Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:4615

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-11-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 06-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:4615, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is LEE 19-3025 en 19-3026


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:4615:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
1. [verzoekster].

2. [verzoekster].

1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoeker een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.a. de bij of krachtens dit besluit geldende emissiegrenswaarden;f. zoutzuur: 40% van de emissiegrenswaarde of 4 mg/Nm3;3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.4. Aangezien verzoeksters hoge kosten dienen te maken om aan de last te kunnen voldoen en op betrekkelijk korte termijn van rechtswege dwangsommen verbeuren, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan de zijde van verzoeksters gegeven.5. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeksters de grond dat verweerder in dit geval ten onrechte verzoekster sub 1 heeft aangeschreven, laten vallen, zodat deze grond thans geen inhoudelijke bespreking meer behoeft.6. In procedureel opzicht overweegt de voorzieningenrechter als volgt.7. Inhoudelijk wordt als volgt overwogen.5 mg/Nmᶾ. Hoewel verzoeksters kunnen worden gevolgd in hun betoog dat de thans gehanteerde bedrijfsvoering van de [inrichting] als gevolg van het toevoegen van een grotere dosis van de stof bicarbonaat tot hogere kosten leidt, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden voorbij gegaan aan het gegeven dat verzoeksters deze kosten hebben bespaard in de voorafgaande periode van 2014 tot en met 2019. Het feit dat de AbRvS in voormelde uitspraak anders oordeelde met betrekking tot de meetonzekerheid en de toegestane aftrek dan het geval is geweest in een andere uitspraak, behoort naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot het ondernemersrisico van verzoeksters en leidt niet tot de conclusie dat om die reden de opgelegde last onder dwangsom redelijkerwijs niet kan worden uitgevoerd. De voorzieningenrechter heeft hierbij ook in zijn overwegingen betrokken dat, behoudens calamiteiten, volgens de prognoses van verweerder op grond van de gerealiseerde uitstoot, verzoeksters aan de last zullen gaan voldoen. Dit brengt met zich dat van een onmogelijkheid om de opgelegde last onder dwangsom uit te voeren in dit geval niet is gebleken. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.5 mg/Nmᶾ kunnen worden gezet.12. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoeksters ongegrond. Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
locatie Groningen

zaaknummers: LEE 19/3025 en 19/3026

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 november 2019 in de zaken tussen

hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters, (gemachtigde: mr. A. de Snoo),
en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân

(gemachtigde: mr. ing. R.A. Dirksma).
Als hebben aan het geding deelgenomen: 1.a. [belanghebbende], gevestigd te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.a.,1.b. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.b.,1.c. [belanghebbende], derde-belanghebbende sub 1.c.,1.d. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.d.,1.e. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.e.,1.f. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.f.,1.g. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.g.,1.h. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.h.,1.i. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.i.,1.j. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.j.,1.k. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.k.,1.l. [belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende sub 1.l., hierna gezamenlijk te noemen: derde-belanghebbenden, (gemachtigde: mr. H.A. Sarolea),
Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van derde-belanghebbende om handhavend op te treden tegen de [inrichting]) van verzoeksters te [plaats] wegens overtreding van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde van zoutzuur, afgewezen.
Bij besluit van 9 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van derde-belanghebbende gegrond verklaard, het primaire besluit van 7 juni 2016 herroepen, het handhavingsverzoek van derde-belanghebbende toegewezen en aan verzoeksters een last onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoeksters beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 19/3025. Tevens hebben verzoeksters bij brief van 20 augustus 2019 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 29 oktober 2019.Verzoeksters zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde, [naam] [functie]) en [naam] ([functie]).Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en H. Stapert.Namens derde-belanghebbenden is voornoemde gemachtigde verschenen.
Overwegingen

Feiten en omstandigheden

Voorgeschiedenis

De [inrichting] is een afvalverbrandingsinstallatie voor de verbranding van niet-gevaarlijke brandbare afvalstoffen. De installatie bevindt zich aan de [adres] te [plaats], op het industrieterrein “Industriehaven”.Op 5 oktober 2010 is ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting. In vergunningvoorschrift 4.2.4 is bepaald dat de verbrandingsinstallatie moet voldoen aan de jaargemiddelde emissiewaarde van HCl (zoutzuur) van ≤ 5 mg/Nmᶾ. Niet in geschil is dat het automatische meetsysteem (AMS) van de REC over het jaar 2014 een jaargemiddelde emissiewaarde van zoutzuur heeft berekend van 7,48 mg/Nmᶾ.
1.1. Derde-belanghebbende sub 1.a. heeft verweerder bij brief van 1 april 2016 verzocht handhavend op te treden tegen de [inrichting] wegens overtreding van de jaargemiddelde emissie-grenswaarde van zoutzuur.

1.2. Bij primair besluit van 7 juni 2016 heeft verweerder het verzoek van derde-belanghebbende sub 1.a. om handhavend op te treden tegen de [inrichting] van verzoeksters te Harlingen wegens overtreding van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde van zoutzuur, afgewezen.

1.3. Tegen dit besluit heeft derde-belanghebbende sub 1.a. bij brief van 18 juli 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

1.4. Derde-belanghebbende sub 1.a. heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht op de hoorzitting van 27 september 2016 van de Commissie voor Bezwaar en Beroep van de provincie Fryslân (hierna: de commissie).

1.5. De commissie heeft verweerder bij brief van 8 november 2016 geadviseerd het bezwaarschrift van derde-belanghebbende sub 1.a. ongegrond te verklaren en het primaire besluit van 7 juni 2016 te handhaven.

1.6. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder bij besluit op bezwaar van 22 november 2016 het bezwaarschrift van derde-belanghebbende sub 1.a. ongegrond verklaard en het primaire besluit van 7 juni 2016 gehandhaafd.

1.7. Tegen het besluit op bezwaar van 22 november 2016 heeft derde-belanghebbende sub 1.a. beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 14 juli 2017 heeft de rechtbank het beroep van derde-belanghebbende ongegrond verklaard.

1.8. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft derde-belanghebbende sub 1.a. hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS). Bij uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1737) heeft de AbRvS het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 14 juli 2017 van de rechtbank vernietigd, het besluit op bezwaar van 22 november 2016 van verweerder vernietigd en verweerder opgedragen om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen.

1.9. Ter uitvoering van voormelde uitspraak van de AbRvS heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaarschrift van derde-belanghebbende sub 1.a. gegrond verklaard, het primaire besluit van 7 juni 2016 herroepen, het handhavingsverzoek van derde-belanghebbende sub 1.a. toegewezen en aan verzoeksters een last onder dwangsom opgelegd.De opgelegde last onder dwangsom houdt in dat verzoeksters ervoor dienen te zorgen dat de jaargemiddelde emissiewaarde van zoutzuur maximaal 5 mg/Nmᶾ (bij 11% Oₓ) is, zodat wordt voldaan aan voorschrift 4.2.4 van de omgevingsvergunning milieu van 5 oktober 2010. Bij het vaststellen van de jaargemiddelde emissiewaarde mogen verzoeksters de berekende waarde voor het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de gemeten emissiewaarde aftrekken. Per kalendermaand waarin verzoeksters niet aan de last voldoen, verbeuren zij een dwangsom van € 40.000,--, met een maximum van € 400.000,--. Verzoeksters dienen uiterlijk 1 januari 2020 aan deze last te voldoen. Tot dan verbeuren verzoeksters geen dwangsommen.
Toepasselijke regelgeving

2.1. Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.Ingevolge artikel 122, tweede lid, van de Provinciewet wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door gedeputeerde staten, indien de last dient tot handhaving van regels welke het provinciebestuur uitvoert.
2.2. Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e.

2.3. Artikel 5.16 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) bepaalt:“Een afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt op een zodanige wijze ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd […] dat wordt voorkomen dat de emissies in de lucht leiden tot overschrijding van:
[…].”Ingevolge artikel 5.19 van het Activiteitenbesluit mag de emissie van zoutzuur in de lucht de halfuur- en daggemiddelde waarde van 8 mg/Nmᶾ niet overschrijden.Artikel 5.30, tweede lid, van het Activiteitenbesluit bepaalt:“Voor een afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarop onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van deze paragraaf op die afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie een omgevingsvergunning […] was verleend, blijven de voorschriften van die vergunning van toepassing, tenzij de betreffende voorschriften gelijke of minder strenge emissiegrenswaarden bevatten dan die welke gelden op grond van deze paragraaf.”
2.4. Artikel 5.18 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: de Activiteitenregeling) bepaalt:“De bemonsteringen, analyses en metingen van de parameters die nodig zijn om te bepalen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen:[…]Kwaliteitsborging geautomatiseerdemetingsystemen NEN-EN 14181[…].” Artikel 5.19, derde lid, van de Activiteitenregeling bepaalt:“De waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen, op basis waarvan de gemiddelden worden berekend die getoetst worden aan een emissiegrenswaarde, is bij continue metingen niet groter dan de volgende percentages van de emissiegrenswaarde voor de dagelijkse emissies:[...]
[...].”Artikel 5.19, vierde lid, van de Activiteitenregeling bepaalt:“De gevalideerde halfuur- en daggemiddelden worden bij continue metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten halfuurgemiddelden, na aftrek van de waarde van het in het derde lid vermelde 95%-betrouwbaarheidsinterval.”
2.5. Ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt in deze wet onder overtreding verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.Ingevolge artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen.Ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.Ingevolge artikel 5:32b, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.Ingevolge artikel 5:32b, derde lid, van de Awb staan de bedragen in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Overwegingen

Intrekking grond

Partij in de zin van artikel 8:26 van de Awb?

6.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gemachtigde van derde-belanghebbende sub 1.a. eerst ter zitting de derde-belanghebbenden sub 1.b. tot en met sub 1.k. als partij in de zin van artikel 8:26 van de Awb heeft aangemeld.

6.2. Ingevolge artikel 8:26 van de Awb kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

6.3. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011: BQ7429, volgt dat ook aan het geding kan worden deelgenomen door een derde wiens belang tegengesteld is aan dat van de eiser en die door toewijzing van het beroep in een nadeliger positie zou komen te verkeren, zonder dat deze derde eerst aan een bezwaarschrift-procedure of beroepsprocedure in eerste aanleg heeft deelgenomen.

6.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, voldoende komen vast te staan dat de derde-belanghebbenden sub 1.b. tot en met sub 1.k. een tegengesteld belang hebben aan dat van verzoeksters. Dit brengt met zich dat de derde-belanghebbenden sub 1.b. tot en met 1.k. in dit geval, gelet op de in rechtsoverweging 6.3. aangehaalde vaste jurisprudentie van de AbRvS, allen als partij in de zin van artikel 8:26 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter om proceseconomische redenen geen aanleiding om in dit geval te beoordelen of elke aangemelde derde-belanghebbende op zichzelf hinder van enige betekenis ondervindt.

Overtreding

7.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de [inrichting] het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 4.2.4. overtreedt voor wat betreft de toegestane (maximale) emissie van zoutzuur. Gelet hierop is er sprake van een overtreding van een wettelijk voorschrift, zodat verweerder in dit geval bevoegd was tot handhavend optreden.

7.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan, dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien er sprake is van een overgangssituatie (concreet zicht op legalisatie, bedrijfsverplaatsingen, experimenten en andere tijdelijke overtredingen), bij overmachtssituaties of wanneer een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel gerechtvaardigd is. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van handhaving in die concrete situatie afgezien behoort te worden.

7.3. Verzoeksters betogen dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat [inrichting] thans in overleg met de provincie een verzoek tot wijziging van de omgevingsvergunning voorbereidt. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat bedacht moet worden dat het hier gaat om een bijzonder complexe vergunning, zodat eendergelijke aanvraag niet binnen enkele dagen, voorzien van de benodigde onderliggende stukken, kan worden voorbereid en ingediend. Omdat de huidige omgevingsvergunning voor wat betreft de emissie van zoutzuur uitgaat van een strengere norm dan op basis van zowel het geldende als het toekomstige Referentiedocument voor Best Beschikbare Technieken (BBT) voor Afvalverwerking is vereist, zal volgens verzoeksters een aanpassing van de norm naar de situatie die recht doet aan de veel kleinere marge voor de meetonzekerheid kunnen plaatsvinden zonder dat sprake is van een feitelijk grotere emissie. Het onderliggende milieubelang wordt in de visie van verzoeksters aldus niet geschaad door een aanpassing van de vergunning. Hoewel uiteraard niet vooruit kan worden gelopen op de besluitvorming op de aanvraag, ligt het naar de mening van verzoeksters voor de hand te veronderstellen dat de aanvraag voor wijziging van de omgevingsvergunning zal kunnen worden verleend. In deze context moet worden vastgesteld dat er volgens verzoeksters sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dit is in lijn met de bestendige jurisprudentie omtrent de beginselplicht tot handhaving een bijzondere omstandigheid op grond waarvan kan worden afgezienvan handhaving.
7.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster sub 2 de intentie heeft de om een aanvraag in te dienen voor een hogere jaargemiddelde emissiegrenswaarde voor zout-zuur. Dit betekent volgens verweerder echter niet dat er sprake is van concreet zicht oplegalisatie. Er is sprake van concreet zicht op legalisatie wanneer ten tijde van het bestreden besluit een ontvankelijke vergunningaanvraag is ingediend, die strekt tot legalisatie van de niet vergunde situatie. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat de vergunning kan worden verleend. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had verzoekster sub 2 in de visie van verweerder geen ontvankelijke aanvraag ingediend. Om die reden was er naar de mening van verweerder geen sprake van concreet zicht op legalisatie.
7.5. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2015: 2523, volgt dat voor de beantwoording van de vraag of concreet zicht bestaat op legalisatie het moment van de beslissing op bezwaar beslissend is.Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2015:2523, dat het voor concreet zicht op legalisatie niet is vereist dat reeds volledig inzicht bestaat in de van de aangevraagde inrichting te duchten milieugevolgen en de ter beperking van deze gevolgen aan een eventueel te verlenen vergunning te verbinden voorschriften. Vereist is in de regel dat een vergunningaanvraag strekkende tot legalisatie van de illegale situatie is ingediend die volgens het bevoegd gezag voldoende gegevens bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor het milieu en dat het bevoegd gezag geen beletselen ziet voor verlening van de gevraagde vergunning.
7.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in dit geval terecht op het standpunt gesteld dat er geen concreet zicht is op legalisatie. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen ontvankelijke aanvraag ten behoeve van de wijziging van de verleende milieu-omgevings-vergunning door verzoeksters was ingediend. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet gebleken is dat er sprake is van een aanvraag om wijziging van de omgevingsvergunning die zonder meer als toewijsbaar dient te worden ingeschat. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.

Herstelsanctie?

8.1. Verzoeksters betogen dat de opgelegde last onder dwangsom niet meer is gericht op herstel, dat wil zeggen dat weer gaat worden voldaan. Naar de mening van verzoeksters is de last punitief, aangezien zij worden gestraft voor de periode voorafgaand aan het primaire besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom en de periode voorafgaand aan voormelde uitspraak van de AbRvS. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat de REC thans wordt verplicht de emissie veel verder terug te brengen dan tot de 6 mg/Nmᶾ die met de nieuwe meetcorrectie als bovengrens geldt, namelijk tot 4,43 mg/Nmᶾ vanaf de datum van het primaire besluit. In de visie van verzoeksters is het verschil tussen 6 mg/Nmᶾ en 4,43 mg/Nmᶾ niets anders dan een punitieve sanctie voor het in de eerste helft van 2019 niet (al) voldoen aan de nieuwe meetcorrectie.
8.2. In de uitspraak van 29 mei 2019, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2019:1737, heeft de AbRvS onder meer het navolgende overwogen:
‘Uit het deskundigenbericht volgt dat de over 2014 gemeten emissiewaarde van 7,48 mg/Nm3 mag worden verminderd met een meetonzekerheid van 0,26 mg/Nm3. Dit betekent dat de jaargemiddelde emissiewaarde van zoutzuur over 2014, na correctie, 7,22 mg/Nm3 bedraagt en dus niet voldoet aan de in vergunningvoorschrift 4.2.4 opgenomen grenswaarde van 5 mg/Nm3. Het college is dan ook bevoegd om handhavend op te treden.’

8.3. Uit voormelde uitspraak van de AbRvS leidt de voorzieningenrechter af dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden in de periode van 2014 tot en met 2019, voor zover er sprake was van een overtreding van de jaargemiddelde emissiewaarde van 5 mg/Nmᶾ voor wat betreft zoutzuur. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat vorenbedoelde norm voor zoutzuur is opgenomen in vergunningsvoorschrift 4.2.4 van het besluit tot het verlenen van de oprichtingsvergunning van de REC en dat dit besluit onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat van de juistheid van dit besluit dient te worden uitgegaan. Evenzeer dient te worden uitgegaan van de juistheid van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde van zoutzuur in verband met de van de oprichtings-vergunning deel uitmakende begrippenlijst, waarin voormeld begrip is omschreven. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat verweerder in het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit een begunstigingstermijn tot 1 januari 2020 heeft opgenomen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verweerder opgelegde last onder dwangsom niet kan worden beschouwd als een sanctie met een punitief karakter. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verzoeksters te volgen in hun stelling dat de door verweerder bij het bestreden besluit gehandhaafde last onder dwangsom in strijd komt met artikel 5:4, eerste lid, van de Awb. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.

Onmogelijkheid tot uitvoeren van de last

9.1. Verzoeksters betogen dat er sprake is van een onmogelijk uit te voeren last onder dwangsom. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat, indien wordt uitgegaan van de door verweerder gehanteerde eenvoudige getallen, dit betekent dat als de emissie gedurende de eerste zes maanden van het jaar 8 mg/Nmᶾ zou zijn geweest en een jaargemiddelde van maximaal 5 mg/Nmᶾ moet worden gehaald, over de resterende periode een gemiddelde van maximaal 2 mg/Nmᶾ zou moeten worden gerealiseerd. Dit is volgens verzoeksters feitelijk slechts op één manier mogelijk: door het sluiten van de inrichting. Op dit moment wordt de emissie van zoutzuur zoveel als mogelijk beperkt door de inzet van chemicaliën. De daartoe benodigde stoffen moeten uit Duitsland of Frankrijk worden geïmporteerd en zijn volgens verzoeksters slechts in beperkte hoeveelheden leverbaar. De milieuwinst die in de inrichting met de inzet van deze stoffen wordt gerealiseerd, wordt in de visie van verzoeksters ruim-schoots teniet gedaan door de milieuschade van het produceren en transporteren van deze stoffen. Indien geen acht wordt geslagen op de beperkte beschikbaarheid van de benodigde chemicaliën en evenmin op de milieuschade die de inzet daarvan met zich brengt, staat volgens verzoeksters vast dat het maximale resultaat dat met de inzet hiervan kan worden behaald een beperking van de emissie tot ca. 5 rngiNmᶾ bedraagt. Aldus zou nog steeds niet aan de last worden voldaan, omdat zelfs in het hypothetische geval dat vanaf de datum van ontvangst van het besluit zou zijn overgegaan tot een maximale inzet van de chemicaliën, niet een het voor een jaargemiddelde van 5 mgiNmᶾ per 1 januari 2020 noodzakelijke daggemiddelde van maximaal 2 mg/Nmᶾ zou kunnen worden gerealiseerd. Uit het voorgaande volgt in de visie van verzoeksters dat het onmogelijk is aan de opgelegde last te voldoen en tegelijk de inrichting in bedrijf te houden. Alleen als de inrichting zou wordenstilgelegd, zou aan de last kunnen worden voldaan. Uit niets blijkt echter volgens verzoeksters dat verweerder op het stilleggen van de inrichting uit is. Indien dat wel het geval zou zijn, zal moeten worden vastgesteld dat het de facto opleggen van een dergelijke maatregel volstrekt buitenproportioneel is. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat de afvalverwerking een vitale sector betreft en het stilleggen van een afvalverwerker grotemaatschappelijke gevolgen heeft. Uit niets blijkt dat verweerder die consequenties in deoverwegingen heeft betrokken, laat staan dat die zijn aanvaard.
9.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de last onder dwangsom niet onuitvoer-baar is. Voor zover verzoeksters stellen dat de emissie van zoutzuur beperkt moet worden tot 2 mg/Nm3, wordt dit volgens verweerder niet onderbouwd met berekeningen. Volgens de berekeningen van verweerder zou de [inrichting] vanaf het in werking treden van de last onder dwangsom de zoutzuuremissie moeten beperken tot circa 4,4 mg/Nm3 om aan de last te voldoen. Daarbij wordt de jaargemiddelde emissie gecorrigeerd met 1 mg/Nm3, zoals berekend met de eenvoudige methode uit het memo van Rijkswaterstaat (RWS). De maximale (ongecorrigeerde) zoutzuuremissie is dus 6 mg/Nm3. Verweerder gaat er bij de berekening vanuit dat de [inrichting] tot de inwerkingtreding van de last onder dwangsomgemiddeld 8 mg/Nm3 uitstootte. Tot en met 9 juli 2019 waren er 137 dagen verstreken waarop de [inrichting] normaal in werking was. Voor de test van 2019 resteren 175 dagen. De berekening van de gemiddelde emissiewaarde die in de periode 10 juli - 31 december 2019 moet worden gehaald om aan de last onder dwangsom te kunnen voldoen, luidt als volgt:((312*6) - (137*8)) /175 = 4,43 mg/Nm3. Om in de jaarperiode 1 januari 2019 - 1 januari 2020 de jaargemiddelde emissie van zoutzuur te beperken tot een maximum van 6 mg/Nm3, zou de [inrichting] de zoutzuuremissie vanaf de inwerkingtreding van de last onder dwangsom dus moeten beperken tot circa 4,43 mg/Nm3. Dit is volgens verweerder niet onhaalbaar. Dit blijkt in de visie van verweerder ook uit het feit dat de [inrichting] begin dit jaar en de afgelopen periode heeft laten zien dat het met de huidige apparatuur prima haalbaar is om voor zoutzuur lagere emissies te behalen. Begin dit jaar werden volgens verweerder zelfs waarden van circa 3 mg/Nm3 behaald. Sinds het opleggen van de last onder dwangsom, behaalt de [inrichting] volgens verweerder daggemiddelde emissiewaarden van 4 tot 5 mgINm3. Naar de mening van verweerder is de last niet onuitvoerbaar.Voor zover verzoeksters stellen dat het tijdelijk stilleggen van de [inrichting] een andere mogelijkheid is om aan de last onder dwangsom te kunnen voldoen, wijst verweerder erop dat bij het berekenen van de jaargemiddelde emissiewaarde perioden van stilstand buiten beschouwing worden gelaten. De dagen waarop de [inrichting] stilligt, mogen dan ook niet als nul-emissie’ worden meegerekend. Het stilleggen van de [inrichting] heeft daarom (juist) in de visie van verweerder geen positieve invloed op de jaargemiddelde emissie.Voor zover verzoeksters stellen dat de chemicaliën waarmee de rookgasreinigingsinstallatie van de [inrichting] de zoutzuuremissie beperken, slechts beperkt beschikbaar zijn, wijst verweerder erop dat dit niet met bewijsstukken wordt onderbouwd. In dit verband acht verweerder van belang dat zowel in de conceptaanvraag voor een hogere zoutzuuremissie als in het rapport‘Onderzoek Rookgasreiniging [inrichting] 2016’ (beide als bijlagen bij het beroepschrift gevoegd), met geen woord wordt gerept over schaatste van de chemicaliën gerept. Op pagina 14 van het laatstgenoemde rapport staat dat de schoorsteenemissie van zoutzuur in de praktijk verlaagd kan worden van 8 naar 5 mg/Nm3 door de overmaat aan natriumbicarbo-naat fors te verhogen. De enige wijziging die doorgevoerd moet worden, is het verlagen van de wenswaarde in het besturingssysteem. De [inrichting] gebruikt sinds 2018 naast natriumbicarbo-naat ook de stof TopCrete om de zoutzuuremissie te beperken. Het is verweerder niet bekend dat deze stoffen zo schaars zijn dat de last onuitvoerbaar is. Er zijn (ook volgens het door de REC zelf opgestelde rapport) geen wijzigingen in de bedrijfsvoering nodig. Er zijn wel meervrachtwagenbewegingen nodig. Volgens het door de [inrichting] zelf opgestelde rapport uit 2016 gaat het om 41 extra transporten voor natriumbicarbonaat en 37 extra transporten voor het afvoeren van extra rookgasreinigingsresidu. Deze aantallen zijn niet zodanig dat de last in de visie van verweerder onuitvoerbaar is.
9.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoeksters niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerder opgelegde last onder dwangsom redelijkerwijs niet kan worden uitgevoerd. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat ter zitting door de gemachtigde [naam] van verzoeksters is bevestigd dat het mogelijk is om het setpoint van de bedrijfsinstallatie van de [inrichting] zodanig in te stellen dat de uitstoot van zoutzuur onder de voorgeschreven norm van 5 mg/Nmᶾ blijft. Verder neemt de voorzieningenrechter hierbij in aanmerking dat door de gemachtigde [naam] van verzoeksters ter zitting is erkend dat de [inrichting] in elk geval voor dit jaar over de benodigde hoeveelheden van de stof bicarbonaat kan beschikken om de uitstoot van zoutzuur te beperken tot onder de voorgeschreven norm van

Begunstigingstermijn

10.1. Verzoeksters betogen dat door een last op te leggen die is gebaseerd op het voort-schrijdend jaargemiddelde en de start van de periode waarover dit gemiddelde wordt berekend te laten vallen ver voor de datum van het besluit, zelfs voor de datum van voormelde uitspraak van de AbRvS, er in feite helemaal geen sprake is van een begunstigingstermijn. Dit brengt volgens verzoeksters met zich dat de [inrichting] wordt gedwongen per direct vergaande maatregelen te treffen - veel verdergaand dan hetvergunningvoorschrift van een emissie van maximaal 5 mg/Nmᶾ - en iedere dag dat de [inrichting] daar niet in slaagt wordt de kans dat op de datum van het einde van de begunstigingstermijn aan de last zal kunnen zijn voldaan kleiner. Uiteindelijk zal volgens verzoeksters zelfs het sluiten van de inrichting, en dus het reduceren van de emissie tot nihil, er niet meer toe kunnen leiden dat aan de last zal worden voldaan. Hoewel in het bestreden besluit dus wel wordt gesproken over een begunstigingstermijn, is daar door de wijze waarop de last is vormgegeven naar de mening van verzoeksters feitelijk geen sprake van.
10.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de jaargemiddelde emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 voor zoutzuur door de [inrichting] zelf is aangevraagd. Die norm is door verweerder opgenomen in voorschrift 4.2.4 van de omgevingsvergunning van 5 oktober 2010. Uit de uitspraak van 29 mei 2019 van de AbRvS blijkt dat toepassing van het 95%-betrouwbaar-heidsinterval op de emissiewaarden anders moet worden uitgelegd dan voorheen is gedaan. Daarbij wijst verweerder erop dat de norm niet is gewijzigd. Gevolg van de nieuwe wijze van toetsing volgens het memo is in de visie van verweerder dat er sprake is van een overtreding van voorschrift 4.2.4 van de omgevingsvergunning. In 2014 was de jaar-gemiddelde emissiewaarde voor zoutzuur te hoog. Derde-belanghebbende sub 1.a. heeft een handhavingsverzoek ingediend ten aanzien van deze overtreding.

10.3. De voorzieningenrechter volgt verzoeksters niet in hun betoog dat er in dit geval door de formulering van de last onder dwangsom feitelijk geen sprake is van een begunstigingstermijn. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit een begunstigingstermijn tot 1 januari 2020 is opgenomen. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit rechtsoverweging 8.3. volgt dat van de juistheid van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde voor zoutzuur dient te worden uitgegaan. Nu niet gebleken is dat het voor verzoeksters redelijkerwijs niet mogelijk is om qua bedrijfsvoering van de [inrichting] de door verweerder opgelegde last uit te voeren, is de door verweerder gestelde begunstigingstermijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onjuist of onredelijk. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.

Onjuiste begunstigingstermijn

11.1. Verzoeksters betogen dat er in dit geval sprake is van een onjuiste begunstigings-termijn. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat, indien verweerder zou willen vasthouden aan een last verbonden aan het voortschrijdend jaargemiddelde, de last zou moeten ingaan één jaar na de datum waarop verweerder meent dat de emissie verlaagd dient te zijn tot maximaal 5 mg/Nmᶾ. Uitgaande van het dwangsombesluit, zou dit volgens verzoeksters 1 januari 2020 plus één jaar, dus 1 januari 2021 zijn. Op 1 januari 2021 zal verweerder in de visie van verweerder kunnen vaststellen of dan het voortschrijdend jaar-gemiddelde van maximaal 5 mg/Nmᶾ in acht is genomen en bij overschrijding daarvan zal dan de dwangsom worden verbeurd. De periode tot 1 januari 2020 zou dan volgens verzoeksters kunnen worden gebruikt zoals een begunstigingstermijn behoort te worden gebruikt: voor het op orde brengen van de bedrijfsprocessen zodat vanaf 1 januari 2020 aan de norm kan worden voldaan. Ook als verweerder op deze juiste wijze een begunstigings-termijn zou hebben gehanteerd, of het besluit daartoe zou worden gewijzigd, geldt dat het opleggen van een startdatum van 1 januari 2020 onjuist is. Ten eerste is het, gezien de hiervoor reeds aangehaalde op handen zijnde aanvraag voor de wijziging van de vergunning, juister aan te sluiten bij die verwachte wijziging en het moeten voldoen aan de thans nog geldende (aangescherpte) norm - als al geen sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van handhaving behoort te worden afgezien - te verbinden aan de datum waarop duidelijk is of de vergunning kan worden gewijzigd, aldus verzoeksters. Slechts indien dit niet het geval blijkt te zijn, is er volgens verzoeksters aanleiding daadwerkelijk vast te houden aan de huidige norm. De begunstigingstermijn had dan moeten worden verbonden aan een datum niet eerder dan 1 april 2020 plus één jaar voor de berekening van het voortschrijdend jaargemiddelde. Ten tweede geldt volgens verzoeksters dat dat de inzet van extra chemicaliën geen duurzame oplossing is voor het voldoen aan de norm. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat in het meest recente ‘Onderzoek Rookgasreiniging [inrichting] 2016’ d.d. 9 juni 2016 (bijlage 7) - is beoordeeld wat de voor- en nadelen van het reduceren van de zoutzuuremissie met de inzet van chemicaliën zijn. Een alternatieve wijze waarop de emissie zou kunnen worden beperkt bestaat volgens verzoeksters in een wijziging van de installatie in de vorm van het aanbrengen van een extra maalmolen. Omdat met de op handen zijnde wijziging van de vergunning voor het doen van deze investering geen noodzaak bestaat, is hiertoe nog niet besloten. Indien daartoe wel zou worden overgegaan, geldt volgens verzoeksters niettemin dat een extra maalmolen niet van de een opde andere dag kan worden gerealiseerd. De levertijd hiervoor bedraagt circa zes maanden, waarna deze alleen in de jaarlijkse onderhoudsstop kan worden gerealiseerd. Volgens verzoeksters vindt de eerstvolgende onderhoudsstop plaats in april 2020, derhalve ongeveer tegelijk met de beslissing omtrent de aanpassing van de vergunning en derhalve te vroeg voor het installeren van een extra maalmolen. Daaromtrent zal in volgens verzoeksters immers pas na een onverhoopte afwijzing van de aanvraag worden besloten. In de visie van verzoeksters kan van de [inrichting] niet worden verwacht dat zij voordien, ‘voor het geval dat’, deze investering ad ca. € 250.000,-- doet. Met de extra maalmolen zou dan vanaf de onderhoudsstop in 2021 op duurzame wijze aan de aangescherpte norm kunnen worden voldaan. Pas vanaf dat moment zal ook het voortschrijdend jaargemiddelde op maximaal
11.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb volgt dat in de last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een begunstigingstermijn opnemen. Gedurende deze termijn kan de overtreder de last uitvoeren, zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Volgens verweerder mag de begunstigingstermijn niet te kort, maar ook zeker niet te langzijn. Vaste jurisprudentie is dat bij het bepalen van de begunstigingstermijn het uitgangspunt geldt dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. In dit verband wijst verweerder erop dat de last onder dwangsom ziet op het beëindigen van de overtreding. De aard van het overtredenvoorschrift brengt in de visie van verweerder met zich dat de [inrichting] direct moet sturen op een lagere zoutzuuremissie. Dit houdt echter niet in dat er in het geheel geen sprake is van een begunstigingstermijn. Daarbij acht verweerder van belang dat dit in de praktijk inhoudt dat de [inrichting] vanaf het moment van in werkingtreding van de last onder dwangsom moet sturen op een zoutzuuremissie van circa 4,4 mg/Nmᶾ. De [inrichting] moet zich dus ten opzichte van de voorgeschreven jaargemiddelde emissiegrenswaarde extra inspannen om aan de lastgeving te kunnen voldoen, aldus verweerder. Deze extra inspanning is naar de mening van verweerder echter niet zo groot dat een langere begunstigingstermijn had moeten worden gesteld. In de visie van verweerder is de begunstigingstermijn zo gesteld dat de [inrichting] de last redelijkerwijs kan uitvoeren.Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de jaargemiddelde emissiewaarde een voortschrijdende emissiewaarde is. Dit houdt volgens verweerder in dat die kan worden berekend over elke jaarperiode. Wanneer de begunstigingstermijn één jaar na het in werkingtreden van de last onder dwangsom zou moeten eindigen, zou dit volgens verweerder inhouden dat de begunstigingstermijn op 11 juli 2020 had moeten worden gesteld, en niet (zoals de gemachtigde van verzoeksters stelt) op 1 januari 2021. In dit verband wijst verweerder erop dat de last immers op 10 juli 2019 is verstuurd en een dag erna in werking is getreden.Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat de begunstigingstermijn niet hoeft te worden gekoppeld aan de tijd die nodig is om de overtreding te legaliseren, zoals in het beroepschrift wordt gesuggereerd. Ook de bewering dat de begunstigingstermijn had moeten worden gesteld op 1 april 2021, omdat eerst duidelijkheid moet worden verkregen over het al dan niet vergunnen van de hogere zoutzuuremissie, snijdt in de visie van verweerder om die reden geen hout.Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het voor de naleving van de opgelegde last onder dwangsom het niet nodig is om wijzigingen aan te brengen in de installatie. Dit blijkt volgens verweerder uit de door verzoeksters bij het beroepschrift aangeleverde stukken. De enige handeling die de [inrichting] moet verrichten voor naleving van de last, is volgens verweerder het verlagen van de wenswaarde (setpoint), zodat wordt gestuurd op een lagere zoutzuuremissie. Dit is een handeling die de [inrichting] direct kan uitvoeren. Verder moet de [inrichting] in de visie van verweerder meer hulpstoffen aan laten voeren en die vervolgens toevoegen aan de rookgassen. Dat het toevoegen van natriumbicarbonaat wellicht gemakkelijker of efficiënter is met behulp van een extra maler, kan naar de mening van verweerder geen reden zijn voor het stellen van een langere begunstigingstermijn. Het verlengen van de begunstigingstermijn tot medio 2022, zoals in het beroepschrift wordt gesuggereerd, zou in de visie van verweerder inhouden dat tot die tijd een hogere zoutzuur-emissie zou worden gedoogd. In dit verband wijst verweerder erop dat de begunstigings-termijn niet langer mag zijn dan redelijkerwijs nodig is om aan de last te kunnen voldoen.Overigens is natriumbicarbonaat niet de enige hulpstof die wordt toegevoegd om de zoutzuuremissie te verlagen. Volgens verweerder voegt de [inrichting] sinds enige tijd ook de hulpstof TopCrete toe aan de rookgassen om de emissie van zure componenten (waaronder zoutzuur) te reduceren. Door één ton TopCrete toe te voegen aan de rookgassen, bespaart de [inrichting] in de visie van verweerder circa 1,1 ton natriumbicarbonaat. De REC is dus niet alleen afhankelijk van de toevoeging van natriumbicarbonaat. Door meer hulpstoffen toe te voegen aan de rookgassen kan de [inrichting] naar de mening van verweerder voldoen aan de last onder dwangsom.
11.3. Uit de toelichting van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb dient te worden afgeleid dat de termijn gedurende welke een last kan worden uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd door het bestuursorgaan zo kort mogelijk moet worden gesteld. De termijn moet wel lang genoeg zijn om de last te kunnen uitvoeren. Afhankelijk van de situatie zal de termijn kunnen variëren van enkele uren tot enkele weken of maanden (MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 163).

11.4. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2015: 2661, volgt dat aan verweerder enige vrijheid toekomt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn. Echter, volgens vaste jurisprudentie van de AbRvS geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.

11.5.1. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb, verplicht is om de overtreder een termijn te gunnen gedurende welke die de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. In dit verband stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder bij het bestreden besluit een begunstigingstermijn gesteld heeft van ruim vijf maanden om de overtreding op te heffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de door verweerder bepaalde begunstigingstermijn in dit geval niet onredelijk. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn in aanmerking heeft mogen nemen dat een aanpassing van de bedrijfsvoering binnen de inrichting om te kunnen voldoen aan de emissie-eis voor wat betreft zoutzuur en de daarmee samenhangende werkzaamheden tijd kosten. In hetgeen verzoeksters naar voren hebben gebracht, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de begunstigingstermijn te verlengen. Deze grond van verzoekster slaagt niet.

11.5.2. De voorzieningenrechter overweegt dat de verleende omgevingsvergunning en het daarvan deel uitmakende vergunningsvoorschrift 4.2.4 onherroepelijk zijn. Dit betekent dat in deze procedure van de juistheid van dit besluit dient te worden uitgegaan. Het feit dat verzoeksters thans stellen niet op voorhand te kunnen en willen investeren in een maalmolen, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet hoeven aanmerken als een bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeksters onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt en met specifiek daarop betrekking hebbende gegevens onderbouwd hebben dat haar financiële belangen in dit geval zodanig zwaar dienen te wegen dat handhavend optreden door verweerder in dit geval onevenredig is. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van het beroep:
- verklaart het beroep ongegrond.
ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2019.
De griffier De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.