Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2020:76

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-01-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2020:76, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/18/195686 / JE RK 19-847


Bron: Rechtspraak

beschikking
waarvan de personalia en het adres aan de kinderrechter bekend zijn.
RECHTBANK NOORD-NEDERLANDbeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsingin de zaak van [minderjarige] [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] , de pleegouders,

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/195686 / JE RK 19-847datum uitspraak: 9 januari 2020
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

die is gevestigd in Amsterdam,en die hierna ''de GI'' wordt genoemd,
die betrekking heeft op

die geboren is op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , en die hierna '' [naam] '' wordt genoemd.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

die woont in [woonplaats] ,en die hierna ''de moeder'' wordt genoemd,
die woont in [woonplaats] ,en die hierna ''de vader'' wordt genoemd,

ECLI:NL:RBNNE:2020:76:DOC
nl

beschikking
waarvan de personalia en het adres aan de kinderrechter bekend zijn.
RECHTBANK NOORD-NEDERLANDbeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsingin de zaak van [minderjarige] [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] , de pleegouders,
Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/195686 / JE RK 19-847datum uitspraak: 9 januari 2020
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

die is gevestigd in Amsterdam,en die hierna ''de GI'' wordt genoemd,
die betrekking heeft op

die geboren is op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , en die hierna '' [naam] '' wordt genoemd.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

die woont in [woonplaats] ,en die hierna ''de moeder'' wordt genoemd,
die woont in [woonplaats] ,en die hierna ''de vader'' wordt genoemd,
procesverloop

Het procesverloop

Op 2 december 2019 heeft de rechtbank het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen ''de Raad'') ontvangen.

De griffie van de rechtbank heeft de belanghebbenden verzocht zich te melden indien zij behandeling ter zitting wensen. De belanghebbenden hebben zich binnen de gestelde termijn niet bij de griffie van de rechtbank gemeld, zodat het verzoek schriftelijk zal worden afgedaan.
De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam] verblijft in een pleeggezin.

Bij beschikking van 12 maart 2019 is de ondertoezichtstelling van [naam] verlengd tot 24 januari 2020. Tevens heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 24 januari 2020.

Het verzoek van de GI

Het advies van de Raad

De Raad heeft op grond van artikel 1:265j, derde lid, Burgerlijk Wetboek (BW) schriftelijk geadviseerd, nu de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing van [naam] langer dan twee jaar duurt. De Raad stemt in met het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam] te verlengen voor de duur van één jaar. Gelet op de zorgelijke voorgeschiedenis en de kwetsbaarheden bij [naam] in relatie tot het onvermogen van de ouders om hem de veilige omgeving te bieden die hij nodig heeft, is de Raad van mening dat de plek van [naam] in het pleeggezin gewaarborgd dient te blijven, zeker zolang er nog geen definitieve duidelijkheid is over zijn perspectief.

overwegingen

De beoordeling

Het gaat in deze zaak om de vraag of de ondertoezichtstelling van [naam] voor de duur van één jaar moet worden verlengd. Ook moet de kinderrechter een beslissing nemen op het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter overweegt als volgt.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat [naam] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, omdat er veel onduidelijkheid bestaat over de opvoedvaardigheden van zijn ouders en omdat er nog steeds geen duidelijkheid is over het perspectief van [naam] . [naam] is meteen na zijn geboorte uit huis geplaatst vanwege de ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders thuis. Inmiddels woont [naam] dus bijna twee jaar in een pleeggezin. Uit de stukken blijkt verder dat de GI, naar aanleiding van de beschikking van 12 maart 2019, waarin de kinderrechter overweegt dat de aanvaardbare termijn voor [naam] in beeld is gekomen en de belangen van [naam] met zich brengen dat op korte termijn onderzoek moet worden gedaan naar zijn perspectief, nogmaals contact heeft opgenomen met De Stee om te bezien of alsnog een ouderschapsbeoordeling mogelijk is. Voor De Stee is het vermoeden van seksueel misbruik, waarvan de oudste dochter van de ouders hen beschuldigd, een contra-indicatie voor opname van het gezin. Een ouderschapsbeoordeling is daarom niet mogelijk gebleken.

Volgens de GI is de voor [naam] aanvaardbaar te achten termijn waarbinnen de ouders in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hem te dragen, inmiddels verstreken. De GI heeft daarom een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel bij de Raad ingediend. Dat onderzoek is echter nog niet afgerond.

Uit het voorgaande volgt dat [naam] (nog steeds) ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en dat de zorgen over die ontwikkelingsbedreiging niet in een vrijwillig kader kunnen worden weggenomen. Dit is op zichzelf genomen onvoldoende om de ondertoezichtstelling te verlengen. Op grond van artikel 1:255 lid 1 sub b BW is ook vereist dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en ontwikkeling van [naam] aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

In de beschikking van 12 maart 2019 heeft de kinderrechter al overwogen:

Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat het bij de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam] gaat om een overbrugging van de termijn van onzekerheid met betrekking tot de vraag waar hij zijn definitieve opvoedingsplek zal krijgen. Daarbij is een gezichtspunt dat een aanvaarbare termijn voor jonge kinderen over het algemeen korter zal zijn dan voor oudere kinderen (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3. p. 23). Zoals ook ter zitting aan de orde is gekomen, brengt de leeftijd van [naam] met zich dat die aanvaarbare termijn in beeld is gekomen en brengen de belangen van [naam] met zich dat op korte termijn onderzoek moet worden gedaan naar zijn perspectief, ofwel doordat de GI de Raad verzoekt onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel, dan wel door het daarheen te leiden dat alsnog een ouderschapsbeoordeling plaatsvindt, door opname in De Stee.

De kinderrechter stelt vast dat niet met de voortvarendheid die in de gegeven omstandigheden passend en geboden is de GI de Raad heeft verzocht onderzoek te doen naar de gezagsbeëindigende maatregel en dat de Raad die het verzoek alsnog heeft gekregen begin september 2019, het vereiste onderzoek niet voortvarend heeft uitgevoerd. In dit verband is een gezichtspunt dat het onderzoek relatief snel had kunnen worden verricht, in aanmerking genomen dat van de acht kinderen van de ouders er zes minderjarig zijn en ten aanzien van alle zes om de zorgen die ook ten aanzien van [naam] spelen, het gezag al is beëindigd.

Uit de stukken kan niet (meer) vorenbedoelde gerechtvaardigde verwachting worden ontleend. Dit staat aan toewijzing van het verzoek de ondertoezichtstelling te verlengen in de weg en die verlenging vormt de basis voor de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing (artikel 1:265a BW).

Omdat de belangen van [naam] zich uitdrukkelijk verzetten tegen een afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling vooreerst voor de duur van twee maanden verlengen en de beslissing op de resterende duur van het verzoek aanhouden. De kinderrechter zal op de voet van artikel 810 Rv in deze beschikking de Raad opdragen om zijn onderzoek binnen deze termijn af te ronden en ofwel binnen deze termijn de rechtbank te verzoeken het gezag te beëindigen, dan wel binnen deze termijn de kinderrechter gemotiveerd te berichten waarom tot de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders de in artikel 1:247 lid 2 BW bedoelde opvoedingsverantwoordelijkheid binnen een voor [naam] aanvaarbare termijn kunnen dragen.

De kinderrechter zal in het licht van de hiervoor besproken feiten en omstandigheden, voor de duur van de ondertoezichtstelling een machtiging verlenen tot uithuisplaatsing van [naam] .

beslissing

De beslissing

fn

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twee maanden, te weten van 24 januari 2020 tot 24 maart 2020;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot uiterlijk 24 maart 2020;

houdt de beslissing op de resterende duur van het verzoek aan;

draagt de Raad voor de Kinderbescherming op om de kinderrechter te berichten over de uitkomst van het onderzoek naar de gezagsbeëindigende maatregel zoals hiervoor is overwogen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2020.


colA
colC

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden.