gelukt om aansluiting te vinden of tijdig hulp te vragen op het moment dat de spanning begon op te lopen. Het geringe introspectieve vermogen en deneiging tot zelfoverschatting zijn hierbij complicerende factoren. Ter voorkoming van recidive is het noodzakelijk dat betrokkene op een zeer intensieve wijze en zeer langdurig behandeld en begeleid zal moeten gaan worden in het dagelijks leven, waarbij de nodige aandacht uit dient te gaan naar het gedragsmatig aanpakken van zijn alcoholmisbruik. Daarnaast zijn de aspecten copingvaardigheden ten aanzien van emotieregulatie, impulsbeheersing, daginvulling, sociale contacten en zijn seksualiteitsbeleving van kernbelang. Een en ander kan het beste plaatsvinden binnen een setting waar 24-uurs zorg aanwezig is, waarbij op termijn opnieuw gekeken kan worden naar een RIBW-vorm waarbij regelmatige controle en aanwezigheid van begeleiding zeer noodzakelijk is.
Bovengenoemd interventieadvies kan volgens rapporteur niet anders worden vormgegeven dan in het kader van een maatregel TBS met dwangverpleging. Een TBS met voorwaarden is door rapporteur overwogen, maar verworpen vanwege de enerzijds beperkte duur van deze maatregel en anderzijds de mening van rapporteur dat betrokkene niet in staat zal zijn zich te houden aan de, te verwachten, voorwaarde van abstinentie van alcohol.

Het rapport van GZ-psycholoog R. Bout houdt verder onder meer het volgende in:Betrokkene is een thans 44-jarige man bij wie sprake is van een pedofiele stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol. Daarnaast is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline (instabiel zelfbeeld en affecten, recidiverende suïcidale gedragingen, woede-uitbarstingen) en vermijdende trekken (sociale geremdheid, gevoelens van insufficiëntie). Ten tijde van het tenlastegelegde waren deze stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens aanwezig. Zowel de persoonlijkheidsstoornis als het gebruik van alcohol hebben invloed gehad op de gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene. Dat gaat niet op voor de pedofiele stoornis.
Betrokkene woonde in de jaren voor het ten laste gelegde begeleid zelfstandig nadat in 2016 een behandeling in het kader van een TBS met dwangverpleging was gestopt. Gaandeweg is betrokkene langzaamaan afgegleden. Hij stopte met een betaalde baan en kwam steeds meer in een sociaal isolement terecht. Enerzijds biedt sociaal isolement betrokkene veiligheid (hij heeft dan minder prikkels), anderzijds roept het frustratie en boosheid op. Naast deze externe factoren die de draaglast verhogen, is bij betrokkene sprake van een, in tijd opbouwende, innerlijke spanning. Inherent aan de persoonlijkheidsproblematiek is er sprake van een instabiele (seksuele) identiteit en gevoelsleven. Betrokkene is ontevreden metzichzelf wat zijn diffuse gevoelsleven negatief beïnvloedt. Betrokkene heeft te weinig adequate coping mechanismen om met deze gemengde gevoelens om te gaan. Betrokkene is vanuit zijn persoonlijkheidspathologie vooral geneigd negatieve emoties te ontkennen. Daarnaast gebruikt hij alcohol als inadequate manier van coping. Op korte termijn dekt hij met alcohol de innerlijke onrust toe. Op lange termijn ondermijnt het gebruik van alcohol de impulscontrole van betrokkene. Volgens zijn begeleiders vervuilde betrokkene in de laatste maanden zijn eigen studio dermate dat overplaatsing naar een woongroep noodzakelijk was. Dat was tegen de zin van betrokkene wat bij hem de draaglast verder verhoogde. Betrokkene is uiteindelijk onvoldoende in staat om het hoofd te bieden tegen alle externe stressoren en innerlijke spanningen. Hij komt tot impulsief acting-out gedrag door het stichten van branden in zijn omgeving, indien bewezen.
Onderzoeker is van mening dat de persoonlijkheidspathologie heeft doorgewerkt in de totstandkoming van de ten laste gelegde feiten. Het alcoholgebruik heeft weliswaar de impulscontrole van betrokkene verminderd maar betrokkene moet bekend worden geacht met dit effect van alcohol. De parafiele stoornis heeft geen noemenswaardige doorwerking gehad. Onderzoeker komt tot het advies om de ten laste gelegde feiten verminderd toe te rekenen aan betrokkene.

Uit de standaard risicotaxatielijsten komt naar voren dat er veel risicofactoren aanwezig zijn en betrokkene over een beperkt aantal beschermende factoren beschikt. Vanuit klinisch oogpunt kan worden toegevoegd dat met name de complexe affectieve instabiliteit, externe stressoren en de beperkte coping van betrokkene risicoverhogende factoren zijn. Het risico op recidive wordt door onderzoeker op zowel de korte als de (middel)lange termijn als hoog ingeschat.

In de toekomst zal het recidivegevaar beperkt kunnen worden als betrokkene (de rechtbank leest in: behandeling) ondergaat zodat hij meer zicht krijgt op de keten van gedachten, gevoelens en gedragingen die leiden tot delictgedrag. Dit zou middels cognitieve gedragstherapie kunnen worden gedaan. Behandeling van zijn alcoholgebruik zal noodzakelijk zijn waarbij medicamenteuze behandeling als optie moet worden meegenomen. Daarnaast zal er rond betrokkene een sterk extern sociaal systeem moeten worden gecreëerd waardoor hij minder snel zal vervallen in een sociaal isolement, drankgebruik en toenemende spanningen. Betrokkene blijft, in de ogen van onderzoeker, in grote mate afhankelijk van een professionele omgeving om dit vorm te geven. Een dergelijke behandeling zou aanvankelijk klinisch moeten plaatsvinden om vervolgens over te gaan in begeleiding in een beschermde of begeleide woonvorm.

De hierboven beschreven behandeling zal, gezien de ernst van de pathologie en de daarmee gepaard gaande hoge kans op recidive, moeten plaatsvinden in een stringent juridisch kader. Onderzoeker is van mening dat behandeling in een voorwaardelijk kader (als bijzondere voorwaarde of TBS met voorwaarden) onvoldoende zekerheid biedt dat recidive in de toekomst wordt voorkomen. De kans dat betrokkene zich aan (bijzondere) voorwaarden houdt, wordt als beperkt ingeschat. Ondanks langdurige behandeling is het ziekte-inzicht bij betrokkene beperkt. Betrokkene heeft onvoldoende zicht op de complexe affectieve problematiek en blijft geneigd om alcohol te gebruiken waarmee de impulscontrole wordt ondermijnd. Onderzoeker adviseert dan ook om betrokkene de maatregel TBS met dwangverpleging op te leggen.

Ter terechtzitting hebben beide gedragsdeskundigen gepersisteerd bij hun adviezen.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over. De rechtbank acht, gelet op de gegeven onderbouwing daarvoor in de rapporten, zoals in hoofdzaak hiervoor weergegeven, deze conclusies en adviezen deugdelijk onderbouwd. Met de psycholoog en de psychiater is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

De rechtbank overweegt dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De hierna te kwalificeren feiten betreffen misdrijven waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Verder merkt de rechtbank op dat twee feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal ook bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

De rechtbank zal daarnaast, in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding en beveiliging, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht.

Gelet op de ernst en hardnekkigheid van de problematiek van verdachte, die volgens de psychiater een zeer intensieve en langdurige behandeling en begeleiding vereist, alsmede gelet op het ontbreken van ziekte-inzicht bij verdachte, houdt de rechtbank er sterk rekening mee dat een lange behandelduur noodzakelijk is. Daarom zal de rechtbank een kortere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van een kortere gevangenisstraf en de terbeschikkingstelling met verpleging met naar verwachting een aanzienlijke (behandel)duur de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat zij één feit minder bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie heeft gevorderd.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 2] (feit 1), [slachtoffer 1] (feit 2), [slachtoffer 7] (feit 2) en [slachtoffer 3] (feit 7) in haar geheel toe te wijzen.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer 11] (feit 2) gedeeltelijk toe te wijzen, te weten tot een bedrag van € 2.681,60. De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering ten aanzien van de post ‘sloten vervangen’.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer 6] (feit 2) deels toe te wijzen, te weten tot een bedrag van € 1.031,22. De officier van justitie heeft gevorderd de gevorderde vergoeding voor immateriële schade van € 2.000,00 te matigen naar € 1.000,00.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [slachtoffer 10] (feit 4) deels toe te wijzen, te weten tot een bedrag van € 6.003,60. De officier van justitie heeft gevorderd de gevorderde vergoeding voor immateriële schade van € 3.000,00 te matigen naar € 1.500,00.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij [bedrijf 3] (feit 6) niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De officier van justitie heeft aangevoerd dat onduidelijk is hoe hoog de niet-vergoede schade is.

De officier van justitie heeft gevorderd de (deels) toe te wijzen vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] (alle feit 2), [slachtoffer 10] (feit 4) en [bedrijf 3] (feit 6) niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen gelet op de door de raadsman bepleite vrijspraak in die zaken.
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1) aangevoerd dat de gevorderde vergoeding voor materiële schade toewijsbaar is.

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 7) aangevoerd dat deze niet wordt betwist.

Het oordeel van de rechtbank.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1).

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, te weten tot een bedrag van € 34,49 voor materiële schade.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 2).

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, te weten tot een bedrag van € 2.250,00 voor immateriële schade.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] (feit 2).

De rechtbank acht de vordering gedeeltelijk toewijsbaar, te weten tot een bedrag van € 100,00 voor materiële schade (post eigen risico) en een bedrag van € 1.000,00 voor immateriële schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde vergoeding voor het vervangen van sloten en tijdverlet, aangezien in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. Ten aanzien van de post tijdverlet overweegt de rechtbank dat dit ook geen kosten betreffen ter vaststelling van de schade of aansprakelijkheid.

De rechtbank zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde vergoeding voor immateriële schade. Deze vergoeding is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan de onderdelen van de vordering die niet-ontvankelijk worden verklaard bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 2).

De rechtbank acht de vordering gedeeltelijk toewijsbaar, te weten tot een bedrag van € 31,22 voor materiële schade en een bedrag van € 1.000,00 voor immateriële schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde vergoeding voor immateriële schade. Deze vergoeding is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dat onderdeel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 2).

De rechtbank acht de vordering gedeeltelijk toewijsbaar, te weten tot een bedrag van € 1.000,00 voor immateriële schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde vergoeding voor immateriële schade. Deze vergoeding is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dat onderdeel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] (feit 4).

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.
De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 3] (feit 6).

De rechtbank acht de vordering gedeeltelijk toewijsbaar, te weten tot een bedrag van € 750,00 voor materiële schade (posten eigen risico). De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval ten aanzien van deze posten voldoende is komen vast te staan dat deze schade niet is vergoed.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de meer gevorderde vergoeding voor materiële schade. Deze vergoeding is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dat onderdeel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 7).

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, te weten tot een bedrag van € 24,00 voor materiële schade en een bedrag van € 1.000,00 voor immateriële schade.
Wettelijke rente

De rechtbank zal de toegewezen vergoedingen telkens vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict waarop de desbetreffende vordering betrekking heeft tot aan de dag der algehele voldoening.
Kostenveroordeling

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] (feit 1), [slachtoffer 1] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] (alle feit 2), [bedrijf 3] (feit 6) en [slachtoffer 3] (feit 7), tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 10] (feit 4) veroordelen in de kosten van verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal telkens voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedings-maatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor weergegeven.
Aangezien aan verdachte telkens meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfd