Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:1286

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2019:1286, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 01/997630-16


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBOBR:2019:1286:DOC
nl

center
100
9bfa7a55-0db9-463b-84ff-4bcacd2c786f
16
550
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Team strafrecht
Parketnummer: 01/997630-16 Datum uitspraak: 12 maart 2019
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,BRP-adres [woonplaats] , [woonadres] ,thans verblijvende te [verblijfplaats] aan [verblijfadres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2019. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 november 2018. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2016 tot en met 21 november 2016 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3] , althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk
in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) kleding en/of tassen en/of schoeisel en/of plastic zakken en/of jassen en/of hangtags en/of horloges en/of riemen en/of accessoires, althans een of meer kledingstuk(ken) en/of aanverwant(e) artikel(en) en/of waren, valselijk voorzien van het beschermd woord- en/of beeldmerk "UGG" en/of "BREITLING" en/of "CANADA GOOSE" en/of "CARTIER" en/of "HUBLOT" en/of "KENZO" en/of "MONCLER" en/of "NIKE" en/of "PARAJUMPERS" en/of "STONE ISLAND" en/of "HERMES" en/of "LOUIS VUITTON" en/of "ADIDAS" en/of "ARMANI" en/of "EMPORIO ARMANI" en/of "ARMANI JEANS" en/of "GIVENCHY" en/of "HUGO BOSS" en/of "DSQUARED" en/of "WOOLRICH" en/of "PHILIPP PLEIN" en/of "REPLAY" en/of "DOLCE & GABBANE" en/of "BALMAIN" en/of "JACOB COHEN" en/of "JOHN GALLIANO" en/of andere beschermde woord- en/of beeldmerken en/of (een) vals(e) en/of vervalst(e) merk(en), dan wel valselijk voorzien van een anders handelsna(a)m(en) en/of van een merk waar (een) ander(en) recht op heeft/hebben,

en/of een of meer (andere) hoeveelhe(i)d(en)

heeft ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad, zulks terwijl verdachte en/of (een of meer van) zijn medeverdachte(n) van het plegen van dit/deze misdrijf/misdrijven zijn beroep heeft/hebben gemaakt en/of het plegen van dit/deze misdrijf/misdrijven als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend.

loweralpha

valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken en/of

waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft en/of

waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien en/of

waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en/of

waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen,

te weten1. ( [straatnaam 2] , [postcode 2] [pleegplaats 2] ) negen paar Uggs laarzen, (IBN-004-04-04/p. 550)2. ( ( [straatnaam 3] , [postcode 3] [pleegplaats 1] )111 kledingstukken en accessoires, waaronder drie trainingsvesten (KIDS) met het merk NIKE, vijf trainingsbroeken (KIDS) met het merk NIKE, achttien truien met het merk KENZO, twee truien met het merk STONE ISLAND, drie truien met het merk HUGO BOSS, 36 truien met het merk MONCLER, vijf truien met het merk DSQUARED, twee petjes/caps met het merk DSQUARED, elf winterjassen met het merk PARAJUMPERS, één trui met het merk PHILIPP PLEIN, vier truien met het merk KENZO, twee trainingsbroeken met het merk NIKE, twee trainingsvesten met het merk NIKE, één horloge met het merk BREITLING, één horloge met het merk ROLEX, één horloge met het merk CARTIER, één sjaal met het merk GUCCI, één winterjas met het merk WOOLRICH, één winterjas met het merk STONE ISLAND, één winterjas met het merk CANADA GOOSE, één trainingsset volwassene met het merk NIKE, één trainingsset voetbal met het merk NIKE, één T-shirt met het merk DSQUARED, (IBN-005/p. 552-574)3. ( [straatnaam 4] , [postcode 4] [pleegplaats 2] )vijf kledingstukken, waaronder één joggingpak met het merk EMPORIO ARMANI, één sweater met het merk PHILIPP PLEIN, één polo shirt met het merk PHILIPP PLEIN, één jeans met het merk PHILIPP PLEIN, één jeans met het merk DSQUARED, (IBN-006-01/p. 581)4. - ( - ( [straatnaam 5] , [postcode 6] [pleegplaats 1] [kenteken] )vijf kledingstukken, waaronder twee trainingspakken met het merk NIKE, één bodywarmer met het merk MONCLER, één trui met het merk HUGO BOSS, één spijkerbroek met het merk DSQUARED, (IBN-007-01/p. 611)- ( ( [straatnaam 5] , [postcode 6] [pleegplaats 1] )99 kledingstukken en accessoires, waaronder 75 T-shirts met het merk PHILLIPP PLEIN, drie riemen met het merk LOUIS VUITTON, vier riemen met het merk HERMES, vijf riemen met het merk GUCCI, twaalf riemen met het merk PHILIPP PLEIN, 27 truien met het merk NIKE, 59 trainingspakken met het merk NIKE, veertien broeken met het merk NIKE, tien broeken met het merk ADIDAS, 24 trainingspakken met het merk ADIDAS, tien truien met het merk ADIDAS, één broek met het merk BALMAIN, 28 broeken met het merk ARMANI, 99 broeken met het merk DSQUARED, één broek met het merk JACOB COHEN, één broek met het merk REPLAY, zes broeken met het merk DOLCE & GABBANE, drie broeken met het merk PHILIPP PLEIN, één broek met het merk STONE ISLAND, één broek met het merk JOHN GALLIANO, 54 polo's met het merk HUGO BOSS, 97 truien met het merk KENZO, één polo lange mouwen (kind) met het merk HUGO BOSS, zeven truien met het merk PHILIPP PLEIN, drie tasjes met het merk PHILIPP PLEIN, 34 truien met het merk STONE ISLAND, dertien truien met het merk ARMANI JEANS, één polo lange mouwen (kind) met het merk EMPORIO ARMANI, 77 truien met het merk DSQUARED, drie truien met het merk MONCLER, vijf truien met het merk GIVENCHY, acht truien met het merk HUGO BOSS, 56 jassen met het merk CANADA GOOSE, negen jassen met het merk MONCLER, 57 jassen met het merk PARAJUMPERS, elf jassen met het merk STONE ISLAND, tien jassen met het merk WOOLRICH, twee jassen met het merk EMPORIO ARMANI, (IBN-007-01/p. 612-615)5. ( ( [straatnaam 6] , [postcode 5] [pleegplaats 3] )één kledingtas met het merk DSQUARED,
( a) valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of( b) wa(a)r(en) welke en/of waarvan de verpakking valselijk was/waren voorzien van een handelsnaam en/of een merk, en/of( c) waren, die ter aanduiding van herkomst, valselijk van de naam van een bepaalde plaats, met bijvoeging van een verdichte handelsnaam, zijn voorzien en/of( d) wa(a)r(en) waarop en/of op de verpakking een handelsnaam en/of een merk was nagebootst, en/of( e) wa(a)r(en) welke of onderdelen daarvan valselijk hetzelfde uiterlijk of ondergeschikte verschillen vertonen als een tekening of model waarop (een) ander(en) dan verdachte en/of een of meer van zijn medeverdacht(en) recht had(den),
De formele voorvragen.

 .Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat er in strijd is gehandeld met de tijdens de pleegperiode geldende Aanwijzing Intellectuele Eigendomsfraude (2005A022) [hierna: de Aanwijzing]. Uit die Aanwijzing blijkt dat het uitgangspunt van het openbaar ministerie bij de bestrijding van inbreuken op intellectuele eigendomsrechten is, dat handhaving in beginsel langs de civielrechtelijke weg door de rechthebbende zelf dient te geschieden. De hierop in de Aanwijzing genoemde uitzonderingen zijn niet van toepassing in deze zaak, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw van verdachte doet in dit verband een beroep op het door de Hoge Raad op 18 april 2017 gewezen arrest, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2017:700.
 .De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de in de Aanwijzing genoemde uitzonderingsgronden juist blijkt dat in deze zaak strafrechtelijke vervolging wel is toegestaan. In het door de raadsvrouw genoemde arrest van de Hoge Raad van 18 april 2017 ziet de officier van justitie – anders dan de raadsvrouw – juist een bevestiging van zijn standpunt. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van verdachte moet worden verworpen.
 .
De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.
De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De Aanwijzing luidt, voor zover in deze zaak relevant, als volgt: "Het uitgangspunt van het openbaar ministerie bij de bestrijding van inbreuken op intellectuele- eigendomsrechten is dat in beginsel civielrechtelijke handhaving door de rechthebbende zelf, voorop dient te staan. (...)
Bij intellectuele-eigendomsfraude is echter vaak ook het algemeen belang in het geding. Bij de vraag in welke gevallen het strafrecht voor toepassing in aanmerking komt, moet met name daarbij worden aangeknoopt. Dit impliceert dat het privaatrecht voor die gevallen in beginsel niet het (enige) primaire handhavingssysteem is. Het algemeen belang kan in het geding zijn in de volgende gevallen (niet cumulatief):

• Bedreiging van de volksgezondheid of de veiligheid van de samenleving (...)• Grootschalige namaak en piraterij, gepleegd in beroep of bedrijf, die de markt verstoren (...)• Het bestaan van aanwijzingen van betrokkenheid van criminele organisaties of georganiseerde criminaliteit.• Recidive (...)"
In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat twee van de in de Aanwijzing genoemde uitzonderingen toepassing vinden, te weten de uitzonderingen “Grootschalige namaak en piraterij, gepleegd in beroep of bedrijf, die de markt verstoren” en “Recidive (…..)”.

Uit de hierna in de bewijsbijlage weer te geven bewijsmiddelen blijkt dat verdachte als eenmanszaak op grote schaal merkfraude heeft gepleegd met het doel daarmee zo veel mogelijk winst te genereren. Voor de opslag van zijn handelsvoorraad huurde verdachte op verschillende locaties opslagcapaciteit. Voor de verkoop van zijn artikelen maakte verdachte gebruik van tijdelijke winkels. Ook verkocht verdachte zijn artikelen online op Facebook via een uitgekiende advertentietechniek, waarmee hij in korte tijd een omvangrijke publiek bereikte. Daarnaast had verdachte personeel in dienst, keerde hij bonussen uit aan zijn personeel als de gewenste [dag]omzetten werden behaald en maakte hij gebruik van een werktelefoon.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, met name uit de frequentie van de handel, de grote aantallen aangeboden, verkochte en/of in voorraad gehouden goederen en het kennelijke oogmerk van verdachte om winst te maken, concludeert de rechtbank dat de handel van verdachte het hobbymatige (aanzienlijk) oversteeg en dat verdachte de bewezen verklaarde handelingen als bedrijf heeft uitgeoefend. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de ten laste gelegde handelingen zodanig grootschalig en bedrijfsmatig heeft uitgevoerd dat daardoor de markt is verstoord.

Voorts blijkt uit een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie dat verdachte in 2015 is veroordeeld voor merkfraude en dat hij in datzelfde jaar een transactie heeft betaald om vervolging voor merkfraude te voorkomen. In deze strafzaak gaat het om een soortgelijk feit, dat gepleegd zou zijn in de periode van in de periode van 1 augustus 2016 tot en met 21 november 2016.

Zoals hiervoor vastgesteld valt de handel van verdachte onder twee van de hiervoor genoemde uitzonderingen. Door de handelwijze van verdachte is het algemeen belang in het geding gekomen zodat het strafrecht in het kader van de handhaving voor toepassing in aanmerking komt. De strafrechtelijke vervolging van verdachte in deze zaak is dan ook niet in strijd met de aard en strekking van voornoemde Aanwijzing. Het verweer van de raadsvrouw strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van verdachte wordt verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn voor het overige geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan in de vervolging van verdachte worden ontvangen.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

 De verklaring van [naam van broer verdachte] aan de politie afgelegd.Voor het bewijs heeft de rechtbank de verklaringen gebruikt die [naam van broer verdachte] op 21, 22 en 23 november 2016 aan de politie heeft afgelegd. Kort en zakelijk weergegeven houden die verklaringen in dat [naam van broer verdachte] van mening is dat verdachte moet hebben geweten dat de verhandelde merkartikelen vervalst waren door de wijze waarop deze artikelen werden gekocht, aangeleverd en verkocht en de lage prijzen waarvoor die artikelen te koop werden aangeboden.
 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 februari 2019 afgelegd.Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij enkel bemoeienis heeft gehad met de verkoop in het pand gelegen aan het [straatnaam 2] te [pleegplaats 2] . Met de winkel gevestigd aan de [straatnaam 3] te [pleegplaats 1] en de opslagboxen op de locaties [straatnaam 5] te [pleegplaats 1] en de [straatnaam 4] te [pleegplaats 2] heeft verdachte gesteld niets te maken te hebben. Verdachte heeft gesteld dat hij de opslagslagboxen weliswaar heeft gehuurd, maar dat hij de sleutels daarvan kwijt is geraakt en dat hij de toegangscodes voor die boxen enkele keren heeft moeten veranderen omdat die door onbevoegden zouden zijn gebruikt. Daarvan heeft verdachte geen aangifte gedaan. Voorts heeft verdachte gesteld dat als de indruk is ontstaan dat hij de baas was over de locatie [straatnaam 3] te [pleegplaats 1] dit een onjuiste indruk is, maar dat hij niet wil zeggen wie dan wel de baas over die locatie was.
 .Uit het verhandelde op de zitting van 26 februari 2019, uit het procesdossier noch uit andere feiten of omstandigheden acht de rechtbank wettig bewezen dat de hierna te noemen onder verdachte in beslag genomen artikelen valse of vervalste merkaanduidingen bevatten. Tot een andersluidende conclusie strekkende onderbouwingen ontbreken in het voorhanden zijnde dossier.De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor genoemde voorwerpen.
Inleiding.

Verdachte staat terecht omdat hij op grote schaal merkfraude zou hebben gepleegd door het handelen in kleding, kledingaccessoires en horloges terwijl deze voorwerpen waren voorzien van valse of vervalste merktekens.
Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte deze feiten als medepleger heeft begaan samen met zijn broer [naam van broer verdachte] .
Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota nader omschreven gronden heeft de verdediging algehele vrijspraak van verdachte bepleit omdat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij originele artikelen verkocht, waarbij het restpartijen of overjarige artikelen zou betreffen.
De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het oordeel van de rechtbank.

De waardering van de bewijsmiddelen.

Door en namens verdachte is ter terechtzitting van 26 februari 2019 aangevoerd dat deze verklaringen in strijd met de waarheid zijn. [naam van broer verdachte] zou toen onder invloed van de angststoornissen en schizofrenie waaraan hij leed, hebben verklaard wat hij dacht dat de verhorende verbalisanten van hem wilden horen. [naam van broer verdachte] wilde daarmee bereiken dat hij zo snel mogelijk in vrijheid zou worden gesteld.De rechtbank overweegt hierover het volgende. De verklaringen die [naam van broer verdachte] aan de politie heeft afgelegd, vinden steun in de andere bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn weergegeven. Dat deze verklaringen, door de psychische problemen waar [naam van broer verdachte] op dat moment aan leed, in strijd met de waarheid zouden zijn geweest, is uit niets aannemelijk geworden. Door en namens de verdediging is die stelling op geen enkele wijze onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de door [naam van broer verdachte] aan de politie afgelegde verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar zijn en dat die verklaringen een juiste weergave bevatten van de wetenschap die [naam van broer verdachte] op dat moment van de ten laste gelegde feiten had.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario, dat erop neerkomt dat niet verdachte maar iemand anders de opslagboxen aan de [straatnaam 4] te [pleegplaats 2] en [straatnaam 5] te [pleegplaats 1] buiten medeweten van verdachte heeft gebruikt en dat verdachte deze opslagboxen slechts heeft gehuurd voor de opslag van zijn legale handel, wordt weerlegd door de inhoud van de hiervoor in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen. Daarbij komt dat verdachte zich tot de zitting van 26 februari 2019 op zijn zwijgrecht heeft beroepen en dat de verklaring die hij op die zitting heeft afgelegd op geen enkele wijze verifieerbaar is, mede omdat verdachte de namen van de personen die wel verantwoordelijk zouden zijn voor de inhoud van die opslagboxen en de winkel aan de [straatnaam 3] te [pleegplaats 1] , niet wil noemen door zich ook bij de beantwoording van deze vraag op zijn zwijgrecht te beroepen. De rechtbank acht het door de verdediging geschetste alternatieve scenario volstrekt niet aannemelijk geworden. Het daarop gestoelde verweer verwerpt de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de inhoud van de in de bijlage nader weergegeven bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 september 2016 tot en met 21 november 2016 schuldig heeft gemaakt aan de handel in merkvervalste kleding, kledingaccessoires en horloges, een en ander voor zover hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.
De vragen die de rechtbank nog dient te beantwoorden zijn de volgende.

Ad 1: Heeft verdachte de bewezen verklaarde handelingen opzettelijk verricht

Uit de inhoud van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, met name uit de feiten en omstandigheden die zijn gebleken uit het onderzoek van de telefoons van [naam van broer verdachte] en van verdachte in onderling verband en samenhang bezien met de verklaring die [naam van broer verdachte] aan de politie heeft afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat de door hem verhandelde artikelen vervalst waren en dat het geen originele artikelen betrof. Dat wordt ondersteund door de verklaring die [naam van broer verdachte] bij de politie heeft afgelegd, waar hij heeft verklaard dat potentiële klanten werd verteld dat imitatiekleding werd verkocht. Daarnaast heeft verdachte zijn stelling dat hij de door hem verkochte kleding zou hebben gekocht bij legale handelaren en dat hij daarvan facturen beschikbaar zou hebben, op geen enkele wijze onderbouwd. De stelling van verdachte dat hij daartoe niet in staat was omdat die facturen zich bij zijn bewindvoerder bevonden, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Verdachte stonden andere wegen open – bijvoorbeeld door navraag te doen bij de bedrijven c.q. personen waar hij de artikelen zou hebben gekocht – om aan te tonen dat dit originele artikelen betrof. Het had ook op zijn weg gelegen dat zelf te doen, nu hij niet concreet had aangegeven bij wie hij deze goederen dan zou hebben gekocht. Verdachte heeft dit echter nagelaten.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte wist dat de door hem verhandelde merkartikelen vervalst waren. Met deze wetenschap heeft verdachte de door hem aangekocht artikelen doorverkocht. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de bewezen verklaarde handelingen opzettelijk heeft begaan.

Ad 2: Heeft verdachte bedrijfsmatig gehandeld

Kortheidshalve verwijst de rechtbank voor dit onderdeel naar hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen bij de beoordeling van het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank heeft daar geconcludeerd dat verdachte de bewezen verklaarde handelingen als bedrijf heeft uitgevoerd. De aan dat oordeel ten grondslag liggende feiten en omstandigheden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.
Ad 3: Is er sprake van medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit de bewijsmiddelen blijkt met betrekking tot de betrokkenheid van medeverdachte [naam van broer verdachte] bij het ten laste gelegde het volgende. [naam van broer verdachte] was in het bezit van de werktelefoon die werd gebruikt bij de handel van verdachte. Over die handel had hij zeer frequent contact met verdachte. [naam van broer verdachte] ontving klanten en verplaatste met grote regelmaat de artikelen die werden verhandeld tussen de verschillende locaties. In de bij [naam van broer verdachte] in gebruik zijnde auto zijn merkvervalste artikelen aangetroffen. [naam van broer verdachte] maakte prijsafspraken met klanten en hij besprak het uitbetalen van bonussen met verdachte. Tenslotte is gebleken dat [naam van broer verdachte] wist dat de verkochte artikelen merkvervalste artikelen betroffen en dat de handel in dit soort artikelen was verboden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [naam van broer verdachte] is komen vast te staan. Hoewel er meestal geen sprake was van een gezamenlijke uitvoering in de verschillende locaties, was de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde handel in vervalste merkkleding naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat die bijdrage kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

-

drie truien met het merk Hugo Boss, vijf truien met het merk Dsquared, twee petjes/caps met het merk Dsquared, een trui met het merk Philipp Plein, een sjaal met het merk Gucci, een winterjas met het merk Woolrich en een T-shirt met het merk Dsquard, in beslag genomen op het adres [straatnaam 3] te [pleegplaats 1] en

een joggingpak met het merk Emporio Armani, een sweater met het merk Philipp Plein, een poloshirt met het merk Philipp Plein, een jeans met het merk Philipp Plein en een jeans met het merk Dsquared in beslag genomen op het adrees [straatnaam 4] te [pleegplaats 2] en

75 T-shirts met het merk Philipp Plein, vijf riemen met het merk Gucci, twaalf riemen met het merk Philipp Plein, een broek met het merk Balmain, 99 broeken met het merk Dsquared, een broek met het merk Jacob Cohen, een broek met het merk Replay, zes broeken met het merk Dolce & Gabana, drie broeken met het merk Philipp Plein, een broek met het merk John Galiano, 54 polo’s met het merk Hugo Boss, een polo lange mouwen [kind] met het merk Hugo Boss, zeven truien met het merk Philipp Plein, drie tasjes met het merk Philipp Plein, een polo lange mouwen [kind] met het merk Empori Armani, 77 truien met het merk Dsquared, vijf truien met het merk Givenchy, tien jassen met het merk Woolrich en twee jassen met het merk Emporio Armani, in beslag genomen op het adres [straatnaam 5] te [pleegplaats 1] en

een kledingtas met het merk Dsquared in beslag genomen op het adres [straatnaam 6] te [pleegplaats 3] .

arabic

Heeft verdachte de bewezen verklaarde handelingen opzettelijk verricht?

Heeft verdachte de bewezen verklaarde handelingen op bedrijfsmatige basis verricht?

Heeft verdachte de bewezen verklaarde handelingen zelfstandig of als medepleger verricht?

De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
4. - -
op tijdstippen in de periode van 1 september 2016 tot en met 21 november 2016 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk waren waarop een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en/of waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft, dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, te weten

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

arabic

[straatnaam 2] , [postcode 2] [pleegplaats 2] : negen paar Uggs laarzen,

[straatnaam 3] , [postcode 3] [pleegplaats 1] : 111 kledingstukken en accessoires, waaronder drie trainingsvesten (KIDS) met het merk NIKE, vijf trainingsbroeken (KIDS) met het merk NIKE, achttien truien met het merk KENZO, twee truien met het merk STONE ISLAND, 36 truien met het merk MONCLER, elf winterjassen met het merk PARAJUMPERS, vier truien met het merk KENZO, twee trainingsbroeken met het merk NIKE, twee trainingsvesten met het merk NIKE, één horloge met het merk BREITLING, één horloge met het merk ROLEX, één horloge met het merk CARTIER, één winterjas met het merk STONE ISLAND, één winterjas met het merk CANADA GOOSE, één trainingsset volwassene met het merk NIKE, één trainingsset voetbal met het merk

heeft verkocht en/of te koop heeft aangeboden en/of in voorraad heeft gehad, zulks terwijl verdachte en zijn medeverdachte het plegen van deze misdrijven als bedrijf hebben uitgeoefend.

De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.

 Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
 Verdachte en zijn broer hebben op grote schaal gehandeld in merkvervalste artikelen. Daarbij heeft verdachte een leidinggevende rol gespeeld. Het initiatief tot het plegen van dit feit is van verdachte uitgegaan. Hij was in de positie zijn mededader van het plegen van dit strafbaar feit te weerhouden, maar dat heeft verdachte nagelaten.
 Evenals de raadsvrouwe van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van deze zaak binnen een redelijke termijn van twee jaren als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 21 november 2016 met de inverzekeringstelling van verdachte. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door de rechtbank de redelijke termijn met ongeveer 3,5 maand is overschreden. Niet is gebleken dat deze termijnoverschrijding aan verdachte te wijten is geweest. Voor deze termijnoverschrijding zal de rechtbank verdachte compenseren.
 De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Daarmee wil de rechtbank enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds, door invloed uit te oefenen op het gedrag van verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegen gaan.
De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en vordert dat verdachte daarvoor zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De tijd die verdachte inverzekeringstelling heeft doorgebracht dient op het onvoorwaardelijk gedeelte van deze gevangenisstraf in mindering te worden gebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.

Subsidiair, voor het geval de rechtbank verdachte mocht veroordelen, heeft de verdediging bepleit aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met een straf in de vorm van het geven van een flinke waarschuwing.
Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan de handel in vervalste merkartikelen. Daardoor hebben zij de reputatie, de exclusiviteit en de werfkracht van de originele merken en het vertrouwen dat de consument moet kunnen hebben in de juistheid van op artikelen aangebrachte merkaanduidingen geschonden. Bovendien hebben verdachte en zijn broer inbreuk gemaakt op het exclusieve intellectuele eigendomsrecht dat de rechthebbenden op hun merk hebben en hebben zij, door het tegen spotprijzen aanbieden van vervalste merkartikelen, de concurrentiepositie van de originele rechthebbenden op deze artikelen ondermijnd wat heeft geleid tot verstoring van de markt.

Voordat verdachte dit feit heeft gepleegd, is hij door de politierechter bij vonnis van 15 januari 2015 ook voor merkfraude veroordeeld en heeft hij, eveneens in 2015, een transactievoorstel geaccepteerd dat zag op verdenking van het plegen van merkfraude. Kennelijk maakt de handel in vervalste merkartikelen deel uit van het gedragspatroon van verdachte. Via de aan verdachte op te leggen straf, wil de rechtbank proberen dit gedragspatroon te doorbreken.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf, ook al spreekt de rechtbank verdachte vrij van een deel van het ten laste gelegde feit. De gevorderde straf is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde feit te veroordelen tot een gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
beslissing

Motivering van de beslissing op het beslag.
De rechtbank is van oordeel dat in het dictum nader te noemen onder verdachte in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerp aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van dit voorwerp.

Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57 en 377 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

 een voor de duur
 onttrekt aan het verkeer de in beslag genomen goederen, te weten de goederen vermeld onder de nummers 1 t/m 13 en 16 t/m 38 op de lijst van onder verdachte in beslag genomen goederen. Deze lijst maakt als bijlage deel van het vonnis uit.
De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk waren waarop een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht heeft, zij het dan ook met een geringe afwijking, is nagebootst en/of waren of onderdelen daarvan die valselijk hetzelfde uiterlijk vertonen als een tekening of model waarop een ander recht heeft dan wel daarmede slechts ondergeschikte verschillen vertonen, verkopen of te koop aanbieden of in voorraad hebben, terwijl de schuldige het plegen van het misdrijf genoemd in artikel 337 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als bedrijf uitoefent, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en maatregel.

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot , tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

gelast de teruggave

Dit vonnis is gewezen door:mr. L.G.J.M. van Ekert, voorzitter,mr. M.T. van Vliet en mr. J.O.Y. Elagab, leden,in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,en is uitgesproken op 12 maart 2019.