Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2020:665

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 12-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2020:665, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 170802


Bron: Rechtspraak

beschikking
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
RECHTBANK NOORD-NEDERLANDbeschikking bekrachtiging schriftelijke aanwijzingin de zaak van [de vader] , hierna te noemen de vader, [de moeder] , hierna te noemen de moeder,

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/170802 / FJ RK 20-12datum uitspraak: 12 februari 2020
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam.
betreffende

[naam minderjarige]

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

ECLI:NL:RBNNE:2020:665:DOC
nl

beschikking
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
RECHTBANK NOORD-NEDERLANDbeschikking bekrachtiging schriftelijke aanwijzingin de zaak van [de vader] , hierna te noemen de vader, [de moeder] , hierna te noemen de moeder,
Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/170802 / FJ RK 20-12datum uitspraak: 12 februari 2020
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam.
betreffende

[naam minderjarige]

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

procesverloop

Het procesverloop

- het verzoek met bijlagen van de GI van 23 december 2019, ingekomen bij de griffie op 3 januari 2020.
- de moeder,- de vader,- namens de GI, [jeugdzorgwerker 1] en [jeugdzorgwerker 2] .
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

Op 31 januari 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:
De feiten

Bij beschikking van 29 mei 2019 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 9 juni 2020.

De GI heeft op 29 november 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:

"U dient mee te werken aan de ondertoezichtstelling die door de rechtbank is opgelegd. Dit is nu niet het geval, gezien de jeugdzorgwerker niet in contact komt met u en [de minderjarige] sinds 9 augustus 2019. Van u wordt verwacht dat u in gesprek bent met de jeugdzorgwerker en dat de jeugdzorgwerker zicht krijgt en houdt op [de minderjarige] . Dit betekent dat u op de data die wij vaststellen op donderdag 5 december 2019 aanwezig moet zijn op de afgesproken plaats en tijdstip. Het doel van de vervolggesprekken die op deze data samen met u gepland worden is om afspraken te maken over de uitvoering van het plan van aanpak.

Dit betekent concreet dat u op donderdag 5 december om 10.00 uur op het gemeentehuis in [plaats] wordt verwacht. Het doel van dit gesprek is de zorgen rondom [de minderjarige] te bespreken. De jeugdzorgwerker verwacht tijdens dit gesprek nieuwe data vast te stellen om zowel met u alleen als met [de minderjarige] alleen in gesprek te zijn. De frequentie van deze gesprekken worden bepaald door wat de jeugdzorgwerker hierin nodig acht, in het belang van [de minderjarige] .

Daarnaast wordt u op dinsdag 10 december om 16.00 uur samen met [de minderjarige] op het gemeentehuis in [plaats] verwacht. Het doel van dit gesprek is dat de jeugdzorgwerker in het gesprek gaat met [de minderjarige] , zonder uw aanwezigheid, om te praten over hoe het met [de minderjarige] gaat."

Het verzoek

De standpunten van de ouders

Het standpunt van de vader

De vader heeft - samengevat - het volgende aangevoerd. De vader vindt dat de GI de stukken erg gekleurd heeft en de schuld van de hele situatie bij hem in de schoenen wordt geschoven. De vader heeft de omgang gestopt omdat de begeleiding niet adequaat was. Er werd een onervaren jongeman ingezet. De moeder manipuleerde [de minderjarige] tijdens deze momenten. Dat heeft ze volgens de vader ook bij haar andere kinderen gedaan en die ziet zij inmiddels ook niet meer. Daarnaast deed de moeder valse beschuldigingen in de richting van de vader. De vader vond de omgang niet meer veilig voor [de minderjarige] en dat zal hij haar later ook uitleggen. De vader heeft geen vertrouwen meer in de GI. Hij inmiddels al jaren in deze situatie en moet iedere keer weer opnieuw vechten voor [de minderjarige] . De moeder heeft ernstige psychiatrische problematiek en de vader zou graag zien dat er een onafhankelijk onderzoek komt. De moeder roept van alles en de gezinsvoogd gaat daarin mee. Zij laat zich te veel door de moeder beïnvloeden en heeft haar oordeel over de vader al op voorhand klaar. Al die onterechte aantijgingen maken dat de vader zicht machteloos voelt. Het gaat juist hartstikke goed met [de minderjarige] . Ook op school zijn er geen zorgen over [de minderjarige] . Tenslotte heeft de vader met klem betwist de moeder een paar weken geleden te hebben geslagen.
Het standpunt van de moeder

De moeder vindt dat de vader zich niet aan de regels houdt en vindt dat hij met de gezinsvoogd in gesprek moet. De moeder heeft [de minderjarige] in oktober vorig jaar voor het laatst gezien en de moeder wil niets liever dan dat de omgang wordt hervat. De omgang onder begeleiding van Comfort Zorg verliep goed en de moeder begrijpt dan ook niet dat dit is gestopt. De moeder geeft nog aan dat zij de vader een paar weken geleden op straat is tegengekomen en dat hij haar met de vuist in haar gezicht heeft geslagen.
overwegingen

De kinderrechter oordeelt als volgt. De GI kan ter uitvoering van haar taak op grond van artikel 1:263 van het Burgerlijk Wetboek (BW), eerste en tweede lid, dwingende schriftelijke aanwijzingen geven aan de gezag dragende ouder betreffende de opvoeding en verzorging van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

Op grond van het derde lid van voornoemd artikel kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.

De kinderrechter stelt vast dat de vader op 29 november 2019 een schriftelijke aanwijzing heeft ontvangen, inhoudende dat hij in gesprek moet komen met de GI en de GI zicht moet krijgen en houden op [de minderjarige] . Concreet heeft de GI de vader op 5 december 2019 op het gemeentehuis van [plaats] ontboden om met de GI te spreken en vervolgens op 10 december 2019 met [de minderjarige] op het gemeentehuis te verschijnen. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is gebleken dat de vader dit niet heeft gedaan. Door zijn houding komt de noodzakelijke samenwerking tussen hem en de GI niet van de grond. De kinderrechter acht het zeer zorgelijk dat de GI al sinds augustus 2019 niet meer met de vader in contact komt en [de minderjarige] sindsdien ook niet meer heeft gezien. De kinderrechter is van oordeel dat de door de GI geformuleerde schriftelijke aanwijzing in het belang is van [de minderjarige] is gegeven. Het is belangrijk dat de vader en de GI met elkaar in gesprek zijn en de GI zicht kan krijgen en houden op [de minderjarige] en zelf (rechtstreeks) met [de minderjarige] in contact kan komen en blijven.

De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van de GI kan worden bekrachtigd. Dat de data die in de schriftelijke aanwijzing worden genoemd inmiddels zijn verstreken, maakt dat niet anders. Het verzoek van de GI zal derhalve worden toegewezen.

Oan de heit
De bernerjochter wol de heit op it hert drukke dat it no saak is om de doar iepen te setten foar de gesinsfoogd, [jeugdzorgwerker 1] . De heit hat oanjûn dat syn fertrouwen yn har fuort is, mar de heit moat goed begripe dat [jeugdzorgwerker 1] it belied fan de GI útdraacht. Hoe 't de GI mei de heit omgiet sil net oars wurde troch in oare persoan as gesinsfoogd. De gesinsfoogd is oansteld troch de rjochter en moat de belangen fan [de minderjarige] yn it each hâlde. De gesinsfoogd kiest gjin kant foar de heit as foar de mem. Op it momint dat de gesinsfoogd soargelike sinjalen kriget fan de iene âlder, is it har taak om die mei de oare âlder te besprekken en nei te gean oft der oanlieding ta soarch is. Dêrmei seit sy noch neat oer oft se de sinjalen leaut as net. De heit liket net goed te begripen dat syn hâlding him op dit momint net fierder bringt. Oan de iene kant is der alle begryp foar de heit en alles wat hy meimakke hat de ôfrûne jierren, mar oan de oare kant liket de heit syn hâlding de situaasje allinnich mar slimmer en dreger te meitsjen. De bernerjochter hat de gesinsfoogd sizzen heard dat der neitocht wurdt oer oare maatregels as de de gesinsfoogd gjin sicht kriget op [de minderjarige] en de situaasje by de heit thús. Om it mar dúdlik te sizzen: de GI tinkt dêrby oan in úthûspleatsing fan [de minderjarige] . In úthûspleatsing moat fansels foarkommen wurde en is ek net wêr't de GI op út is. Mar as der neat feroaret yn de situaasje sil de GI gjin oare opsje mear sjen as in fersyk te dwaan om [de minderjarige] út hûs te heljen. De heit hat dit (mei syn eigen hâlden en dwaan) yn eigen hân. Hy is dejinge dy't sjen litte kin én moat hoe 't it mei [de minderjarige] giet en hoe 't de situaasje by him thús is. [de minderjarige] wennet ommers by him en wurdt troch him fersoarge en grutbracht. Hy sil de gearwurking mei de gesinsfoogd opsykje moatte en de gesinsfoogd binnen litte moatte as se delkomt. Ek is it hiel belangryk dat de gesinsfoogd [de minderjarige] sels sjen kin en frij (allinne) mei har prate kin. De bernerjochter hopet dan ek dat de heit syn striid tsjin de gesinsfoogd farre litte kin en de gearwurking mei de gesinsfoogd oan gean sil. De bernerjochter tinkt dat it de heit sels ek in protte rêst bringe kin en [de minderjarige] is dêrmei ek it aldermeaste holpen.
beslissing

De beslissing

bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 29 november 2019.

3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze beschikking is gegeven door mr. S.T. Kooistra, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.

colA
colC

colA
colC

colA
colC

c441