Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:4193

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:4193, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/257803-17


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:4193:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen

parketnummer 18/257803-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],wonende te [straatnaam], [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 september 2019.Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Veld, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1hij in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 13 december 2017 te Hoogeveen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [straatnaam]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 176, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 13 december 2017 te Hoogeveen stroom, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [energiemaatschappij], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de weg te nemen stroom onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het verbreken van de zegel.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (het standpunt van de verdediging), aangezien er op basis van de melding van Meld Misdaad Anoniem, de warmtemeting en de netmeting sprake was van een redelijk vermoeden dat zich in het bedrijfspand aan de [straatnaam] te Hoogeveen een hennepkwekerij bevond. De officier van justitie heeft erop gewezen dat daarmee is voldaan aan het criterium van artikel 9 Opiumwet. Nu het binnentreden door de politie rechtmatig was, kan van bewijsuitsluiting geen sprake zijn.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op het moment van binnentreden geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, waardoor het binnentreden van het bedrijfspand van verdachte niet rechtmatig is geweest. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij gesteld dat een enkele melding van Meld Misdaad Anoniem geen redelijk vermoeden van schuld oplevert. Ook uit de uitgevoerde warmtemeting en de netmeting blijkt onvoldoende dat sprake is geweest van een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van een hennepkwekerij als bedoeld in artikel 9 van de Opiumwet. De raadsvrouw heeft zich daarmee op het standpunt gesteld dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dat deze schending dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van al hetgeen als rechtstreeks gevolg van dit verzuim is verkregen. Wanneer de rechtbank niet tot bewijsuitsluiting overgaat, heeft de raadsvrouw verzocht om bij de eventuele strafoplegging rekening te houden met dit verzuim. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.Op 23 november 2017 heeft de politie een melding gekregen via Meld Misdaad Anoniem, waarin wordt gemeld dat zich een hennepkwekerij bevindt in het bedrijfspand van [bedrijf], gelegen aan de [straatnaam] te Hoogeveen. Vervolgens heeft er op verzoek van de politie een netmeting plaatsgevonden waarbij een belasting is waargenomen die kenmerkend is voor de aanwezigheid van hennepplantages. Uit de op 10 december 2017 uitgevoerde warmtemeting blijkt daarnaast dat opvallend veel warmte werd waargenomen bij delen van het hiervoor genoemde bedrijfspand. Vervolgens zijn verbalisanten op 13 december 2017 het bedrijfspand binnengetreden.De gedetailleerde melding van Meld Misdaad Anoniem, de netmeting en de warmtemeting zijn in hun onderlinge samenhang bezien voldoende om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in het bedrijfspand gelegen aan de [straatnaam] in Hoogeveen op het moment van binnentreden op 13 december 2017. Er is daarom geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal geen bewijsuitsluiting toepassen en ziet ook geen aanleiding voor strafvermindering.
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.Deze opgave luidt als volgt:
Ter zitting is de tenlastelegging gewijzigd in die zin dat de periode van het onder 1 ten laste gelegde is gewijzigd in "1 november 2017 tot en met 13 december 2017". De vordering wijziging tenlastelegging van de officier van justitie heeft echter geen betrekking gehad op het onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit zeer nauw verband houdt met het onder 1 ten laste gelegde, aangezien de diefstal van stroom ten behoeve van het onder 1 ten laste gelegde heeft plaatsgevonden. De rechtbank zal daarom ook de onder 2 bewezen verklaarde periode beperken tot de periode van 1 november 2017 tot en met 13 december 2017.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 september 2019 inhoudende (zakelijk weergegeven) dat hij de beide tenlastegelegde feiten bekent;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 13 december 2017, opgenomen op pagina 54 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017309702 d.d. 31 mei 2018, inhoudend de relatering van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2];3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal bevindingen d.d. 18 december 2017, opgenomen op pagina 94 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de relatering van verbalisant [verbalisant 3];4. een schriftelijk bescheid, te weten de aangifte van [naam] (namens [energiemaatschappij]) d.d. 18 mei 2018, opgenomen op pagina 97 e.v. van voornoemd dossier.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1hij in de periode van 1 november 2017 tot en met 13 december 2017 te Hoogeveen opzettelijk heeft geteeld en bewerkt en verwerkt in een pand aan [straatnaam] een hoeveelheid van 176 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2hij in de periode van 1 november 2017 tot en met 13 december 2017 te Hoogeveen stroom die aan een ander toebehoorde, te weten aan [energiemaatschappij], heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte de weg te nemen stroom onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het verbreken van de zegel.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;2. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en 2 wordt veroordeeld tot 100 uren taakstraf.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft zij verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de op te leggen straf te matigen, dan wel gedeeltelijk voorwaardelijk op te leggen.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep. Dit is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Het is een feit van algemene bekendheid dat gebruik van de uit hennepplanten verkregen stof de gezondheid van gebruikers kan schaden. Bovendien gaat de kweek van hennep vaak - direct of indirect - gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Verdachte wilde met de opbrengst van de hennepkwekerij zijn financiële problemen oplossen. Door aldus te handelen heeft hij zijn eigen financiële gewin boven de belangen gesteld die door strafbaarstelling van hennepteelt worden gediend. Om de hennepkwekerij mogelijk te maken heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van stroom door de stroomvoorziening op illegale wijze af te tappen. Hiermee heeft hij niet alleen inbreuk gemaakt op het eigendom van een ander, maar heeft hij ook een (brand)gevaarlijke situatie gecreëerd, zo blijkt uit bevindingen van de [energiemaatschappij].De rechtbank rekent verdachte deze feiten zeer aan.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS.

Evenals de officier van justitie bij haar strafeis, heeft de rechtbank bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat er sprake is van een relatief lang tijdsverloop tussen de pleegdatum en de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke werkstraf van 100 uren passend en geboden is.

Benadeelde partij
[energiemaatschappij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.077,87 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu ter zitting is gebleken dat verdachte de vordering inmiddels heeft voldaan.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte het schadebedrag middels een betalingsregeling in zijn geheel heeft terugbetaald, waardoor de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
Oordeel van de rechtbank

Uit de door de raadsvrouw ter zitting overhandigde bewijsstukken blijkt dat verdachte de ingediende vordering reeds heeft voldaan. De benadeelde partij heeft daarmee geen belang meer bij behandeling van de vordering. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van 18/257803-17, feit 2:Bepaalt dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 oktober 2019.