Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2020:1411

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 26-03-2020. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 26-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2020:1411, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/730158-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2020:1411:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730158-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 maart 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,wonende te [woonadres] ,ten tijde van de terechtzitting gedetineerd te [verblijfplaats 1] ,thans verblijvend te [verblijfplaats 2] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 maart 2020. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 13 juli 2019 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten de lO-jarige [slachtoffer 1] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met snelle vaart op die [slachtoffer 1] is toegelopen en die [slachtoffer 1] op de grond heeft geduwd, dan wel zodanig tegen hem aan is gebotst/gelopen dat die [slachtoffer 1] ten val kwam (waarbij die [slachtoffer 1] met zijn hoofd en rug op de stenen terecht is gekomen) en (vervolgens) bovenop die [slachtoffer 1] is gaan zitten en (vervolgens) (gedurende enige tijd) zijn, verdachtes, duimen/vingers met kracht op/tegen dc ogen van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gedrukt/gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 juli 2019 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, (de 10-jarige) [slachtoffer 1] heeft mishandeld door met snelle vaart op die [slachtoffer 1] toe te lopen en die [slachtoffer 1] op de grond te duwen, dan wel zodanig tegen hem aan te botsen/lopen dat die [slachtoffer 1] ten val kwam (waarbij die [slachtoffer 1] met zijn hoofd en rug op de stenen terecht is gekomen) en (vervolgens) bovenop die [slachtoffer 1] te gaan zitten en (vervolgens) (gedurende enige tijd) zijn, verdachtes, duimen/vingers met kracht op/tegen de ogen van die [slachtoffer 1] te duwen/drukken/houden;

2.hij op of omstreeks 13 juli 2019 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten de 8-jarige [slachtoffer 2] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet op die [slachtoffer 2] is toegerend en (vervolgens), die [slachtoffer 2] met beide handen bij zijn gezicht/hoofd heeft vastgepakt en nadat zij ten val waren gekomen, op die (tegenspartelende) [slachtoffer 2] heeft gezeten en/of gelegen en/of (vervolgens) (gedurende enige tijd) zijn, verdachtes, duimen/vingers met kracht op/tegen de ogen van die [slachtoffer 2] heeft geduwd/gedrukt/gehouden of in die ogen heeft geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 13 juli 2019 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden,(de 8-jarige) [slachtoffer 2] heeft mishandeld door op die [slachtoffer 2] toe te rennen en (vervolgens), die [slachtoffer 2] met beide handen bij zijn gezicht/hoofd vast te pakken en nadat zij ten val waren gekomen, op die (tegenspartelende) [slachtoffer 2] te gaan zitten en/of liggen en/of (vervolgens) (gedurende enige tijd) zijn, verdachtes, duimen/vingers met kracht op/tegen de ogen van die [slachtoffer 2] te duwen/drukken/houden of in die ogen te knijpen;
3.hij op of omstreeks 13 juli 2019 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden,opzettelijk de 8-jarige [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door (nadat verdachte die [slachtoffer 2] had vastgepakt en met hem op de grond terecht was gekomen) op die (tegenspartelende) [slachtoffer 2] te gaan en blijven zitten/liggen en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] (die door verdachte met beide handen onder zijn schouders werd vastgehouden) mee te nemen/tillen naar (een) bosje(s)/struik(en) en (vervolgens) die [slachtoffer 2] aldaar zodanig te plaatsen dat verdachte en die [slachtoffer 2] uit het zicht van anderen zijn en (vervolgens) (wederom) bovenop die [slachtoffer 2] te gaan en blijven zitten;
4.hij op of omstreeks 13 juli 2019 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met kracht tegen een muur te duwen/drukken en/of die [slachtoffer 3] met kracht op haar kaak, in elk geval in haar gezicht, te slaan en/of te stompen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1. primair, 2. primair, 3. en 4.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte ten aanzien van feiten 1., 2. en 4. moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten zwaar psychotisch was, waardoor ieder inzicht in de draagwijdte en de gevolgen van zijn daden ontbrak, en daarmee het opzet. Subsidiair heeft zij betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij niet toerekeningsvatbaar is. Ten aanzien van feit 3. heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat de handeling te kort heeft geduurd om tot een bewezenverklaring van vrijheidsberoving te komen. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte gelet op de diepe psychose geen opzet heeft gehad op de vrijheidsberoving. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij niet toerekeningsvatbaar is.
Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feiten 1. primair, 2. primair, 3. en 4.:

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
A: Ik had een gedachtegang dat die kinderen weg moesten. Toen rende ik naar ze toe en raakte ik volgens mij iemand zijn oog.V: Ik vertelde dat er iets gebeurd is met meerdere kinderen. Niet alleen met dat ene jongetje, maar ook met een ander jongetje. Kun je je daar iets van herinneren?A: Ja een heel klein beetje. V: Kun je je ook een moeder herinneren?A: Ja.
[slachtoffer 1] zei dat een vreemde zijn ogen ingedrukt had. Ik zag bloeduitstortinkjes naast zijn ogen en ik zag dat zijn ogen rood waren. Ik zag ook dat hij wat wondjes bij zijn ogen had. Ik ben naar de speeltuin gegaan. Ik zag dat [slachtoffer 2] in de bosjes lag en dat er een man bovenop [slachtoffer 2] zat. [slachtoffer 2] lag op zijn buik. Ik ben er naartoe gerend en ik zag dat de man schrok en hij rende weg. In het tunneltje, de uitgang van de speeltuin, haalde de man ons in en begon de man mij te slaan. Ik kreeg een harde slag tegen mijn kaak aan. De man raakte mij op mijn bovenkaak. Ik voelde dat het bloedde. De man duwde mij tegen de muur van het tunneltje aan. [slachtoffer 2] is 8 jaar en [slachtoffer 1] is 10 jaar. [slachtoffer 2] zei dat de man hem in zijn ogen had geprikt. [slachtoffer 2] klaagde over hoofdpijn. [slachtoffer 2] gaf aan dat vooral zijn rechter oog zeer deed.
Op 13 juli 2019 heeft er een mishandeling plaatsgevonden in de speeltuin, gelegen aan de [adres] te Leeuwarden. Hierbij was als verdachte [verdachte] betrokken en als slachtoffers een tweetal minderjarige jongens, genoemd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en hun moeder, [slachtoffer 3] . Op de camerabeelden is het volgende te zien:Om 17:19:33 uur komt verdachte [verdachte] , vanaf het wijkgebouw gezien, links uit de hoek van de speeltuin rennen. Verdachte [verdachte] rent met volle snelheid tegen [slachtoffer 1] aan waarna [slachtoffer 1] en de verdachte beide over het gekleurde blok heen vallen. Om 17:21:52 uur komt verdachte [verdachte] uit de linkerhoek van de speeltuin, achter de grote struik, wegrennen. [slachtoffer 2] rent weg richting de gekleurde blokken. Ter hoogte van de rekstokken pakt de verdachte [slachtoffer 2] vast. De verdachte pakt [slachtoffer 2] met beide handen bij zijn gezicht vast, waarna de verdachte en [slachtoffer 2] in het gras vallen. De verdachte zit boven op [slachtoffer 2] , zodanig dat [slachtoffer 2] op bepaalde momenten niet meer zichtbaar is. [slachtoffer 2] spartelt heen en weer. De verdachte ligt boven op [slachtoffer 2] . Om 17:22:29 uur loopt verdachte [verdachte] met [slachtoffer 2] naar de eerder genoemde grote struik aan de, vanaf het wijkgebouw gezien, linkerkant van de speeltuin. Het is mij, verbalisant, ambtshalve bekend dat deze grote struik hol van binnen is. De verdachte houdt [slachtoffer 2] met beide handen vast onder zijn schouders. [slachtoffer 2] spartelt hierbij met zijn benen. De verdachte tilt [slachtoffer 2] de struik in. Vanaf het moment dat de verdachte en [slachtoffer 2] zich in de struik bevinden zijn ze niet meer in beeld. Dit komt omdat deze struik begroeid is. Om 17:22:56 uur rent de moeder van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] via het toegangshek de speeltuin in. Zij rent rechtstreeks naar de struik waar de verdachte en [slachtoffer 2] in zitten. Moeder loopt de bosjes in en verdwijnt uit beeld.Om 17:23:19 uur rent de verdachte [verdachte] de bosjes uit.
Daar waar V staat, betreft de vraag van verhoorder.Daar waar A staat, betreft het antwoord van de getuige.Daar waar O staat, betreft geconstateerde opmerking.
A: Hij viel me opeens aan. Hij duwde me en deed zo bij mijn ogen.O: [slachtoffer 1] duwt met zijn duimen bij de hoekjes van zijn ogen.A: Dit gebeurde bij [adres] , bij de speeltuin. Hij kwam uit het hoekje met de bosjes. Hij kwam rennen en toen duwde hij mij op de grond. Ik kwam toen op de stenen terecht met mijn hoofd en mijn rug. En toen deed hij zo.O: [slachtoffer 1] brengt zijn duim bij zijn oog.A: Hij zat bovenop me. Hij had zijn knieën naast mij. En toen duwde hij met zijn duimen aan de binnenkant van mijn ogen. Hij duwde best wel hard. Het deed pijn. Daarna ging hij van mij af en ging hij rennen. V: Wat was er later aan jouw oog te zien?A: Ik had een korst.O: Wijst naar zijn oog, naar de boven- en onderkant.V: Kwam daar ook bloed uit?A: Ja, niet veel. Mijn oog was later blauw en rood en wat roze in het oog. Dat was bij allebei de ogen. Maar die plekjes was bij mijn linkeroog.
Letselbeschrijving:

Aangezicht:
Letselinterpretatie:

De toegediende druk om letsel 1, de onderhuidse bloeduitstorting, te veroorzaken moet groot genoeg zijn om de onderhuidse bloedvaten te laten barsten, zodat er bloed onder de huid loopt. De toegediende druk om letsel 2, waarschijnlijk een kras- of schaafverwonding, te veroorzaken moet groot genoeg zijn om de huid oppervlakkig te doorbreken. Betrokkene heeft verklaard dat er door verdachte in zijn ogen is gedrukt met de duimen. Het is mogelijk om bij langdurig met voldoende kracht duwen met de duimen letsel van het oog te veroorzaken, wat kan leiden tot verlies van zicht en in het uiterste geval blindheid. Hoe lang en hoe hard er gedrukt moet worden om letsel op te lopen aan het oog, valt niet wetenschappelijk te onderbouwen.
Daar waar V staat, betreft de vraag van de verhoorder.Daar waar A staat, betreft het antwoord van de getuige.
A: Ik werd aangevallen door een man. V: Wat deed die man?A: In mijn ogen knijpen. Dat deed echt heel erg zeer. Dit was in de speeltuin. Mijn moeder kwam. Toen was ik in de bosjes. Die man heeft mij daar gebracht.
[slachtoffer 2] vertelt dat de man hem optilde bij zijn buik en meenam naar de bosjes.

A: Die man had mijn moeder vast toen we in de tunnel van de [adres] waren.

Het letsel kan ontstaan door een krassende beweging van een scherp of puntig voorwerp. Nagels kunnen soortgelijk letsel veroorzaken.De toegediende druk om een krasverwonding te veroorzaken moet groot genoeg zijn om de huid oppervlakkig te breken.Het is mogelijk om bij langdurig met voldoende kracht duwen met de duimen letsel van het oog te veroorzaken, wat kan leiden tot verlies van zicht en in het uiterste geval blindheid. Hoe lang en hoe hard er gedrukt moet worden om letsel op te lopen aan het oog, valt niet wetenschappelijk te onderbouwen.
Daar waar V staat, betreft de vraag van verhoorder.Daar waar A staat, betreft het antwoord van de getuige.
A: Ik ging met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] spelen en toen kwam die man ineens. Hij heeft [slachtoffer 1] aangevallen. Ik weet dat die man [slachtoffer 1] ging vast houden. Echt stevig. [slachtoffer 1] is 10. Die man duwde [slachtoffer 1] op de grond. Die ging hem een soort van vasthouden. Bij zijn schouders. Toen rende die man naar [slachtoffer 2] en heeft die man hem gepakt. Toen heeft hij precies hetzelfde gedaan als met [slachtoffer 1] . V: Heb jij de moeder van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gezien?A: Ja.V: Wat heb jij gezien?A: Dat die moeder werd geslagen. Door die man. Op de wang.
Bewijsoverwegingen

De rechtbank zal eerst overwegen waarom zij van oordeel is dat ten aanzien van feiten 1. primair en 2. primair sprake is van een poging tot zware mishandeling. Daarna zal de rechtbank ingaan op het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van feit 3., inhoudende dat er geen sprake is van vrijheidsberoving. Vervolgens geeft de rechtbank haar overwegingen omtrent het opzet van verdachte ten aanzien van feiten 1. primair, 2. primair, 3. en 4.
Ten aanzien van feiten 1. primair en 2. primair, zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank stelt voorop dat lichamelijk letsel als zwaar wordt beschouwd indien dat letsel naar gewoon spraakgebruik als zodanig kan worden aangeduid. Van belang zijn onder meer: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak tot medisch ingrijpen en het uitzicht op herstel.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte bij zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] in de ogen heeft geduwd, dan wel geknepen. Beide jongens hebben verklaard dat dit pijn deed. Bij geen van beide jongens is oogletsel aangetroffen, maar er zijn rondom de ogen wel huidverkleuringen aangetroffen die het gevolg zijn van bloeduitstortingen, als gevolg van stomp botsend of drukkend geweld. [slachtoffer 1] vertelt bij zijn verhoor ook over korsten in het oog en enig bloedverlies uit het oog. [slachtoffer 1] heeft daarbij aangegeven dat verdachte hard op zijn ogen heeft geduwd. Dat verdachte veel kracht had, blijkt ook uit de verklaring van verbalisanten die benoemen dat verdachte bij zijn aanhouding een soort oerkracht leek te hebben. Uit de letselverklaringen volgt dat het bij langdurig met voldoende kracht duwen met de duimen mogelijk is om letsel van het oog te veroorzaken, hetgeen kan leiden tot verlies van zicht en in het uiterste geval blindheid. Hoe lang en hoe hard er gedrukt moet worden om dergelijk letsel op te lopen, valt wetenschappelijk niet te onderbouwen.

De rechtbank stelt aan de hand van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene vast dat door de gedragingen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel bij de slachtoffers had kunnen optreden, te weten verlies van zicht dan wel blindheid.

Ten aanzien van feit 3., vrijheidsberoving

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat op grond van de korte duur van de feitelijkheden geen sprake kan zijn van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de feitelijkheden ongeveer anderhalve minuut hebben geduurd, hetgeen een korte periode betreft. De rechtbank is van oordeel dat gedurende deze korte periode sprake is geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft gepoogd [slachtoffer 2] zwaar te mishandelen door op hem af te rennen, op hem te zitten en te liggen, en op de ogen van [slachtoffer 2] te drukken dan wel erin te knijpen, waardoor [slachtoffer 2] pijn heeft gehad. Na deze beangstigende situatie heeft verdachte [slachtoffer 2] opgepakt en onder zijn arm meegenomen. [slachtoffer 2] had als 8-jarige geen enkele kans om uit deze dreigende situatie te komen. Door deze gedragingen van verdachte werd [slachtoffer 2] in zijn bewegingsvrijheid beperkt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verdachte de vrijheidsberoving niet uit vrije wil heeft beëindigd, maar omdat de gealarmeerde moeder van [slachtoffer 2] op hen af kwam.
Ten aanzien van feiten 1. primair, 2. primair, 3. en 4., opzet

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het plegen van de feiten, nu verdachte ten tijde van die feiten zwaar psychotisch was, waardoor ieder inzicht in de draagwijdte en de gevolgen van zijn daden ontbrak. Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het plegen van de bewezenverklaarde feiten. Dat hij achteraf heeft verklaard niet veel herinneringen aan die feiten te hebben, doet aan dit opzet niet af.
Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is komen vast te staan dat verdachte de feiten heeft gepleegd terwijl hij in een psychose verkeerde. Uit jurisprudentie volgt dat een dergelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Daarvan is slechts bij hoge uitzondering sprake.

Een dergelijke uitzondering doet zich in deze zaak niet voor. Zo volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte zich kan herinneren dat hij in de speeltuin is geweest, alsook dat hij de gedachte had dat de kinderen weg moesten. Verdachte heeft verklaard dat hij naar de kinderen toe is gerend en kan zich herinneren dat hij het oog van één van de kinderen heeft aangeraakt. Verdachte kan zich ook de moeder van de kinderen herinneren. Op grond van deze verklaring stelt de rechtbank vast dat verdachte enig besef heeft gehad van hetgeen hij heeft gedaan. Hij is bewust op de kinderen afgerend en heeft in een kort tijdsbestek zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] met kracht in de ogen geduwd/geknepen.

1. De door verdachte ter zitting van 12 maart 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:Ik weet dat ik in de speeltuin was en naar de kinderen keek. Ik herinner mij vaag iets van een struik.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 23 juli 2019, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019182937 van 12 augustus 2019, inhoudend als verklaring van verdachte:
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 juli 2019, opgenomen op pagina 66 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] : 13 juli 2019 ben ik door een man geslagen. Deze man heeft mij met gebalde vuist, met kracht, in mijn gezicht geslagen. Door deze vuistslag zijn twee tanden losgeraakt.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster van 14 juli 2019, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2019, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van studioverhoor van 25 juli 2019, opgenomen op pagina 102 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
7. Een geneeskundige verklaring inzake [slachtoffer 1] , op 5 november 2019 opgemaakt en ondertekend door A.E. Brinker, forensisch arts FMG, los opgenomen bij voornoemd dossier, voor zover inhoudend, als haar verklaring:
1. Onder het linkeroog, aan de neuszijde, bevindt zich in de plooi een streepvormige rode huidverkleuring. De kleurintensiteit varieert plaatselijk. 2. Vlak naast de linker neusvleugel bevindt zich een drietal rode huidverkleuringen. 2 huidverkleuringen zijn lijnvormig. De derde is grillig gevormd.
1. Dit letsel past bij een onderhuidse bloeduitstorting door stomp botsend of drukkend geweld met een voorwerp of oppervlak.2. Het geheel lijkt passend bij een drietal schaaf- dan wel krasverwondingen door schurend contact met een ruw of scherp voorwerp of oppervlak.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van studioverhoor van 25 juli 2019, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
9. Een geneeskundige verklaring inzake [slachtoffer 2] , op 5 november 2019 opgemaakt en ondertekend door T.H. Tan, forensisch arts, voor zover inhoudend, als verklaring:
Beschrijving:

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 3 augustus 2019, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 juli 2019, opgenomen op pagina 107 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :Op 13 juli 2019 hoorden we gestommel en gebonk van buiten. Toen ik door het raam keek zag ik een man. Kort nadat de man over het hek de speeltuin in was gegaan zag ik dat de man achter het jongetje aanrende en hem vastpakte. Ik zag dat de man op het jongetje lag. Ik zag dat de man het jongetje oppakte en met hem een grote struik in liep.
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 14 juli 2019, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:Op 13 juli 2019 kregen wij de melding dat er een man in een speeltuin aan de [adres] te Leeuwarden bij kinderen probeerde de ogen eruit te drukken. Na later bleek het te gaan om [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1989. Wij probeerden de man onder controle te krijgen. De man verzette zich hevig. Ondanks zijn smalle postuur had de man toch veel kracht. Het leek of de man een soort oerkracht had.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1. primair, 2. primair, 3. en 4. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primairhij op 13 juli 2019 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten de 10-jarige [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met snelle vaart op die [slachtoffer 1] is toegelopen en die [slachtoffer 1] op de grond heeft geduwd, dan wel zodanig tegen hem aan is gelopen dat die [slachtoffer 1] ten val kwam, waarbij die [slachtoffer 1] met zijn hoofd en rug op de stenen terecht is gekomen en vervolgens bovenop die [slachtoffer 1] is gaan zitten en gedurende enige tijd zijn, verdachtes, duimen met kracht op de ogen van die [slachtoffer 1] heeft geduwd/gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. primairhij op 13 juli 2019 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten de 8-jarige [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet op die [slachtoffer 2] is toegerend en vervolgens, die [slachtoffer 2] met beide handen bij zijn gezicht heeft vastgepakt en nadat zij ten val waren gekomen, op die tegenspartelende [slachtoffer 2] heeft gezeten en gelegen en gedurende enige tijd zijn, verdachtes, vingers met kracht op de ogen van die [slachtoffer 2] heeft geduwd of in die ogen heeft geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3.hij op 13 juli 2019 te Leeuwarden, opzettelijk de 8-jarige [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door nadat verdachte die [slachtoffer 2] had vastgepakt en met hem op de grond terecht was gekomen op die tegenspartelende [slachtoffer 2] te gaan en blijven zitten/liggen en vervolgens die [slachtoffer 2] , die door verdachte met beide handen onder zijn schouders werd vastgehouden mee te tillen naar bosjes en die [slachtoffer 2] aldaar zodanig te plaatsen dat verdachte en die [slachtoffer 2] uit het zicht van anderen zijn en vervolgens wederom bovenop die [slachtoffer 2] te gaan en blijven zitten.
4.hij op 13 juli 2019 te Leeuwarden, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met kracht tegen een muur te duwen en die [slachtoffer 3] met kracht op haar kaak, in elk geval in haar gezicht, te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair Poging tot zware mishandeling.2. primair Poging tot zware mishandeling.3. Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.4. Mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van feiten 1. primair, 2. primair, 3. en 4. zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zowel de psychiater als de psycholoog hebben geadviseerd om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.
Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw aangevoerd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is.
Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage van 27 november 2019, opgemaakt door dhr. T.W.D.P. van Os en drs. M. Vermaas, psychiaters en op de psychologische onderzoeksrapportage van 26 november 2019, opgemaakt door A. van der Geize, psycholoog.
De conclusies van deze rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een psychotische stoornis. De psychiaters hebben vastgesteld dat deze stoornis zeer waarschijnlijk al enige tijd bestond en progressief was. De psychose had een overweldigende doorwerking op het gedrag van verdachte. Zeer waarschijnlijk kwam hij tot de bewezenverklaarde feiten onder invloed van een ernstige psychose met religieuze ervaringen en hallucinaties, zoals het horen van de stem van God die hem opdrachten gaf. De psycholoog heeft geconcludeerd dat door de psychotische stoornis tijdens het bewezenverklaarde sprake is geweest van een verminderd vermogen tot oordelen en tot het plannen en organiseren van zijn gedrag; het gedrag werd op dat moment gestuurd door de overtuiging dat hij schuldig was en er op hem gejaagd werd. De deskundigen adviseren om de feiten in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over. De rechtbank concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid dat de bewezenverklaarde feiten aan verdachte niet kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zij zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Bij de afdoening van de zaak heeft de rechtbank ermee rekening gehouden dat aan verdachte een zorgmachtiging is verleend op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz), overeenkomstig het advies van de gedragsdeskundigen. Het daartoe strekkende rekest met nummer C/17/171623/ BZ RK 20-109 is tegelijk met deze strafzaak behandeld.

Benadeelde partij(en)
Ter terechtzitting ingetrokken vorderingen benadeelde partij

In het dossier bevinden zich vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Nu hun gemachtigde mr. Spoelstra ter zitting heeft meegedeeld dat deze vorderingen als ingetrokken kunnen worden beschouwd, neemt de rechtbank hierover geen beslissing.
Benadeelde partij [slachtoffer 3]

heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.296,05 ter vergoeding van materiële schade en € 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en heeft gevorderd de vervangende gijzeling op nihil te stellen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat in de wettelijke regeling hieromtrent het oude artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht nog staat opgenomen, hetgeen nu het equivalent van de zorgmachtiging is. Op grond hiervan is het mogelijk om ook bij ontslag van alle rechtsvervolging een vordering van een benadeelde partij toe te wijzen.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit de facturen impliciet blijkt dat de tandartskosten rechtstreeks verband houden met het feit. De kosten voor de mantelzorg acht de raadsvrouw echter onduidelijk. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er sprake is van immateriële schade, gelet op de schade aan het gebit en hetgeen de benadeelde met betrekking tot haar kinderen heeft meegemaakt. De raadsvrouw acht echter de bijgevoegde jurisprudentie niet goed vergelijkbaar met deze zaak; zij acht een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade redelijk. De raadsvrouw heeft bepleit de vervangende gijzeling op nihil te stellen omdat verdachte voor langere tijd verplichte zorg zal krijgen en gedurende deze periode niet over een inkomen beschikt.
Oordeel van de rechtbank

Op 1 januari 2020 is artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen. Met ingang van diezelfde datum is de Wet Forensische Zorg in werking getreden. Met het afgeven van een zorgmachtiging door de strafrechter wordt hetzelfde doel nagestreefd als met de maatregel van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in het vervallen artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk ervoor zorgen dat verdachte verplichte zorg krijgt, waardoor kort gezegd het risico voor gevaar voor de (algemene) veiligheid van personen of goederen wordt afgewend.Nu de rechtbank met het afgeven van de zorgmachtiging op 12 maart 2020 een equivalent van het vervallen artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht heeft verstrekt, is zij van oordeel dat de benadeelde partij in de onderhavige zaak ontvankelijk is in haar vordering en kan de rechtbank, gelet op het bepaalde in laatstgenoemd artikel, een schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank gaat ervan uit dat de wetgever door de invoering van de zorgmachtiging niet heeft bedoeld een wijziging aan te brengen in de positie van de benadeelde partij.Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 4. bewezen verklaarde. De gevorderde schade, bestaande in vrije uren die de partner van de benadeelde partij heeft opgenomen om mantelzorg te verlenen, beschouwt de rechtbank als verplaatste schade. De rechtbank acht deze schadepost voldoende onderbouwd en onvoldoende betwist door de verdediging.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij ook immateriële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op € 1.500,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.

De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 3.796,05, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank stelt de vervangende gijzeling daarbij vast op 0 dagen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 282, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. primair, 2. primair, 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.796,05 (zegge: drieduizend zevenhonderdzesennegentig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2019.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 3.796,05 (zegge: drieduizend zevenhonderdzesen-negentig euro en vijf eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 0 dagen. Dit bedrag bestaat uit € 2.296,05 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en mr. K. Post, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2020.Mr. N.A. Vlietstra en mr. H.H.A. Fransen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.