Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:4215

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 11-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:4215, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/850075-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:4215:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/850075-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,wonende te [woonadres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter zitting van 27 september 2019. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Koopmans , advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter zitting vertegenwoordigd door mr. R. van der Heide.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 19 maart 2019, in de gemeente Groningen, op de openbare weg, te weten het Kattendiep, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of een rugzak (met daarin onder meer een laptop en/of een portemonnee met inhoud), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gezet, en/of - die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Give me your wallet", en/of - die [slachtoffer 1] op dreigende toon heeft gezegd dat hij zijn telefoon en/of rugzak moest afgeven;
2. hij op of omstreeks 30 maart 2019, in de gemeente Groningen, op de openbare weg, te weten het Hereplein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, - zich heeft opgedrongen aan die [slachtoffer 2] , en/of - een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, althans een voorwerp, op/tegen/in de zij van die [slachtoffer 2] heeft gedrukt/geduwd, en/of - die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden heeft toegevoegd: "geef me het geld", en/of - die [slachtoffer 2] met een taser een schok heeft toegebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;3. hij in of omstreeks de periode van 19 maart 2019 tot en met 26 juni 2019, in de gemeente Groningen een wapen van categorie I, onder 7, te weten een (balletjes)pistool, zijnde (een) voorwerp(en) dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven dat alle drie feiten door verdachte zijn erkend en bewezen verklaard kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1., 2. en 3. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 september 2019.2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 maart 2019, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019069454 d.d. 25 juli 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 maart 2019, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2019, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] .5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2019, opgenomen op pagina 167 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 5] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. hij op 19 maart 2019, in de gemeente Groningen, op de openbare weg het Kattendiep, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en een rugzak, met daarin onder meer een laptop en een portemonnee met inhoud, toebehorende aan die [slachtoffer 1] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte - een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gezet, en - die [slachtoffer 1] meermalen, dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Give me your wallet", en- die [slachtoffer 1] op dreigende toon heeft gezegd dat hij zijn telefoon en rugzak moest afgeven.
2. hij op 30 maart 2019, in de gemeente Groningen, op de openbare weg, te weten het Hereplein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [slachtoffer 2] , - zich heeft opgedrongen aan die [slachtoffer 2] , en - een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de zij van die [slachtoffer 2] heeft gedrukt en - die [slachtoffer 2] meermalen dreigend de woorden heeft toegevoegd: "geef me het geld", en - die [slachtoffer 2] met een taser een schok heeft toegebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij in de periode van 19 maart 2019 tot en met 26 juni 2019, in de gemeente Groningen een wapen van categorie I, onder 7, te weten een pistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. Afpersing.2. Poging tot afpersing.3. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toepassing van het volwassenstrafrecht gevorderd en voorts gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de reclassering in haar rapport d.d. 15 augustus 2019 heeft geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Bij de raadkamerzitting destijds heeft de officier van justitie aangegeven zich hierin te kunnen vinden. Naar aanleiding van het reclasseringsrapport d.d. 24 september 2019, waarin het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen niet is gehandhaafd, is kennelijk ook het openbaar ministerie van inzicht veranderd, aldus de raadsvrouw. Nu verdachte net is gestart met een opleiding, hij bereid is tot het aanvaarden van sturing en toezicht en hij daarnaast zijn vaardigheden nog moet ontwikkelen, verzoekt de raadsvrouw om het jeugdstrafrecht toe te passen. Voorts heeft de raadsvrouw gepleit om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, indien die de duur van de voorlopige hechtenis zou overstijgen, een taakstraf op te leggen. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam d.d. 1 augustus 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:6587) en aangevoerd dat verdachte een first offender is, de feiten bekent en zich aan alle voorwaarden zal houden. Het gaat op dit moment goed met verdachte en de raadsvrouw verzoekt de rechtbank om hiermee rekening te houden.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter zitting en de rapportage van de reclassering, de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing en een poging tot afpersing in de binnenstad van Groningen, waarbij gedreigd is met een namaakwapen en in één geval ook gebruik is gemaakt van een taser. Het eerste slachtoffer heeft verdachte een telefoon en een rugzak met daarin een portemonnee met geld afhandig gemaakt. Bij zijn tweede slachtoffer bleef het bij een poging, omdat het slachtoffer weigerde zijn net gepinde geld af te geven. Verdachte heeft dit slachtoffer niet alleen bedreigd, maar ook een schok met een taser toegebracht. Afpersing is een ernstig feit. Afpersing met behulp van een niet van echt te onderscheiden pistool op de openbare weg tast het gevoel van veiligheid op straat ernstig aan, en dat van de slachtoffers in het bijzonder. Verdachte zegt in het verleden zelf slachtoffer van een straatroof te zijn geweest. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om zelf een straatroof te plegen.
De rechtbank heeft de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting tot uitgangspunt genomen, waarin per straatroof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden de basis is. Hieronder valt ook het beroven van een gebruiker van een geldautomaat. Het gebruik van een wapen geldt als strafvermeerderend, zodat de rechtbank uitgaat van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van circa acht maanden per feit. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte daadwerkelijk een taser heeft ingezet tegen een slachtoffer. Strafverzwarend acht de rechtbank ook dat in de Whatsapp-berichten duidelijk te lezen is dat verdachte zich uitsluitend liet leiden door financieel gewin zonder zich iets aan te trekken van de slachtoffers. Bij de strafmaat dient voorts te worden opgeteld dat verdachte schuldig is aan het bezit van het namaakpistool. De rechtbank houdt er rekening mee dat het tweede feit een poging betrof.

In het voordeel van verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Voorts houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd en de ontwikkelingsfase van verdachte. De reclassering heeft zich namelijk in haar rapport van 24 september 2019 afgevraagd of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast (ASR). In het leven van verdachte was sprake van een serie gebeurtenissen met grote impact, waardoor verdachte meer dan andere adolescenten de schaduwkanten van het leven heeft gezien. De reclassering ziet dus indicaties voor het jeugdstrafrecht, maar bij toepassing van het jeugdstrafrecht kan verdachte niet meer begeleid blijven wonen bij Exodus. Vanwege deze praktische reden adviseert de reclassering om toch het volwassenstrafrecht toe te passen. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat er thans geen bij het jeugdstrafrecht passend pedagogisch klimaat meer aanwezig is, nu geen ouders in beeld zijn en verdachte ook niet meer bij zijn grootouders woont. Ook de rechtbank ziet dus aanleiding om het volwassenstrafrecht toe te passen. Wel dient op grond van het reclasseringsadvies terdege rekening te worden gehouden met de jeugd en ontwikkelingsfase van de verdachte. Op de zitting heeft verdachte spijt betuigd. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn praktische verbeteringen zichtbaar op diverse leefgebieden. Het is aannemelijk dat het ingrijpen van justitie hem tot inkeer heeft gebracht; onder de huidige omstandigheden wordt het recidiverisico laag geacht.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is, waarbij rekening wordt gehouden met de jeugdige leeftijd door een aanzienlijk deel van die straf voorwaardelijk op te leggen. Het voorstel van de raadsvrouw om een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest en daarnaast een taakstraf, doet geen recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en voorts met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Deze voorwaarden houden in dat verdachte onder reclasseringstoezicht komt, dat hij ambulante behandeling aanvaardt, verblijft in een instelling voor beschermd wonen, geen middelen gebruikt en zich hierop laat controleren, en ten slotte dat hij meewerkt aan een opleiding en schuldhulpverlening.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen en zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht, onder ambulante behandeling zal stellen van De Waag of de AFPN, of een soortgelijke (forensisch) zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling, in overleg met de reclassering, voor hem heeft opgesteld. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling, indien voorgeschreven door de behandelend arts; 3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk acht, zal verblijven in Exodus Groningen of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling, in overleg met de reclassering, voor hem heeft opgesteld; 4. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van hard- en softdrugs en zich verplicht mee te werken aan middelencontrole, ook op het gebruik van alcohol, op de wijze door de reclassering te bepalen en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht; 5. dat de veroordeelde zijn mbo-entree opleiding bij Noorderpoort, of een soortgelijke instelling, zal voortzetten en niet voortijdig zal afbreken, behoudens toestemming van de reclassering;6. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen en de reclassering inzicht zal geven in zijn financiën en schulden;7. dat de veroordeelde niet zonder voorafgaande toestemming van de reclassering verandert van woon- of verblijfsadres.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Bunk, voorzitter, mr. K. Post en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 oktober 2019.