Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:1378

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:1378, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/865092-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBOBR:2019:1378:DOC
nl

center
100
3bcb8f90-d853-4285-8648-ae04e7548150
16
550
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865092-18 Datum uitspraak: 13 maart 2019
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,ingeschreven te [woonplaats] , [adres] ,thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B). Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 12 december 2018 en 27 februari 2019.De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 november 2019.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 augustus 2018 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg - [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals/nek heeft gestoken en/of

- [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de romp en/of rug, althans in het bovenlichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs


Inleiding.

Op 30 augustus 2018 is [slachtoffer] in Eindhoven door verdachte met een mes gestoken.
Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft -zoals vermeld in haar op schrift gesteld requisitoir- vrijspraak gevorderd van de poging tot moord. Volgens de officier van justitie kan niet worden bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De officier van justitie acht de poging tot doodslag wel bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk twee keer met een mes in de hals te steken. Verdachte heeft zich moeten realiseren dat zijn handelen tot de dood van het slachtoffer zou (kunnen) leiden. Op die dood bestond een aanmerkelijke kans. Uit het handelen door verdachte valt af te leiden dat verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn slachtoffer door zijn toedoen zou overlijden.
Het standpunt van de verdediging.

Met de officier van justitie is de raadsman van oordeel er geen sprake was van voorbedachte rade. [getuige] heeft ten nadele van verdachte verklaard dat hij kort voor het voorval van verdachte had gehoord dat hij de persoon die een dag eerder zijn fiets had gestolen neer zou gaan steken. [getuige] heeft ook verklaard dat hij toen zag dat verdachte een mes vast hield in zijn handen en dit daarna in zijn broeksband stak. Volgens de raadsman mag aan deze verklaringen van [getuige] niet veel waarde worden gehecht. [getuige] stond niet op goede voet met verdachte en hij had redenen om belastend te verklaren. Een contra indicatie voor de voorbedachte rade is verder het gegeven dat verdachte bij de [modewinkel] in Eindhoven had afgesproken. Verdachte wist dat dat daar een camera hangt. Als je voornemens bent om iemand van het leven te beroven doe je dat niet op een plaats waar een camera hangt.
Het oordeel van de rechtbank.
_cafc6272-9d43-49aa-870a-855a1b06e090

Op grond van onderstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] op 30 augustus 2018 in Eindhoven met een mes in de hals/nek heeft gestoken.

Bewijsmiddelen.

(een nagekomen proces-verbaal van aangifte)
Aangifte [slachtoffer] op 24 januari 2019, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Ik wil het volgende verklaren over het incident dat plaatsvond op 30 augustus 2018 omstreeks 12.00 uur. Ik verbleef ongeveer drie weken in Eindhoven. Ik had de avond voor het voorval een fiets nodig, dus vroeg ik aan de jongen die mij later heeft gestoken om even zijn fiets te lenen. Ik mocht toen de fiets lenen van deze jongen. De volgende dag werd ik ’s morgens gebeld door die jongen van de fiets. Hij zei dat ik naar de stad moest komen om de fiets terug te brengen. Hij zei toen dat hij bij de [modewinkel] zou zijn. Ik zag dat hij daar stond in een soort van hokje bij de eerste nooduitgang. Ik liep met de fiets naar hem toe. Ik zette de fiets weg. Voordat ik het wist stak die jongen mij in mijn nek. Ik denk dat hij mij met zijn rechterhand stak. Ik voelde een prik aan de linker-voorzijde in mijn nek. Ik zag dat het bloed gelijk uit mijn nek spoot. Ik zakte langzaam in elkaar.
Als relaas van de arts, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

(nagekomen aanvraagformulier medische informatie)Bij [slachtoffer] constateerde ik op 30 augustus 2018 in het [ziekenhuis] een pulserende bloedende wond in de hals, regio links. Het betrof een ernstige bloeding van de halsslagader links waarvoor operatie op operatiekamer, overhechten defect halsslagader.
(blz. 63 – 64 + camerabeelden blz. 65 - 70)
Bevindingen [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op donderdag 30 augustus 2018, omstreeks 15.23 uur, was ik, verbalisant, belast met het omschrijven van de gevorderde camerabeelden van de [modewinkel] gevestigd aan [vestigingsadres] Eindhoven. Op donderdag 30 augustus 2018 vond er een steekincident plaats in de omgeving van de [modewinkel] . Ik hoorde dat op de camerabeelden het steekincident te zien was. Ik bekeek de camerabeelden en ik zag het volgende:— dat de negroïde man een scherp voorwerp in zijn rechterhand heeft en dicht bij de man met de fiets gaat staan.— dat de negroïde man met zijn rechterhand waarmee hij het scherpe voorwerp vasthoudt, twee keer met kracht richting de hals van de man met de fiets steekt.— dat de man met de blauwkleurig t-shirt direct bloed verliest en uit het beeld van de camera vlucht.
(blz. 71 -72)
Bevindingen [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op donderdag 30 december 2018 was ik [verbalisant 2] belast met het bekijken van foto’s en camerabeelden in verband met een gevraagde herkenning. Ik zag dat op de foto en beelden een man getoond werd. Ik, [verbalisant 2] , herken deze man voor 100% als zijnde: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] op [geboorteplaats] , adres: onbekend. Ik, [verbalisant 2] , ben in mijn hoedanigheid als coördinator [bevolkingsgroep] problematiek veelal werkzaam in de binnenstad van Eindhoven. In de binnenstad heb ik veelal contact met personen uit de [naam doelgroep] doelgroep en personen die hier deel vanuit maken. Genoemde [verdachte] is in het verleden vaker verdacht van strafbare feiten zoals (diefstallen geweld misdrijven en overlast door drugs problematiek. Ik herken [verdachte] aan zijn postuur en voorkomen. Ik herken ook de kleding die [verdachte] draagt op de foto en beelden. Deze kleding draagt hij vaker.
Verklaring verdachte ter terechtzitting op 27 februari 2019, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op 30 augustus 2018 heb ik bij de [modewinkel] in Eindhoven een jongen met een mes gestoken. Ik raakte hem met het mes in zijn nek.
Overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de bewijsmiddelen.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van aangever. Daarvoor is ten minste vereist dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Bij de beoordeling van de vraag of sprake was van een aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen, waaronder met name de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangever steekverwondingen in zijn hals/nek heeft opgelopen, te weten een pulserende bloedende wond in de hals, regio links. Het betrof een ernstige bloeding van de halsslagader links waarvoor een operatie (overhechten defect halsslagader) op de operatiekamer van het [ziekenhuis] in Eindhoven nodig was. De rechtbank stelt voorop dat de hals een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. In de hals bevinden zich zenuwknooppunten en aders waaronder de halsslagader. Naar algemene ervaringsregels levert een verwonding van de halsslagader zeer groot bloedverlies op en daardoor de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank was derhalve sprake van een aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever ten gevolge van het handelen van verdachte. Het samenstel van de gedragingen van verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm verder zozeer gericht op de dood dat het – behoudens contra-indicaties waarvan niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van aangever bewust heeft aanvaard.De rechtbank acht derhalve de ten laste gelegde poging doodslag, wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
op 30 augustus 2018 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet [slachtoffer] meermalen met een mes in de hals/nek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op putatief noodweer(exces) toekomt. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte, waartegen verdediging noodzakelijk was. Hij moest zich verdedigen tegen een dreigend gevaar. De verdediging heeft hiertoe het volgende aangevoerd.Verdachte wilde van het latere slachtoffer een vergoeding in geld omdat hij zijn fiets niet tijdig teruggekregen had en zelf daardoor gedupeerd was. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij te maken had met een drugsdealer. Vier dagen eerder had hij gezien dat het latere slachtoffer een klein pistool bij zich droeg. Verdachte heeft het slachtoffer op 30 augustus 2018 bij de [modewinkel] eerst een klein prikje gegeven. Hij zag toen een koele man tegenover zich die hiervan niet onder de indruk was. Na dat eerste prikje rommelde het slachtoffer kort aan het tasje dat hij bij zich droeg. Op de in de zittingzaal afgespeelde camerabeelden zijn de handen van het slachtoffer enkele seconden niet te zien. Dat is het moment geweest dat het slachtoffer aan zijn tasje zat. Meteen daarna is te zien hoe het slachtoffer wordt gestoken. Verdachte mocht veronderstellen dat het slachtoffer zijn pistool op 30 augustus 2018 bij zich droeg en dat hij dat zou pakken. Derhalve mocht verdachte zich verdedigen. Verdachte was tevoren niet boos. De angst voor een vermeende aanval overheerste. Een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) leidt tot afwezigheid van alle schuld. Hierop dient ontslag van rechtsvervolging plaats te vinden.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op putatief noodweer(exces) niet gehonoreerd dient te worden, nu er geen sprake was van een situatie waarin verdachte zich moest verdedigen.
Het oordeel van de rechtbank

Nu de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken, moet beoordeeld worden of en in hoeverre de overige feiten en omstandigheden het beroep op putatief noodweer(exces) van verdachte rechtvaardigen. Volgens bestendige jurisprudentie mag de rechtbank de last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van een beroep op putatief noodweer(exces) niet uitsluitend op de verdachte leggen.Op de ter terechtzitting op 27 februari 2019 afgespeelde camerabeelden heeft de rechtbank niet waargenomen dat de handen van het slachtoffer op enig moment in de richting gingen van een tasje dat het slachtoffer bij zich zou hebben gedragen. Noch bij het begin van de ontmoeting vanaf het moment dat het slachtoffer op de fiets arriveerde bij de [modewinkel] , noch direct voor het steken door verdachte in de richting van de hals/nek van het slachtoffer is dit te zien. Direct voor het daadwerkelijk steken zijn de handen van het slachtoffer gedurende een kort moment van ongeveer 2 seconden niet in beeld. Dit komt niet overeen met de verklaring van verdachte dat het slachtoffer herhaaldelijk probeerde iets uit zijn tasje te pakken. Uit de camerabeelden leidt de rechtbank af dat verdachte had het mes al in zijn hand heeft genomen toen hij het slachtoffer opwachtte bij de [modewinkel] . Op geen enkel moment heeft de rechtbank waargenomen dat van het latere slachtoffer enige dreiging uitging. Daar komt bij dat niet aannemelijk is geworden en door verdachte ook niet is onderbouwd dat hij vier dagen voor 30 augustus 2018 bij het latere slachtoffer een klein pistool heeft gezien. De bewering van verdachte dat hij verontschuldigbaar verkeerde in de veronderstelling dat er sprake was van een dreigende ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn persoon, waartegen hij zich moest verdedigen vindt ook verder geen steun in het dossier.
De rechtbank verwerpt gelet op het vorenstaande het beroep op putatief noodweer(exces).Er zijn geen ook overigens feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van verdachte uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Oplegging van straf en/of maatregel.

- gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest- terbeschikkingstelling met bevel van verpleging van overheidswege.

De eis van de officier van justitie.

(Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht).
Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om in deze zaak geen langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf en geen terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Dwangverpleging wordt enkel opgelegd in de gevallen waarin een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet mogelijk is. In de onderhavige zaak hebben deskundigen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden geadviseerd. De verdediging bepleit het opleggen van terbeschikkingstelling met voorwaarden en verzoekt de rechtbank hierbij te bepalen dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Het is zowel in het belang van de samenleving als ook in het belang van verdachte dat hij zo snel mogelijk kan starten met een behandeling van zijn problematiek.
Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf en maatregelen die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Straf

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Hij heeft [slachtoffer] vanuit het niets meerdere keren met kracht met een mes in de hals/nek gestoken. Verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De omstandigheid dat de gevolgen van het aan het slachtoffer toegebrachte letsel niet tot de dood hebben geleid, is geenszins aan verdachte te danken. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het incident grote impact heeft gehad op het slachtoffer. Hij heeft zeer angstige momenten doorgemaakt en dat hij nog steeds dagelijks gevolgen ondervindt van het incident en hieraan ernstige lichamelijke klachten heeft overgehouden.Een delict als het onderhavige veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. De steekpartij heeft plaatsgevonden rond het middaguur in het centrum van de stad. Veel bezoekend publiek is hiervan getuige geweest. Verder laat het zeer gewelddadige karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit zien dat hij er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 25 januari 2019 eerder, op 7 april 2015 voor poging zware mishandeling en op 27 januari 2016 voor bedreiging en mishandeling (2 x) telkens werd veroordeeld tot forse gevangenisstraffen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Deze straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een langdurige vrijheidsbeneming. De gevangenisstraf die de rechtbank daarbij passend vindt, is een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Maatregel

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verdachte ter beschikking dient te worden gesteld met bevel van verpleging van overheidswege of dat het opleggen van terbeschikkingstelling met voorwaarden passend en geboden is.De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
In het door psycholoog [naam psycholoog] op 17 januari 2019 omtrent verdachte uitgebrachte rapport staat onder andere het volgende vermeld:
Betrokkene heeft meewerkt aan het onderzoek. Naar aanleiding van dit onderzoek kan bij

betrokkene een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens worden vastgesteld, in de

zin van een verstandelijk ontwikkelingsstoornis (niveau licht-matig) en een andere

gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met een combinatie van antisociale en narcistische

trekken. Er is tevens sprake van een stoornis in cannabisgebruik (matig). De gebrekkige

ontwikkeling en de stoornis in cannabisgebruik zijn aanwezig geweest ten tijde van het

plegen van het ten laste gelegde. Er wordt een verband aanwezig geacht tussen de

gebrekkige ontwikkeling en het plegen van het feit, indien bewezen. Een direct verband

tussen de stoornis in cannabisgebruik en het plegen van het feit wordt niet gezien.

Het slachtoffer is door betrokkene levensbedreigend (o.a. in de hals) gestoken met een mes uit boosheid (omdat hij de fiets die had geleend niet op tijd had teruggebracht en hij betrokkene niet wilde compenseren voor het feit dat hij daardoor niet naar de voedselbank had kunnen gaan), gekrenktheid (door de toon waarop het slachtoffer tegen hem sprak en betrokkene wist dat hij hem niet zou gaan betalen) maar ook uit angst (dat het slachtoffer hem zou neerschieten, volgens betrokkene had het slachtoffer een tasje bij zich met een wapen erin en zou hij tijdens het oplopende conflict aan het tasje en de rits hebben gezeten). Betrokkene nam een mes mee voor de zekerheid en zegt het slachtoffer hier een prikje mee te hebben gegeven. Het had volgens hem anders kunnen lopen. Hij weet alleen niet hoe en wat. Hij vindt wel dat hij behandeling nodig heeft om te leren nee zeggen en om zijn grens beter te kunnen stellen. Geadviseerd wordt om betrokkene het plegen van het feit, indien bewezen, in een verminderde mate toe te tekenen. Inherent aan de verstandelijke ontwikkelingsstoornis en persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, hebben kenmerken als een zwakke identiteit met verhoogde krenkbaarheid en cognitieve beperktheid, als ook een laag frustratietolerantie en gebrekkige agressieregulatie, een doorwerkende rol gespeeld. Bij heftige emoties heeft hij onvoldoende grip op zijn agressie en handelen. Betrokkene heeft de beschikking over een beperkt gedragsrepertoire en valt dan terug in agressieve oplossingsstrategieën. Hij ziet dan ook geen alternatieven en kan zichzelf onvoldoende corrigeren.

Als we kijken naar de klinische risicofactoren dan is de kans dat betrokkene zal recidiveren hoog. Betrokkene raakt emotioneel, cognitief en gedragsmatig gemakkelijk ontregelt en heeft daar onvoldoende zicht en grip op. Negatieve emoties en agressie kunnen snel hoog oplopen. Hij heeft al vaker soortgelijke gewelddadige reacties laten zien in antwoord op conflicten. Hij kan niet aangeven hoe dit precies bij hem werkt. Hij loochent agressie en angst en gekrenktheid. De interne- en motivationele beschermende factoren zijn beperkt aanwezig. Betrokkene is een man die tijdens het onderzoek op zich wel toegankelijk is en met wie ook het gesprek kan worden aangegaan over de noodzakelijke hulp en de problemen die hij ervaart. Hij benoemt bepaalde problemen bij zichzelf. Hij ontkent vervolgens wel weer eigen agressie. Ziet zichzelf niet als gewelddadig persoon. Er is

sprake van een wisselend probleembesef en ziekte-inzicht. Nu geeft hij aan dat een opname in de kliniek nodig is maar in 2016 heeft hij boos en agressief de kliniek van Dichterbij verlaten en is hij niet meer teruggekeerd. Hij snapt nu ook onvoldoende hoe hij opnieuw in de problemen is gekomen. Er zijn geen externe beschermende omstandigheden.

Betrokkene heeft een geschiedenis met agressief en gewelddadig gedrag tegen anderen waarbij hij vaker gebruik heeft gemaakt van een mes dan wel hiermee heeft gedreigd.

Vanwege het ontbreken van zorg lijkt betrokkene al geruime tijd in een situatie te hebben verkeerd waarin hij overvraagd werd en veel stress ervoer. De levensomstandigheden waren instabiel. Hij vertelt vaker in de ochtend zich niet goed gevoeld te hebben, had last van stress en onrust en ging dan blowen. Hij klaagde over niet kunnen slapen vanwege lawaai van de trein. Sliep daardoor ook af en toe bij een kennis.

Mocht er sprake zijn geweest van cocaïnegebruik dan zou een relatie met het feit kunnen worden overwogen, omdat we weten dat cocaïne met name emotieversterkend kan werken (als een boost) en agressie extra kan luxeren. In dat geval zou betrokkene ook toenemend weer meer drugs zijn gaan gebruiken.

Er zijn veel meer risicofactoren waartegen onvoldoende bescherming aanwezig is geweest. De kans op een ernstige geweldsrecidive is daardoor hoog.

Om het hoge risico op een geweldsrecidive te verkleinen wordt geadviseerd om betrokkene een behandeling op te leggen.

Geadviseerd wordt om de noodzakelijke behandeling op te leggen in een TBS kader. Voortzetting van behandeling dient namelijk gewaarborgd te blijven. De kans op het plegen van nieuw ernstig geweldsdelict is groot en een minder dwingend kader wordt niet afdoende geacht. Er is een TBS met verpleging van overheidswege overwogen, omdat betrokkene zich soms moeilijk kan conformeren en dan erg agressief kan worden. Bij een juiste bejegening wordt een behandeling in het kader van een TBS met voorwaarden echter wel mogelijk geacht.

In het door psychiater [naam psychiater] op 18 januari 2019 omtrent verdachte uitgebrachte rapport staat onder andere het volgende vermeld:
Bij onderzochte is sprake van een licht tot matige verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een

persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken en een matige stoornis in

het gebruik van cannabis. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde,

indien deze bewezen wordt geacht.

De eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens

beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes c.q. gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde

(zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden).

Betrokkene voelde zich gekrenkt.. Vanuit achterdocht naar het slachtoffer besloot hij om een mes mee te nemen. Toen het duidelijk werd dat het slachtoffer niet met hem mee wilde meewerken, heeft hij zijn mes getrokken en stak hij hem in zijn nek. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, wordt geadviseerd om dit in verminderde mate toe te rekenen aan betrokkene.

Uit de HCR-20 blijken diverse voorspellende factoren voor recidive van geweld, zowel historisch als klinisch als wat betreft de toekomst.

Betrokkene is bereid om zich onder behandeling te stellen.

Betrokkene heeft weinig inzicht, overschat zichzelf en kan agressief reageren bij bedreiging of krenking. Betrokkene heeft geen werk of dagbesteding, hij heeft forse schulden, weinig zelfinzicht en hij is niet goed in staat om zijn leven zelf vorm te geven. Zijn copingsvaardigheden schieten tekort door zijn cognitieve en persoonlijkheidsgerelateerde problematiek. Het risico op recidive van geweld is hoog. Betrokkene heeft behoefte aan een gestructureerde begeleiding en behandeling gericht op het omgaan met frustratie en op het verbeteren van zijn overige copingsvaardigheden.

Geadviseerd wordt om betrokkene een TBS maatregel met voorwaarden op te leggen, mits uw college en de rapporteur van reclassering zich hier in kunnen vinden, omdat betrokkene gemotiveerd is voor een behandeling, hij geen proactieve antisociale levensstijl lijkt te hebben en hij zich bereid toont zich te houden aan voorwaarden. De voorwaarden zouden dan in eerste instantie een klinische opname en na enkele jaren begeleid wonen moeten inhouden. Als Uw College het risico op recidive bij een dergelijke maatregel te hoog vindt het alternatief een TBS maatregel met verpleging van overheidswege.

In het door de Reclassering Nederland op 11 februari 2019 omtrent verdachte uitgebrachte rapport staat onder andere het volgende vermeld:
Op 3 december 2018 ontvingen wij van de Officier van Justitie de opdracht tot het opstellen van rapportage met daarin het onderzoek naar de (on)mogelijkheden van de tbs met voorwaarden.

De heer [verdachte] wordt in onderhavige zaak verdacht van poging tot moord/doodslag. Met name de verstandelijke beperking in combinatie met de antisociale en narcistische kenmerken hebben een direct verband met het delictgedrag (indien bewezen). Negatieve emoties liepen hoog op en betrokkene kon deze niet adequaat reguleren door de verstandelijke beperking en de lage frustratietolerantie. Daarnaast kon hij geen alternatieve oplossingsstrategieën bedenken door zijn beperkte zelfregulatie in combinatie met boosheid, gekrenktheid en angst. In het verleden is betrokkene meermaals veroordeeld vanwege geweldsdelicten, waarbij hij slechts in enkele gevallen in staat bleek te voldoen aan de opgelegde voorwaarden. Deze combinatie van risicoverhogende factoren en het eigenlijk ontbreken van beschermende factoren maakt dat wij het recidiverisico hoog inschatten.

Vanwege de bovenstaand geschetste problematiek is betrokkene niet in staat zelfstandig zijn leven op orde te krijgen. Op sociaal-maatschappelijk niveau zijn zaken nauwelijks stabiel en georganiseerd (dagbesteding, financiën, sociaal netwerk).

Betrokkene geeft aan gemotiveerd te zijn voor een klinische behandeling in het kader van tbs met voorwaarden, wij betwijfelen echter of betrokkene in staat is om blijvend te voldoen aan opgelegde voorwaarden. Verwacht wordt dat hij zich bij weerstand of onenigheid over het traject met agressie kan onttrekken aan het toezicht. Anderzijds is betrokkene in het verleden een enkele keer in staat gebleken om te voldoen aan voorwaarden (in het kader van een voorwaardelijke veroordeling). Dit kader bleek echter onvoldoende om de benodigde behandeling te garanderen.

Inschatting risico’s:

Risico op recidive: Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.

Risico op letselschade: Het risico op letselschade wordt ingeschat als hoog.

Risico op onttrekking: Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog.

Toelichting:

Op basis van de PJ-rapportages en het door ons uitgevoerde onderzoek wordt het risico op recidive van een soortgelijk delict hoog ingeschat. Met name de verstandelijke beperking en persoonlijkheidsproblematiek lijken hierin risicoverhogend te zijn. Daarnaast ontbreken beschermende factoren, behalve dat betrokkene aangeeft gemotiveerd te zijn voor een klinische behandeling, wat met name extrinsieke motivatie lijkt.

De kans op onttrekking wordt ingeschat als hoog. Betrokkene lijkt voornemens zich aan voorwaarden te conformeren, er wordt echter betwijfeld in hoeverre hij hiertoe daadwerkelijk in staat is, met name bij onenigheid over het traject.

Wij adviseren negatief wat betreft de tbs met voorwaarden. Gezien het ingeschatte hoge recidiverisico in combinatie met het hoge onttrekkingsrisico achten wij het niet mogelijk om betrokkene in het kader van tbs met voorwaarden adequaat te begeleiden. Betrokkene geeft aan gemotiveerd te zijn voor een klinische opname, dit lijkt echter met name extrinsieke motivatie, gericht op het voorkomen van een tbs maatregel met dwangverpleging. Bij weerstand of onenigheid met betrekking tot het traject kan - met agressie gepaard gaande- onttrekking aan het toezicht verwacht worden.

Gezien de gediagnosticeerde verstandelijke beperking in combinatie met de antisociale (impulsieve) gedragingen van betrokkene wordt niet verwacht dat hij zich duurzaam kan conformeren aan eventuele voorwaarden.

De rechtbank neemt over voormelde conclusies van de psycholoog en de psychiater, dat betrokkene lijdt aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, dat de kans op delictrecidive als hoog wordt aangemerkt en dat het feit in verminderde mate aan betrokkene kan worden toegerekend. De psycholoog en de psychiater hebben beide geadviseerd om een TBS maatregel met voorwaarden op te leggen. De reclassering heeft negatief geadviseerd voor wat betreft een TBS met voorwaarden. Gezien het ingeschatte hoge recidiverisico in combinatie met het hoge onttrekkingsrisico acht de reclassering het niet mogelijk om betrokkene in het kader van TBS met voorwaarden adequaat te begeleiden. De reclassering verwacht niet dat verdachte zich duurzaam zal kunnen conformeren aan eventuele voorwaarden.Gelet op het advies van de reclassering en gelet op de persoon van verdachte zoals de rechtbank ter terechtzitting en uit het dossier is gebleken, waaronder de twee veroordelingen van verdachte terzake meerdere (ernstige) geweldsmisdrijven in de afgelopen 5 jaar met oplegging van gevangenisstraffen en zijn problemen met het reguleren van agressie, komt de rechtbank tot het oordeel dat het risico op ernstige recidive bij het opleggen van een TBS met voorwaarden en het risico van een onttrekking aan de voorwaarden onaanvaardbaar hoog is. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat verdachte eerder in 2016 tijdens een opname en behandeling in de kliniek van Dichterbij de kliniek voortijdig heeft verlaten en daar niet meer is teruggekeerd.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege in de onderhavige zaak noodzakelijk maakt.

De rechtbank overweegt voorts dat ook voor het overige is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het hierna te kwalificeren feit betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De vordering die de benadeelde partij [slachtoffer] via zijn raadsvrouw heeft ingediend, is volgens de officier van justitie voldoende onderbouwd en ook overigens niet onredelijk.De officier van justitie vordert om deze vordering geheel toe te wijzen, met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.

Volgens de raadsman is de door de raadsvrouw van de benadeelde partij genoemde uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 maart 2017 ECLI:NL:RBGEL:2017:1540 geen vergelijkbare zaak. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen dan verzoekt de raadsman om de gevorderde immateriële schadevergoeding aanzienlijk te matigen. De benadeelde partij heeft ook kosten voor rechtsbijstand gevorderd. Niet duidelijk is geworden of [slachtoffer] of zijn ouders een rechtsbijstandsverzekering hebben. De raadsman verzoekt om bij toewijzing de vervangende hechtenis te stellen op 1 dag. Verdachte heeft geen inkomen en een langdurige vervangende hechtenis betekent uitstel van de behandeling van verdachte. Dit is niet wenselijk.
Beoordeling.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de vordering gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 15.000,- , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag van € 15.000,- tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 720,00 ter zake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kanton 2019 waarbij twee punten toegekend worden, te weten een punt voor het indienen van de vordering en een punt voor de aanwezigheid ter terechtzitting van 27 februari 2019. Gelet op de hoogte van het gevorderde bedrag staat een punt gelijk aan een bedrag van € 360,00.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals de raadsman heeft verzocht, de vervangende hechtenis op 1 dag te stellen.

Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:Wetboek van Strafrecht art. 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 45, 287.
DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het impliciet primair ten laste gelegde (poging tot moord) niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij

verklaart het impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. verklaart niet bewezen hetgeen verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

poging tot doodslag verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregelen.

gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
Maatregel van schadevergoeding.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van € 15.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 dagen hechtenis.
Bepaalt dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake het bewezenverklaarde feit van een bedrag voor immateriële schade van € 15.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verklaart de benadeelde partij in het anders of meer gevorderde niet ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering, tot op heden begroot op een bedrag van € 720,-.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, voorzitter,mr. A.W.A. Kap-Knippels en mr. B. Poelert, leden,in tegenwoordigheid van G.G. Dirks, griffier,en is uitgesproken op 13 maart 2019,zijnde mr. Poelert buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



_cafc6272-9d43-49aa-870a-855a1b06e090
1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie Oost-Brabant, districtsrecherche Eindhoven, genummerd OB2R018068, aantal pagina’s: 77. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.