Uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2018:6530

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-01-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Oost-Brabant op 28-12-2018, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBOBR:2018:6530, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/01/340494 / KG ZA 18-677


Bron: Rechtspraak

center
100
e6afd574-29e9-4973-9f05-8d2d7c5962ed
2
13
image/png

center
100
18a2ba35-25a0-497d-a492-d329431cc8c0
2
523
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel RechtZittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer / rolnummer: C/01/340494 / KG ZA 18-677

Vonnis in kort geding van 28 december 2018

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,eiser,advocaat: mr. U. Ögüt te Eindhoven,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,gedaagde,verschenen in persoon.
Partijen zullen hierna “de man” en “de vrouw” genoemd worden.

ECLI:NL:RBOBR:2018:6530:DOC
nl

center
100
e6afd574-29e9-4973-9f05-8d2d7c5962ed
2
13
image/png

center
100
18a2ba35-25a0-497d-a492-d329431cc8c0
2
523
image/png

RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel RechtZittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer / rolnummer: C/01/340494 / KG ZA 18-677

Vonnis in kort geding van 28 december 2018

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,eiser,advocaat: mr. U. Ögüt te Eindhoven,
tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats] ,gedaagde,verschenen in persoon.
Partijen zullen hierna “de man” en “de vrouw” genoemd worden.

1

1.1.
De procedure blijkt uit:
-

de inleidende dagvaarding in kort geding met (5) producties die op 22 november 2018 in persoon aan de vrouw is betekend;

de brief van de advocaat van de man van 30 november 2018 met aanvullende producties (6-9);

de mondelinge behandeling, die op 3 december 2018 heeft plaatsgevonden, en waarbij de advocaat van de man enerzijds en de vrouw anderzijds zijn verschenen en de respectieve standpunten hebben toegelicht;

de brief van de advocaat van de man van 24 december 2018 met een aanvullende productie (10);

de voortzetting van de mondelinge behandeling, die op 28 december 2018 heeft plaatsgevonden en waarbij de man en zijn advocaat enerzijds en de vrouw anderzijds zijn verschenen en de respectieve standpunten nader hebben toegelicht.

1.2.
De procedure is op de mondelinge behandeling van 3 december 2018 aangehouden om de vrouw, conform haar verzoek, de gelegenheid te geven een advocaat in de arm te nemen en om de man te laten reageren op het verweer van de vrouw.
1.3.
Na afloop van de mondelinge behandeling van 28 december 2018 heeft de voorzieningenrechter vanwege het spoedeisende karakter van de zaak direct mondeling vonnis gewezen en uitgesproken, waarvan dit een schriftelijke uitwerking betreft.
2

2.1.
Partijen zijn tot augustus 2011 gehuwd geweest.
2.2.
Uit het huwelijk tussen partijen zijn drie thans nog minderjarige kinderen geboren:- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] ;- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] ;- [kind 3] , geboren op [geboortedatum] ;hierna gezamenlijk: “de kinderen”.
2.3.
De vrouw is na de echtscheiding met de kinderen in de voormalige echtelijke woning blijven wonen. De vrouw heeft vervolgens tijdelijk een huurwoning bewoond met de kinderen, maar zij heeft deze woning moeten ontruimen wegens een huurachterstand. De vrouw heeft daarom opnieuw haar intrek genomen in de voormalige echtelijke woning, maar die woning is vorig jaar geveild. De vrouw is hierna met de kinderen bij haar moeder gaan wonen, maar uiteindelijk in een vrouwenopvang terecht gekomen. De kinderen zijn bij oma moederszijde blijven wonen. De kinderen verbleven beurtelings één week bij oma moederszijde en één week bij de man. Sinds de zomer van 2018 verblijven de kinderen voornamelijk bij de man.
2.4.
De man is op 29 november 2016 hertrouwd. Op 13 april 2017 heeft de man de woning staande en gelegen aan de [adres] gehuurd van de Stichting BrabantWonen. De man woont hier samen met zijn nieuwe partner.
2.5.
De nieuwe partner van de man was in verwachting en is op 6 september 2018 naar Turkije gereisd om daar te bevallen. De man is op 15 oktober 2018 voor vier weken naar Turkije vertrokken om bij de bevalling aanwezig te zijn.
2.6.
De man is op 11 november 2018 alleen terug gekomen naar Nederland. Bij thuiskomst kon de man de deur van zijn huurwoning niet openen. De vrouw bleek haar intrek te hebben genomen in de woning van de man, zich te hebben ingeschreven op het adres van de woning en de sloten te hebben vervangen.
2.7.
De man heeft op 12 november 2018 de balie van de gemeente Oss (Burgerzaken) bezocht. Er is een adresonderzoek gestart naar de verblijfplaats van de vrouw. Dit onderzoek is nog niet afgerond.
3

3.1.
De man vordert de vrouw te veroordelen om de woning aan de [adres] te verlaten, zonder al wie of wat zich van de zijde van de man daarin aan inboedel dan wel persoonlijke spullen bevindt, de woning niet meer te betreden en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking aan de man te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel dat de vrouw dit niet nakomt. De man vordert tevens hem te machtigen om de ontruiming zelf uit te voeren, desnoods met behulp van de sterke arm, indien de vrouw de woning niet wil verlaten, en veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure en de nakosten.
De man legt hieraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag. De man heeft de woning aan de [adres] gehuurd, gebruikt deze feitelijk ook en betaalt maandelijks de vaste lasten. Door haar intrek te nemen in de woning, zich op het adres in te schrijven en de sloten van de woning te vervangen, heeft de vrouw ongerechtvaardigd inbreuk gemaakt op het huisrecht van de man. Er is sprake van een onrechtmatige daad. De man wil dat deze onrechtmatige situatie wordt rechtgezet.
3.2.
De vrouw voert, zakelijk weergeven, het volgende verweer. Voordat de man naar Turkije vertrok, heeft de man de kinderen op straat gezet en naar oma moederszijde gestuurd. De kinderen hebben de vrouw gevraagd om voor hen te zorgen. De man heeft vervolgens toestemming verleend aan de vrouw om tijdelijk in de door hem gehuurde woning aan de [adres] te wonen. De vrouw verkeert bovendien in woningnood.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

4.1.
Vaststaat dat de man, geruime tijd nadat partijen zijn gescheiden, de woning aan de [adres] heeft gehuurd en ook bewoont met zijn nieuwe partner. De vrouw heeft weliswaar gesteld, maar niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man op enig moment toestemming heeft verleend aan de vrouw om (ook) in de woning te verblijven. De man betwist dit uitdrukkelijk en het blijkt ook nergens uit.
4.2.
Door zich zonder toestemming van de man toegang tot de woning te verschaffen, de woning te bewonen, en zich voorts zonder overleg met de man op het adres in te schrijven en de sloten te vervangen, heeft de vrouw onrechtmatig gehandeld tegenover de man. De vrouw heeft door haar handelen immers inbreuk gemaakt op het grondwettelijke huisrecht van de man. Het handelen van de vrouw is naar het oordeel van de voorzieningenrechter tevens in strijd met dat wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond, zodat het handelen van de vrouw aan haar kan worden toegerekend.
4.3.
Volgens artikel 6:162 BW is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht om de schade die de ander daardoor lijdt, te vergoeden. In beginsel wordt schadevergoeding volgens artikel 6:103 BW voldaan in geld, maar kan de rechter op vordering van de benadeelde schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom toekennen. In dit geval heeft de man ervoor gekozen te vorderen dat de vrouw wordt veroordeeld de woning direct te verlaten, zonder al wie en wat zich van de zijde van de man daarin bevindt, zodat een einde komt aan de onrechtmatige situatie. Niet valt in te zien dat de vrouw in de woning dient te verblijven om voor de kinderen te zorgen, temeer nu de kinderen in beginsel worden opgevangen door de man en door oma moederszijde. Ook de woningnood van de vrouw, wat hier verder van zij, kan niet aan de man worden tegengeworpen. De voorzieningenrechter wijst de vordering dus toe.
4.4.
De termijn waarbinnen de vrouw de woning dient te verlaten als bedoeld in artikel 555 Rv, verkort de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden tot nihil. Dit betekent dat de vrouw de woning per direct, oftewel vandaag, dient te verlaten zonder dat vooraf betekening van dit vonnis en bevel nodig is. De man, die thans bij een vriend logeert, kan de woning dan weer bewonen met zijn partner die nu noodgedwongen nog in Turkije verblijft met hun pasgeboren kind.
4.5.
De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, zij het beperkt tot € 500,00 per dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt.De gevorderde machtiging zal eveneens worden toegewezen.
4.6.
De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De vordering heeft immers niets te maken met de relatie tussen partijen, noch met de kinderen van partijen. Aan de man is een toevoeging verleend, zodat de kosten van de dagvaarding niet voor toewijzing in aanmerking komen. De kosten aan de zijde van de man worden begroot op:
Totaal € 1.060,90De gevorderde veroordeling in de nakosten is in deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen daarom worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.
- informatiekosten € 1,90- griffierecht € 79,00- salaris advocaat €
beslissing

5

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de vrouw om de woning aan de [adres] te verlaten, zonder al wie en wat zich van de zijde van de man daarin bevindt aan inboedel en persoonlijke spullen, de woning niet meer te betreden en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van de man te stellen;
5.2.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt;
5.3.
machtigt de man om, desnoods met behulp van de sterke arm, de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien de vrouw in gebreke blijft aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling te voldoen;
5.4.
veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 1.060,90;
5.5.
veroordeelt de vrouw in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 131,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2018.