Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2020:475

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-02-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 07-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2020:475, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/830300-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2020:475:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/830300-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 februari 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2020.Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H. Terpstra, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
- contact gelegd en onderhouden met betrekking tot een pakket (met eenhoeveelheid cocaïne) uit Aruba, en/of- persoonsgegevens (naam en adresgegevens) ter beschikking gesteld in verband- genoemd pakket (op zijn, verdachtes, naam) in ontvangst genomen;
1.

hij in of omstreeks de periode van 30 november 2018 tot en met 6 december2018, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of gemeente Delfzijl, althansNederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer393,50 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattendecocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorendelijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 30 november 2018 tot en met 6 december2018, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of gemeente Delfzijl, althansNederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 vande Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied vanNederland brengen van 393,50 gram, althans een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwetbehorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot hetplegen van dat feit heeft getracht te verschaffen
immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in verenigingmet een ander of anderen, althans alleen
met het verzenden van genoemd pakket uit Aruba en/of het afleveren van datpakket op zijn, verdachtes, adres, en/of
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

één of meer anderen in of omstreeks de periode van 30 november 2018 tot en met6 december 2018, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of gemeenteDelfzijl, althans Nederland, tezamen en in vereniging met een ander ofanderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederlandheeft gebracht ongeveer 393,50 gram, in elk geval een hoeveelheid van eenmateriaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bijde Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid vanartikel 3a van die wet,bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte in voornoemdeperiode behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk feit verdachteopzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,door opzettelijk zijn adres en/of woning beschikbaar te stellen voor deaflevering van voornoemde hoeveelhe(i)d(en) cocaïne;
2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 tot en met 6 december 2018,in de gemeente Delfzijl, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkochten/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van eenmateriaal bevattende methadon, zijnde methadon een middel als bedoeld in debij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lidvan artikel 3a van die wet.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.
De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte veroordeling gevorderd van het onder 2 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle varianten van het onder 1 ten laste gelegde omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit omdat er naast de verklaring van verdachte onvoldoende ander bewijs voorhanden is. Daarnaast kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat de verkoop heeft plaatsgevonden in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 6 december 2018.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat het dossier aanwijzingen bevat op grond waarvan zou kunnen worden afgeleid dat verdachte mogelijk op de hoogte is geweest van een plan waarbij 393,50 gram cocaïne vanuit Aruba naar Nederland zou worden gezonden, en waarbij tevens aan de orde is geweest dat dit op zijn adres zou worden afgeleverd. De rechter is er echter niet van overtuigd dat verdachte opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne, dan wel dat hij opzet heeft gehad op het voorbereiden of bevorderen van de invoer van cocaïne of dat verdachte hieraan opzettelijk medeplichtig is geweest. Verdachte zal integraal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.
Bewezenverklaring

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
V: [verdachte] heeft verklaard dat hij methadon gebruiker is. A: Methadon wist ik, zo kwam hij ook aan zijn geld. Dat verkocht hij.
Als ik heroïne gebruik, dan hoef ik geen methadon. Dus dan verkoop ik mijn methadon wel. Dat ik over heb. Voor 50 milligram, dit zijn tien pillen, krijg ik dan 50 cent per pil. Dus € 5,-. Dit doe ik 1 keer per week. Met dit geld koop ik drugs. O: We willen wat berichten uit je telefoon met je gaan bespreken.V: Op 12-11-2018 stuurt [naam 1] jou: " [verdachte] , Kan je 20 pillen doen. Ik zei 3 maar dat kan ik niet doen. Omdat ik iemand 1 zakje terug moet geven. Anders kom ik zelf tekort". A: Hier wil [naam 1] mij methadon geven. Ik heb mijn methadon verkocht voor [naam 1] maar ikzou van hem terug krijgen. V: Op 20-10-2018 zeg jij tegen iemand die onder de naam "metiran" in je telefoon staat: "maandag ik heb mijn zorgtoeslag en huursubsidie binnen. Kan je mij nu twintig sturen".A: Hij koopt wel eens methadon van mij, hier bedoel ik of hij mij 20 Euro wil lenen .V: We lezen in je telefoon een gesprek met ene [naam 2] . Op 22-10-2018 en 23-10-2018.Hij zegt dingen tegen jou: "Is goed breng maar" en "moet nu weg, gooi maar in debrievenbus " en "bedankt [verdachte] ". Kennelijk wordt er iets bezorgd en bedankt hij jou er voor. A: Dit is ook een man die af en toe wel methadon gebruikt. Hij vroeg of ik het in zijn brievenbus wilde gooien, maar dit was niet nodig omdat ik hem later tegen kwam en het toen aan hem gegeven heb.
Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 6 december 2018 schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 12 december 2018, opgenomen op pagina 213 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2019104428 d.d. 26 april 2019, inhoudend als verklaring van [medeverdachte] (V: verbalisant en A: antwoord [medeverdachte] ):
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 14 december 2018, opgenomen op pagina 175 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 6 december 2018 in de gemeente Delfzijl opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd methadon, zijnde methadon een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
2. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 76 dagen voorwaardelijk met aftrek met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van de reclassering van 26 juni 2019. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis wordt opgelegd. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie gelet op het hoge recidiverisico.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, om onder meer rekening te houden met het feit dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft en de laatste jaren geen strafbare feiten meer heeft gepleegd. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om geen gevangenisstraf en geen onvoorwaardelijke taakstraf aan verdachte op te leggen.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering van 26 juni 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkopen en afleveren van methadon aan andere gebruikers.
Uit het reclasseringsrapport van 26 juni 2019 volgt dat verdachte al 25 jaar verslaafd is aan heroïne en cocaïne en dat hij is ingesteld op methadon. Het hoogst haalbare is waarschijnlijk dat verdachte alleen nog methadon gebruikt. Verdachte is zijn woning in Delfzijl kwijtgeraakt. Op dit moment woont hij in Groningen begeleid bij het Leger des Heils. Verdachte heeft een strafblad, maar is de laatste vijf jaar niet meer veroordeeld. Bovendien heeft hij geen documentatie op het gebied van Opiumwetdelicten.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte gedurende een korte periode in zeer beperkte mate aan hem voorgeschreven methadon heeft verkocht en afgeleverd aan een vaste kring van (bekende) medegebruikers. De rechtbank heeft ook meegewogen dat het handelen van verdachte - hoewel strafrechtelijk te kwalificeren als handel in verdovende middelen - niet was ingegeven door het oogmerk om er zelf financieel beter van te worden, maar om zijn eigen drugsverslaving te bekostigen. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 dagen. Deze straf is gelijk aan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet geen ruimte om daarnaast aan verdachte een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden of een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Inbeslaggenomen goederen
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen telefoon, merk Alcatel, verbeurd wordt verklaard.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat zij ten aanzien van voornoemd inbeslaggenomen goed geen opmerkingen heeft.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een telefoon, merk Alcatel, kleur zwart, vatbaar voor verbeurdverklaring, nu de telefoon aan verdachte toebehoort en dit een voorwerp is met betrekking tot welke het bewezenverklaarde feit is begaan.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen telefoon, merk Alcatel, kleur zwart.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. T.M.L. Veen en mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 februari 2020.