Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2020:577

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 10-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2020:577, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/830154-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2020:577:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/830154-19vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen parketnummers 20/001460-18 en 01/003630-19
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 februari 2020 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren in 1996 te [geboorteplaats],thans gedetineerd te Zwolle PPC.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2020.Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. Heidanus, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 juli 2019 te Wildervank, gemeente Veendam, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het aanraken van de billen en/of de vagina van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte die [slachtoffer] in het voorbijlopen onverhoeds een klap tegen de billen heeft gegeven en/of vervolgens onverhoeds de vagina van die [slachtoffer] heeft betast/aangeraakt.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2020;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 juli 2019, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier met nummer 2019188428 d.d. 21 juli 2019, inhoudende de verklaring van [slachtoffer].
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 19 juli 2019 te Wildervank, door een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten het aanraken van de billen en de vagina van die [slachtoffer] en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat verdachte die [slachtoffer] in het voorbijlopen onverhoeds een klap tegen de billen heeft gegeven en vervolgens onverhoeds de vagina van die [slachtoffer] heeft betast/aangeraakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Met haar strafeis heeft de officier van justitie beoogd dat verdachte op het moment dat hij kan worden opgenomen in FPA de Woenselse Poort, te weten op 30 maart 2020, hij zowel de gevangenisstraf in onderhavige zaak als de maand gevangenisstraf inzake de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 22/001460-18 zal hebben uitgezeten.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de strafeis van de officier van justitie. De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 19 juli 2019 in Wildervank schuldig gemaakt aan aanranding van aangeefster [slachtoffer] door onverhoeds haar billen en vagina aan te raken terwijl zij buiten aan het hardlopen was. Verdachte heeft hiermee respectloos gehandeld richting aangeefster en haar recht op lichamelijke integriteit geschonden. Hij heeft daarbij in het geheel geen rekening gehouden met de mogelijke impact daarvan op aangeefster en heeft daarnaast misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid toen zij zich alleen op straat bevond. De rechtbank rekent verdachte het voorgaande zwaar aan, zeker nu het niet de eerste keer is dat verdachte vanwege een dergelijk feit in aanraking is gekomen met politie en justitie en hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten waarvoor hij in een proeftijd liep.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het psychologisch Pro Justitiarapport van D. Breuker, Forensisch GZ-psycholoog, opgemaakt op 4 november 2019, en het psychiatrisch Pro Justitiarapport van dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater, opgemaakt op 1 november 2019. Uit voornoemde rapporten blijkt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornis, welke stoornissen aanwezig waren ten tijde van het ten laste gelegde en welke stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedden. Zowel door de psycholoog als door de psychiater wordt geadviseerd het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte.
De rechtbank neemt bovenstaande conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over, maakt die tot de hare en verklaart verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland d.d. 16 januari 2020. Hieruit volgt dat de kans op herhaling, gelet op verdachtes problematiek en zijn eerdere justitiële contacten, hoog zal blijven zonder behandeling. De reclassering adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een opname in zorginstelling FPA de Woenselse Poort te Eindhoven.
Gelet op de ernst van het feit en de eerdere veroordeling voor het plegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Nu uit de adviezen van de deskundigen blijkt dat het noodzakelijk is dat verdachte zo snel mogelijk wordt behandeld en verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk moet worden opgelegd met daaraan gekoppeld een meldplicht en een opname in FPA de Woenselse Poort.

Gelet op verdachtes problematiek, de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd en gelet op verdachtes documentatie, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Met betrekking tot de duur van de op te leggen gevangenisstraf overweegt de rechtbank als volgt. Op 30 maart 2020 kan verdachte worden opgenomen in FPA de Woenselse Poort. Zoals hierna onder het kopje 'vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen' overwogen, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging bevelen van de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand onder parketnummer 22/001460-18. Om te bewerkstelligen dat verdachte na zijn behandeling niet wederom gedetineerd zal raken, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 365 dagen, waarvan 139 dagen voorwaardelijk. Aansluitend op het uitzitten van deze gevangenisstraf zal verdachte de maand gevangenisstraf onder parketnummer 22/001460-18 uitzitten, opdat hij daarna direct opgenomen kan worden in FPA de Woenselse Poort.

Benadeelde partij
[slachtoffer]

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen kan worden, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de wettelijke rente.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering tot schadevergoeding toe te wijzen tot een redelijk bedrag. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat verdachte schulden heeft.
Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2019.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen
T.a.v. parketnummer 20/001460-18

Bij onherroepelijk arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 mei 2019, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 23 mei 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.De officier van justitie heeft bij vordering van 6 januari 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

T.a.v. parketnummer 01/003630-19

Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant te 's-Hertogenbosch van 29 maart 2019 is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een taakstraf van 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 13 april 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.De officier van justitie heeft bij vordering van 30 december 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering bijgesteld en de rechtbank verzocht de proeftijd te verlengen met één jaar.
Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld en op de straf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen, zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen.

- dat de veroordeelde zich gedurende maximaal 12 maanden van de proeftijd, zulks ter beoordeling van de reclassering, zal laten opnemen in FPA de Woenselse Poort te Eindhoven, althans een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst acht, werkt veroordeelde mee aan indicatiestelling en plaatsing.
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Geeft aan Reclassering Nederland (Polluxstraat 114 116 te Eindhoven) de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van (zegge: tweeduizend honderdelf euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2019.Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.111,46 (zegge: tweeduizend honderdelf euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 31 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 861,46 aan materiële schade en € 1.250,- aan immateriële schade.
Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

beslissing

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
20/001460-18:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 mei 2019, te weten: één maand gevangenisstraf.
beslissing

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
01/003630-19:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant te 's-Hertogenbosch van 29 maart 2019.
De rechtbank adviseert met klem om direct volgend op de tenuitvoerlegging van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf in onderhavige zaak de gevangenisstraf van één maand onder parketnummer 20/001460-18 ten uitvoer te leggen, opdat verdachte direct daarop volgend geplaatst kan worden in FPA de Woenselse Poort te Eindhoven. De rechtbank adviseert daarbij dat verdachte door DV&O vervoerd zal worden naar FPA de Woenselse Poort.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. S. Timmermans, rechters, bijgestaan door mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2020.
Mr. Baluah is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.