Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:4218

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 11-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:4218, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/245497-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:4218:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/245497-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],wonende te [straatnaam], [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 april 2019 en 27 september 2019.Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Dayala, advocaat te Amsterdam.Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. van der Heide.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 mei 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans éénmaal, (met kracht) met een afgebroken antenne, althans met een (scherp) voorwerp, in de nek en/of het lichaam heeft gestoken en/of heeft geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 mei 2018 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen, althans éénmaal, (met kracht) met een afgebroken antenne, althans met een (scherp) voorwerp, in de nek en/of het lichaam te steken en/of te prikken en/of te krassen.

Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de foto van het letsel in het dossier kan niet worden opgemaakt dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op zware mishandeling. Nu slechts een schrammetje is ontstaan en de aangever heeft verklaard dat hij vuistslagen voelde in zijn nek (dus geen steken), kan niet gesteld worden dat de beweging die verdachte met de afgebroken antenne heeft gemaakt zo krachtig is geweest dat zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan. Voor een kwalificatie als poging tot zware mishandeling dan wel eenvoudige mishandeling, is noodzakelijk dat er sprake was van (voorwaardelijk) opzet. Dit blijkt niet uit het dossier. Ter zitting verklaarde verdachte dat hij de afgebroken antenne met het scherpe uiteinde naar voren heeft gehouden. Hierbij kunnen vraagtekens worden gezet, omdat aangever zegt dat hij vuistslagen voelde. Het is dan ook aannemelijk dat verdachte niet met de scherpe kant heeft gestoken. Verdachte verklaarde ter zitting ook dat hij aangever pijn toe wilde brengen. Wat hij echter ter zitting verklaarde, zegt niets over wat hij op 18 mei 2018 dacht. Uit de rapportages valt op te maken dat het complexer ligt.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.Deze opgave luidt als volgt:
Ten aanzien van het verweer dat niet kan worden bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, overweegt de rechtbank dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter zitting volgt dat verdachte zich al een dag eerder uit boosheid had voorgenomen om aangever aan te vallen en pijn te doen. Hij heeft reeds op dat moment de antenne van zijn radio afgebroken om deze te gebruiken tegen aangever, en is vervolgens gaan slapen. De volgende dag heeft verdachte de afgebroken antenne meegenomen uit zijn kamer, is op aangever afgelopen en heeft hem meermalen gestoken in diens nek. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij hierbij de scherpe kant van de afgebroken antenne naar voren heeft gehouden. Hij heeft de antenne dus bewust afgebroken en meegenomen om aangever ermee in de nek te steken.

Gelet op de plaats waar en de wijze waarop is gestoken, is de rechtbank van oordeel dat deze gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Algemeen bekend is dat het gebied van nek en hals zeer kwetsbaar is, gelet op de aanwezigheid van onder meer de halsslagader, zenuwen en het ruggenmerg. Letsel aan de nek kan tot ernstige en soms blijvende lichamelijke schade leiden. De rechtbank acht daarom de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 18 mei 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met kracht met een afgebroken antenne in de nek en het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 september 2019;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juni 2018, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018162243 d.d. 23 oktober 2018, inhoudend de verklaring van [getuige]3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor slachtoffer (met fotobijlage) d.d. 6 juli 2018, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer].
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het ten laste gelegde feit en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het feit verdachte niet kan worden toegerekend. Er is geen recent onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte verricht, waarbij is onderzocht in welke mate het feit hem kan worden toegerekend. Niettemin kan uit de rapportage van het PBC uit 2016 alsmede uit de verslagen van de Van Mesdagkliniek, die zich wel in het dossier bevinden, worden afgeleid dat dit feit verdachte niet, althans slechts in verminderde mate kan worden toegerekend. Dit is ook de reden dat de rechtbank Amsterdam de maatregel van TBS aan verdachte heeft opgelegd.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis d.d. 12 oktober 2016 soortgelijke feiten bewezenverklaard, maar geoordeeld dat deze feiten in het geheel niet aan verdachte konden worden toegerekend, en aan verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging opgelegd. Verdachte verblijft in het kader van deze TBS-maatregel ter behandeling in de Van Mesdagkliniek. Blijkens de rapportage van het PBC van 16 juli 2016 is bij verdachte sprake van een psychotische stoornis en van een duidelijke relatie tussen deze stoornis en agressie. Zonder medicatie raakt verdachte psychotisch ontregeld, verliest hij de grip op zijn handelen en wordt hij ook fysiek agressief. De bevindingen van dit onderzoek van het PBC zijn blijkens aanvullende rapportage van 12 oktober 2017 na een actualisatieonderzoek in feite bevestigd. Weliswaar kon dit actualisatieonderzoek niet volledig worden afgerond, maar de bevindingen tot het moment van afbreken van het onderzoek passen in het beeld dat werd beschreven in de rapportage uit 2016.
Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de wettelijke aantekeningen van de Van Mesdagkliniek over de periode van 3 april 2018 tot en met 15 januari 2019, in welke periode het bewezenverklaarde feit is gepleegd. Uit deze aantekeningen blijkt dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit niet medicatietrouw was en psychotisch ontregeld was. Voorts blijkt uit deze aantekeningen dat de incidenten in de kliniek voortkwamen uit deze psychotische ontregeling. Mede gezien het voornoemde vonnis van de rechtbank Amsterdam, de rapportage van het PBC uit 2016 en het voortijdig afgebroken actualisatieonderzoek uit 2017 acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit in een toestand van psychotische ontregeling verkeerde.

Daarom komt de rechtbank – met de officier van justitie en de raadsman - tot de conclusie dat het bewezenverklaarde feit aan verdachte niet kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Krijger, voorzitter, mr. K. Post en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 oktober 2019.