Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2020:576

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 10-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2020:576, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/248327-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2020:576:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/248327-19vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen parketnummers 18/077184-18 en 18/930161-18
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 februari 2020 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],zonder vaste woon- of verblijfsplaats hier te lande,thans gedetineerd te PI Veenhuizen, Meidoornlaan 38.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2020.Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.S. Slinkman, advocaat te Hoogezand. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 14 oktober 2019 te Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk: - 9, althans een of meer, bankbiljetten van €50 dat/die hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zelf heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem/hen, toen hij/zij deze ontving(en) bekend was als echt en onvervalst, heeft/hebbenuitgegeven, en/of- 20, althans een of meer, bankbiljetten van €50 dat/die hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zelf heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem/hen, toen hij/zij deze ontving(en) bekend was, in voorraad heeft/hebben gehad;
2.hij op of omstreeks 14 oktober 2019 te Stadskanaal, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 1], hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten (in uniform gekleed en belast met de noodhulpsurveillance) de aanhouding van verdachte op verdenking van het uitgeven van vals geld, door die [slachtoffer 1] met kracht van zich af te duwen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten pijn/schaafwonden aan de elleboog, hand en/of pols bij die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;
3.hij op of omstreeks 14 oktober 2019 te Stadskanaal opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 76, althans één of meer, XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.hij op of omstreeks 14 oktober 2019, te Stadskanaal, een wapen van categorie III, te weten een gasrevolver (merk Umarex, type Python) voorhanden heeft gehad;
5.hij op of omstreeks 14 oktober 2019, te Stadskanaal opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 52,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 14 oktober 2019 te Stadskanaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 9, althans een of meer, valse of vervalste bankbiljetten van € 50,- heeft uitgegeven;

Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair, 2, 3, 4 en 5.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2. De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 primair aangevoerd dat verdachte niet wist dat de bankbiljetten die hij bij zich had en die hij uitgaf vals waren. Hoewel verdachte bij het uitgeven van de 9 bankbiljetten van € 50,- twijfelde of deze wel echt waren, was hij bij het ontvangen van de bankbiljetten in ieder geval niet van de valsheid van de bankbiljetten op de hoogte. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding gestrest was, verkrampt raakte en dat hij toen in paniek met zijn armen en benen heeft gezwaaid. Gelet op het voorgaande is geen sprake van het zich willens en wetens verzetten tegen de aanhouding. De raadsman heeft betoogd dat feit 1 subsidiair en de feiten 3, 4 en 5 wel wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
T.a.v. feit 1 primair:

Goednummer: PL0100-2019273211-1194314.Categorie omschrijving: 9x vals biljet 50 euro.
Goednummer: PL0100-2019273211-1194286.Categorie omschrijving: 2x vals biljet 50 euro.
Goednummer: PL0100-2019273211-1194470.Categorie omschrijving: 18x vals biljet 50 euro.
T.a.v. feit 2:

De rechtbank acht de feiten 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.Deze opgave luidt als volgt:
T.a.v. feit 3:

T.a.v. feit 4:

T.a.v. feit 5:

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 primair op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft verklaard dat hij al een vermoeden had dat de bankbiljetten die hij uitgaf bij garagebedrijf [benadeelde partij] en de bankbiljetten die hij op voorraad had op 14 oktober 2019, vals waren. Uit de verklaring van aangever [naam aangever] dat hij direct voelde dat de bankbiljetten vals waren en uit de constateringen van de verbalisanten dat de bankbiljetten vals waren gelet op het ontbreken van meerdere echtheidskenmerken, leidt de rechtbank af dat al bij het ontvangen van de bankbiljetten duidelijk moet zijn geweest voor verdachte dat deze vals waren. Dat verdachte bij het ontvangen van de bankbiljetten niet op de hoogte zou zijn geweest van de valsheid ervan, acht de rechtbank daarom ongeloofwaardig.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte en verbalisant [slachtoffer 1] na een achtervolging beiden op de grond zijn beland. Verdachte zwaaide met zijn armen en benen en heeft getracht [slachtoffer 1] van zich af te duwen en weer op te staan. [slachtoffer 1] heeft meermalen tegen verdachte geroepen dat hij het verzet moest staken, waarop verdachte geen gehoor gaf. Verdachte bleef tegenstribbelen. Een omstander, getuige [getuige], heeft [slachtoffer 1] geholpen om verdachte onder controle te krijgen. Ook bij het aanleggen van de transportboeien bleef verdachte zich hevig bewegen. De rechtbank leidt uit voornoemde handelingen van verdachte af dat hij zich willens en wetens heeft verzet tegen zijn aanhouding. Dat verdachte wellicht in paniek verkeerde waardoor hij zijn lijf verkrampte en om zich heen sloeg en schopte doet aan voornoemd oordeel van de rechtbank niet af.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 15 oktober 2019, opgenomen op pagina 70 e.v. van het dossier met nummer 2019330553 d.d. 18 december 2019, inhoudende als verklaring van [verdachte]:Ik wist niet zeker of het geld vals was, maar het voelde niet goed. Ik had wel een vermoeden dat het geld vals was. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 14 oktober 2019, opgenomen op pagina 3 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam aangever] namens [benadeelde partij]:Ik ben werkzaam bij garagebedrijf [benadeelde partij], gelegen aan de [straatnaam], [vestigingsplaats]. Op woensdag 9 oktober 2019 werden mij 10 bankbiljetten van 50 euro overhandigd. Ik voelde gelijk dat de bankbiljetten vals waren. Ik voelde dat het papier anders aanvoelde. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 14 oktober 2019, opgenomen op pagina 14 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:Op maandag 14 oktober 2019 nam ik een aangifte op van betaling met vals geld. Aangever [naam aangever] noemde 10 valse bankbiljetten van 50 euro. Ik telde er echter maar 9. Deze biljetten zijn mij overhandigd door verbalisant [verbalisant]. Ook verbalisant [verbalisant] verklaarde dat het ging om 9 valse bankbiljetten.
4. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 14 oktober 2019, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier:
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Forensisch technisch onderzoek valse bankbiljetten van Politie Noord-Nederland d.d. 26 november 2019, opgenomen op pagina 57c, inhoudende als relaas van verbalisant:Goednummer: PLO100-2019273211-1194314Aantal bankbiljetten: 9Landaanduiding: Nederlandse biljettenValuta coupure: 50 euroBij het door mij ingestelde onderzoek aan de falsificaten, zag ik dat, onder andere, de navolgende echtheidskenmerken ontbraken:- de gebruikte reproductietechniek wijkt af van het origineel;- het originele watermerk ontbreekt in het papier;- de originele veiligheidsdraad ontbreekt in het papier.Het onderzoek wees uit dat de bankbiljetten vals waren.
6. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 14 oktober 2019, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier:
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Forensisch technisch onderzoek valse bankbiljetten van Politie Noord-Nederland d.d. 26 november 2019, opgenomen op pagina 57a, inhoudende als relaas van verbalisant:Goednummer: PL0100-2019273211-1194286Aantal bankbiljetten: 2Landaanduiding: Nederlandse biljettenValuta coupure: 50 euroBij het door mij ingestelde onderzoek aan de falsificaten, zag ik dat, onder andere, de navolgende echtheidskenmerken ontbraken:- de gebruikte reproductietechniek wijkt af van het origineel;- het originele watermerk ontbreekt in het papier;- de originele veiligheidsdraad ontbreekt in het papier.Het onderzoek wees uit dat de bankbiljetten vals waren.8. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 14 oktober 2019, opgenomen op pagina 13a e.v. van voornoemd dossier:
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Forensisch technisch onderzoek valse bankbiljetten van Politie Noord-Nederland d.d. 26 november 2019, opgenomen op pagina 57b, inhoudende als relaas van verbalisant:Goednummer: PL0100-2019273211-1194470Aantal bankbiljetten: 18Landaanduiding: Nederlandse biljettenValuta coupure: 50 euroBij het door mij ingestelde onderzoek aan de falsificaten, zag ik dat, onder andere, de navolgende echtheidskenmerken ontbraken:- de gebruikte reproductietechniek wijkt af van het origineel;- het originele watermerk ontbreekt in het papier;- de originele veiligheidsdraad ontbreekt in het papier.Het onderzoek wees uit dat de bankbiljetten vals waren.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 15 oktober 2019, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:Op 14 oktober 2019 was ik, verbalisant [slachtoffer 1] ter plaatse aan de [straatnaam] te Stadskanaal. Ik was belast met de Noodhulpsurveillance. Ik was werkzaam in de rechtmatige uitoefening van mijn bediening en ter plaatse bij een melding van vals geld uitgeven bij een garagebedrijf te Stadskanaal. Ik voelde dat ik samen met de verdachte [verdachte] op de grond viel. Ik voelde de verdachte zwaaien met zijn armen en benen. Ik voelde dat de verdachte met kracht op probeerde te staan. Ik voelde dat de verdachte mij van zich afduwde, hierbij raakte ik met mijn linker elleboog op de grond. Ik voelde pijn in mijn linker elleboog, kennelijk omdat deze over de straat schuurde. Ik riep luidkeels tegen de verdachte dat hij zijn verzet moest staken. Ik zag dat er bloed zat op mijn armen en mijn handen. Ik voelde tevens pijn op mijn rechterhand en pols. Ik riep nogmaals dat hij zijn verzet moest staken. Ik zag dat de verdachte gestrekt op zijn buik ging liggen. Ik ging op de rug van de verdachte zitten. Ik wilde de armen van de verdachte op zijn rug draaien. Ik voelde dat de verdachte met kracht zijn armen terugtrok. Ik voelde dat de verdachte, tijdens het aanleggen van de transportboeien, zijn hele lichaam verzette en verkrampte.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 15 oktober 2019, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:Op maandag 14 oktober 2019 ben ik getuige geweest van een aanhouding door de politie in Stadskanaal. Ik zag dat er een jongeman kwam aanrennen. Ik zag dat een politieagent een man achtervolgde. Beiden lagen op de grond. Ik zag dat de man zich hevig verzette door flink met zijn armen en benen te zwaaien. Ik zag dat de politieagent moeite had om de man onder controle te krijgen. Ik zag dat het verzet van de man doorging. Hij bleef tegenstribbelen/vechten met zijn armen en benen.
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2020;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen van Politie Noord-Nederland d.d. 4 november 2019, inclusief rapport NFiDENT d.d. 28 oktober 2019 als bijlage, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een relaas van verbalisanten;
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2020;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek wapen van Politie Noord-Nederland d.d. 2 december 2019, inclusief bijlage, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een relaas van verbalisant.
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2020;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 14 oktober 2019, opgenomen op pagina 1 van voornoemd dossier, inhoudend een relaas van verbalisanten;3. een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 14 oktober 2019, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair.hij op 14 oktober 2019 te Stadskanaal, opzettelijk: - 9 bankbiljetten van € 50,- waarvan de valsheid hem, toen hij deze ontving bekend was, als echt en onvervalst, heeft uitgegeven, en- 20 bankbiljetten van € 50,- waarvan de valsheid hem, toen hij deze ontving bekend was, in voorraad heeft gehad;
[slachtoffer 1], hoofdagent van politie Eenheid Noord-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten belast met de noodhulpsurveillance de aanhouding van verdachte op verdenking van het uitgeven van vals geld, door die [slachtoffer 1] met kracht van zich af te duwen, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten pijn/schaafwonden aan de elleboog, hand en pols bij die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;
3.hij op 14 oktober 2019 te Stadskanaal opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 76 XTC pillen, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.hij op 14 oktober 2019, te Stadskanaal, een wapen van categorie III, te weten een gasrevolver (merk Umarex, type Python), voorhanden heeft gehad;
5.hij op 14 oktober 2019 te Stadskanaal opzettelijk aanwezig heeft gehad 52,8 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
De rechtbank overweegt met betrekking tot feit 1 primair als volgt. De tekst van de tenlastelegging heeft betrekking op de delictsomschrijving van artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank stelt vast dat het ten laste gelegde onder het eerste gedachtestreepje wel valt onder voornoemde delictsomschrijving, maar dat het ten laste gelegde onder het tweede gedachtestreepje daar niet onder valt gelet op het ontbreken van het bestanddeel 'oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven' in de tenlastelegging. Het bewezenverklaarde onder het tweede gedachtestreepje, te weten het op voorraad hebben van valse bankbiljetten van € 50,-, levert derhalve geen strafbaar feit op. De rechtbank zal verdachte op dit punt ontslaan van alle rechtsvervolging.
1. primair. opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was;2. wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;5. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het bewezen verklaarde levert op:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 2, 3, 4 en 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk dient te zijn aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest en waarbij aan het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 14 oktober 2019 schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten. Verdachte heeft met een vriend een auto gehuurd, naar eigen zeggen om eens goed zijn verjaardag te vieren, en is met deze auto door heel Nederland gereden. Toen verdachte de auto terug wilde brengen naar de garage, heeft hij getracht extra gemaakte kosten te betalen met valse bankbiljetten. Het in omloop brengen van vals geld brengt het vertrouwen in papiergeld en het monetaire verkeer grote schade toe en dupeert bovendien de latere onwetende bonafide ontvanger in ernstige mate. Daarnaast ondervindt het handelsverkeer als geheel door het in omloop brengen van valse bankbiljetten hinder en schade. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich te verzetten bij zijn aanhouding. Door dit verzet heeft de verbalisant die verdachte probeerde aan te houden verschillende verwondingen opgelopen. Dit is een ernstig feit, omdat het niet alleen het werk van de politie bemoeilijkt, maar ook getuigt van weinig respect jegens politieambtenaren in functie en het openbaar gezag in het algemeen. Tot slot heeft verdachte een gasrevolver voorhanden gehad en was hij in het bezit van ruim 52 gram hennep en 76 XTC-pillen, welke pillen verdachte naar eigen zeggen op heeft gehaald in Rotterdam met de huurauto. Drugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en kunnen gepaard gaan met vele vormen van criminaliteit. Wapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Het voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. De rechtbank acht het bezit van een wapen in combinatie met het bezit van drugs zorgelijk. Voorts heeft verdachte niet volledig open kaart willen geven omtrent de vragen die er zijn omtrent de herkomst van de drugs wat de bestemming van de drugs was, dit maakt dat de rechtbank eveneens zorgen heeft omtrent het milieu waarin verdachte verkeert.
Geconfronteerd met de verdenkingen heeft de door hem gepleegde strafbare feiten willen typeren als 'stoerdoenerij'. De rechtbank wenst hier te benadrukken dat verdachte door zijn houding en uitlatingen de door hem gepleegde feiten bagatelliseert. Hij geeft in het geheel geen blijk van enig inzicht in het criminele karakter van zijn handelen. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten.

De rechtbank is gelet op de veelheid aan feiten en de ernst van de feiten van oordeel dat slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur gepast is. Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten.

Ondanks het feit dat verdachte gedeeltelijk is ontslagen van alle rechtsvervolging, is de rechtbank van oordeel dat, alles afwegende, in lijn met de eis van de officier van justitie, aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, moet worden opgelegd.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen
T.a.v. parketnummer 18/077184-18

Bij onherroepelijk vonnis van 10 augustus 2018 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 25 augustus 2018. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.De officier van justitie heeft bij vordering van 31 december 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

T.a.v. parketnummer 18/930161-18

Bij onherroepelijk vonnis van 28 maart 2019 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 24 september 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.De officier van justitie heeft bij vordering van 31 december 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld en gelet op de straf die de rechtbank in onderhavige zaak aan verdachte op zal leggen, ziet de rechtbank aanleiding om de proeftijd te verlengen met één jaar en de bijzondere voorwaarden te wijzigen zoals hierna in het dictum vermeld.

Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 181 en 209 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen, gedeeltelijk te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar en ontslaat verdachte met betrekking tot het overige onder 1 primair ten laste gelegd van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van het feit.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

beslissing

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18/077184-18:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen van 10 augustus 2018, te weten: een taakstraf van 20 uren.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18/930161-18:

Verlengt de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Assen van 28 maart 2019 vastgestelde proeftijd met één jaar en wijzigt de voorwaarden in die zin dat deze als volgt komen te luiden.
Stelt als algemene voorwaarden:

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Timmermans, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. R. Baluah, rechters, bijgestaan door mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2020.
Mr. Baluah is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
1. dat de veroordeelde zich op uitnodiging van de Reclassering meldt op het adres Stationsstraat 20 te Emmen. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht tuit te voeren;2. dat de veroordeelde actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. Dit met het doel de beïnvloedbaarheid van de veroordeelde te verkleinen. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;3. dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met medeverdachten [medeverdachte 1] (geboortedatum [geboortedatum]-2000), [medeverdachte 2] (geboortedatum [geboortedatum]-1996) en [medeverdachte 3] (geboortedatum [geboortedatum]-1997), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod. Tevens heeft of zoekt hij op geen enkele wijze direct of indirect contact met het slachtoffer [slachtoffer 2] (geboortedatum [geboortedatum]-1984);4. dat de veroordeelde zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering. Dat veroordeelde, indien de reclassering het noodzakelijk acht, verblijft in een woonvoorziening of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Dat veroordeelde zich houdt aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;5. dat de veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van cannabis om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;6. dat de veroordeelde er voor zorgt dat hij dagbesteding in de vorm van (on)betaalde arbeid behoudt;7. dat veroordeelde zich, indien de reclassering het noodzakelijk acht, laat behandelen door Verslavingszorg Noord-Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Dat veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener hem geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.