Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:4166

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 07-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:4166, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/830060-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:4166:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/830060-19

ter berechting gevoegde parketnummers 18/027793-19 en 18/039759-19ad informandum gevoegde parketnummers 18/037374-18 en 18/026442-19
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren in 1989 te [geboorteplaats],thans gedetineerd te JC Zaanstad te Westzaan.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 september 2019.Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. W.G. ten Have, advocaat te Winschoten, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
- met een stok, althans een hard voorwerp, te slaan, althans met een stok, althans een hard voorwerp, een of meermalen slaande bewegingen naar, althans in de richting van, die [slachtoffer 1] te maken, en/of - met een scherp en/of puntig voorwerp in de wang, althans het gezicht, en/of het lichaam te steken en/of te snijden, althans te raken;
- met een stok, althans een hard voorwerp, heeft geslagen, althans met een stok, althans een hard voorwerp, een of meermalen slaande bewegingen naar, althans in de richting van, die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, en/of - met een scherp en/of puntig voorwerp in de wang, althans het gezicht, en/of het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- met een stok, althans een hard voorwerp, te slaan, althans met een stok, althans een hard voorwerp, een of meermalen slaande bewegingen naar, althans in de richting van, die [slachtoffer 1] te maken, en/of - met een scherp en/of puntig voorwerp in de wang, althans het gezicht, en/of het lichaam te steken en/of te snijden, althans te raken; terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten ontsierend(e) litteken, althans verwonding, ten gevolge heeft gehad;
2. ( gevoegd parketnr. 18/027793-19)
3. ( gevoegd parketnr. 18/039759-19)
4. ( gevoegd parketnr. 18/039759-19)
1.

primair

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Groningen aan [slachtoffer 1] opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten ontsierend(e) litteken, althans verwonding, heeft toegebracht door, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (voorzien van een stok/hard voorwerp en/of een scherp/puntig voorwerp) die [slachtoffer 1] op te wachten en/of (vervolgens)
subsidiair

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (zich had voorzien van een stok/hard voorwerp en/of een scherp/puntig voorwerp) die [slachtoffer 1] heeft opgewacht en/of (vervolgens)
meer subsidiair

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Groningen, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (voorzien van een stok/hard voorwerp en/of een scherp/puntig voorwerp) die [slachtoffer 1] op te wachten en/of (vervolgens)
primair

hij op of omstreeks 2 februari 2019, te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2], gedurende diens publieke taak als toezichthouder/beveiliger [bedrijf 1], (in stationshal hoofdstation) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door die [slachtoffer 2] met een of meer vingers in (linker)oog te drukken en/of te prikken, en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of meermalen, althans eenmaal, op het voorhoofd te krabben en/of te klauwen en/of meermalen, althans eenmaal, in de arm te bijten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair

hij op of omstreeks 2 februari 2019, te Groningen, [slachtoffer 2], gedurende diens publieke taak als toezichthouder/beveiliger [bedrijf 1], (in stationshal hoofdstation) heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een of meer vingers in (linker)oog te drukken en/of te prikken, en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of meermalen, althans eenmaal, op het voorhoofd te krabben en/of te klauwen en/of meermalen, althans eenmaal, in de arm te bijten;
primair

hij op of omstreeks 17 februari 2019, te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2], gedurende diens publieke taak als toezichthouder/beveiliger [bedrijf 1], (nabij hoofdstation/stationsplein) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door meermalen, althans eenmaal met een pen, althans met een scherp en/of puntig voorwerp stekende/prikkende bewegingen naar, althans in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] te maken, waarbij die [slachtoffer 2] in de borst, althans in het bovenlichaam, is gestoken/geprikt, althans geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair

hij op of omstreeks 17 februari 2019 te Groningen [slachtoffer 2], gedurende diens publieke taak als toezichthouder/beveiliger [bedrijf 1], (nabij hoofdstation/stationsplein) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal met een pen, althans met een scherp en/of puntig voorwerp stekende/ prikkende bewegingen naar, althans in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] te maken, althans feitelijkheden van gelijke dreigende aard of strekking;
hij op of omstreeks 17 februari 2019 te Groningen [slachtoffer 3] gedurende diens publieke taak als toezichthouder/beveiliger namens [bedrijf 2], (nabij hoofdstation/ stationsplein) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, althans eenmaal met een pen, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, stekende/prikkende bewegingen naar, althans in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 3] te maken, althans feitelijkheden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1 meer subsidiair,
Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het slaan met een stok. Ook kan op grond van de in het dossier aanwezige camerabeelden niet worden bewezen dat sprake is van voorbedachte raad. Verdachte heeft bekend dat hij de wang van aangever heeft beschadigd met het in beslag genomen staafje, waar scherpe randen aan zitten. Aangever heeft hier letsel aan overgehouden. Of dit een blijvend ontsierend litteken heeft opgeleverd, wat nodig is om tot zware mishandeling te komen, is op grond van het dossier niet te bewijzen. Een poging tot zware mishandeling, zo heeft de officier van justitie gesteld, is dan ook een stap te ver. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat met name door het prikken met de vingers in een oog zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan. Verdachte heeft op zijn minst dat risico op de koop toe genomen.Feit 3 levert volgens de officier van justitie een poging tot zware mishandeling op omdat verdachte met een scherp, puntig voorwerp naar het gezicht van aangever [slachtoffer 2] heeft uitgehaald. Verdachte had hierbij de ogen of hals van aangever kunnen raken of er had een ontsierend litteken kunnen ontstaan. Verdachte heeft dat risico op de koop toe genomen.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1 primair en subsidiair, 2 primair, 3 primair en 4. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman het standpunt van de officier van justitie gevolgd. De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat de ten laste gelegde en te bewijzen handelingen slechts een eenvoudige mishandeling opleveren, omdat niet is komen vast te staan hoe hard verdachte met de vingers in het oog van aangever heeft gestoken.Met betrekking tot feit 3 heeft verdachte verklaard dat hij aangever bang wilde maken. Verdachte heeft aangever één keer met een pen in de borst gestoken, maar de vraag is of je daarmee werkelijk schade kunt toebrengen. Niet is komen vast te staan met hoeveel kracht het steken is gebeurd en het steken was niet gericht op een kwetsbare plek van het lichaam. Bovendien dragen beveiligers vrij dikke jassen.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
ten aanzien van feit 1

d.d. 11 april 2019, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019090136 d.d. 12 april 2019 (hierna: dossier I), inhoudende als verklaring van verdachte:Ik heb de jongen verwond met een metalen voorwerp. Ik heb hem op zijn wang gekrast.
Plaats: Groningen.Datum: 11 april 2019. Beslagene: [verdachte].Object: Metaal.Bijzonderheden: geribbeld, metalen staafje.
ten aanzien van feit 2

d.d. 3 februari 2019, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019028941 d.d. 20 februari 2019 (hierna: dossier II), inhoudende als verklaring van verdachte:Ik was gisteren (de rechtbank begrijpt: 2 februari 2019) op het hoofdstation Groningen. Ik heb hem (de rechtbank begrijpt: aangever) gebeten. En toen heb ik mijn vinger in zijn oog gedaan om hem weg te duwen.
ten aanzien van feiten 3 en 4

d.d. 17 februari 2019, opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019045373 d.d. 21 februari 2019 (hierna: dossier III), inhoudende als verklaring van verdachte:Ik was in het station. Die twee mannen hebben mij wakker gemaakt en zij zeiden tegen mij: "Jij moet hier weg". Ik heb een pen gepakt en ik wilde met die pen hun bang maken. Ik denk dat ik met die pen hun één keer heb aangeraakt. Ik heb stekende bewegingen gemaakt.(Opmerking verbalisant: verdachte laat het zien. Hij heeft een gebalde vuist en heft die boven zijn hoofd en maakt daarmee stekende bewegingen naar voren, van boven naar beneden.)Ik had die pen in mijn rechterhand en ik maakte stekende bewegingen naar die beveiliger toe. Naar allebei, maar naar eentje meer. In de richting van de borsten en de buik.Vraag verbalisant: De beveiliger verklaart dat hij werd geraakt in zijn borst. Wat kun jij daarover vertellen?Antwoord verdachte: Ja, het zou kunnen.
[slachtoffer 2]:Op 17 februari 2019 was ik aan het werk op het NS hoofdstation te Groningen. Ik was in de functie als beveiliger en tevens als toezichthouder aangesteld door [bedrijf 1], met als taak het bewaren van de orde en veiligheid op het NS station. Ik zag een persoon op een bankje in de stationshal slapen. Ik heb de man wakker gemaakt. Ik heb hem toen gevraagd of hij het station wilde verlaten. Ik stond met een collega van de NS buiten voor het station. De man pakte met zijn rechterhand iets uit zijn jaszak. Hij had een blauw voorwerp in zijn rechterhand. Hij heeft meerdere keren geprobeerd mij en mijn collega met het voorwerp te steken. Tijdens het onder controle brengen stak hij mij met het voorwerp op mijn borst. Pas later kwam ik erachter dat het voorwerp waarmee de man mij probeerde te steken, een blauwe pen betrof.
[slachtoffer 3]:Op 17 februari 2019 was ik aan het werk als beveiliger in opdracht van de [bedrijf 2]. Ik had als taakgebied het NS hoofdstation te Groningen. Ik liep samen met mijn collega, [slachtoffer 2]. Wij troffen in de centrale hal een bekende overlastpleger aan. De man was aan het slapen op een bankje. Wij hebben de man wakker gemaakt en hem gevraagd naar zijn geldig vervoersbewijs. Deze kon/wilde de man ons niet tonen. Hierop hebben wij de man gevraagd om de centrale hal te verlaten. Ik zag dat de man uit de borstzak van zijn jas een blauw voorwerp haalde. Ik moest gelijk denken aan een steekvoorwerp. De man hield het voorwerp stevig in zijn rechterhand vast. Hij maakte eerst stekende bewegingen in de richting van mijn collega. De steekbewegingen gingen van boven naar beneden richting het lichaam van mijn collega. Hierna kwam de man ook op mij af met het voorwerp. De man maakte stekende bewegingen in de richting van mijn lichaam. De steekbewegingen gingen van boven naar beneden. Ik had echt het idee dat de man mij of mijn collega neer wilde steken. Na het incident kwam ik er pas achter dat het voorwerp een pen betrof. Dit alles gebeurde bovenop de ondergrondse fietsenstalling van het NS hoofdstation te Groningen.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Met betrekking tot feit 1 acht de rechtbank zware mishandeling niet bewezen. Er is geen andere informatie over de verwonding van aangever beschikbaar dan de kort na het feit gemaakte foto's in het dossier van de nog bloedende snee op zijn wang. Een medische verklaring ontbreekt. Of sprake is van een blijvend ontsierend litteken dat als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd zou kunnen worden is niet gebleken. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Het onder verdachte in beslag genomen metalen staafje betreft een hard en scherp en/of puntig voorwerp. Door hiermee uit te halen naar het gezicht van aangever [slachtoffer 1], heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel het gevolg had kunnen zijn. Verdachte heeft [slachtoffer 1] in zijn wang geraakt, maar had, met dezelfde beweging richting het gezicht, verdachte ook in zijn oog kunnen raken of een blijvend ontsierend litteken kunnen toebrengen. Met betrekking tot feit 2 is de rechtbank van oordeel dat verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling moet worden vrijgesproken Niet bewezen kan worden dat de opzet van verdachte was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank stelt vast dat er geen letsel is ontstaan. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte met kracht zijn vingers in het oog van [slachtoffer 2] heeft gestoken en daarmee zoveel geweld heeft uitgeoefend dat (voorwaardelijk) opzet op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel kan worden aangenomen De rechtbank acht eenvoudige mishandeling wel bewezen. Tot slot acht de rechtbank op grond van de in dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, zoals onder 3 subsidiair en 4 ten laste gelegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt naar beide aangevers. Verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte richting het hoofd van [slachtoffer 2] heeft gestoken, zoals [slachtoffer 2] heeft verklaard. Verdachte ontkent dit en het wordt niet bevestigd door getuige [slachtoffer 3]. Verdachte heeft met een kapotte pen, van boven naar beneden gaande bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van [slachtoffer 2] en hij heeft [slachtoffer 2] daarbij één keer ter hoogte van de borst geraakt. Uit de zich in het dossier bevindende foto's blijkt dat het gaat om een pen waarvan alleen het plastic omhulsel over is. De rechtbank acht een dergelijk voorwerp niet geschikt om zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken. Dat [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel op had kunnen lopen, acht de rechtbank daarom onaannemelijk.
Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.

hij op 11 april 2019 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een scherp en/of puntig voorwerp in de wang heeft gestoken of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

hij op 2 februari 2019 te Groningen [slachtoffer 2], gedurende diens publieke taak als toezichthouder/beveiliger [bedrijf 1], (in stationshal hoofdstation) heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met vingers in het linkeroog te drukken en tegen het lichaam te slaan en op het voorhoofd te krabben en in de arm te bijten;
hij op 17 februari 2019 te Groningen [slachtoffer 2], gedurende diens publieke taak als toezichthouder/beveiliger [bedrijf 1], (nabij hoofdstation/stationsplein) heeft bedreigd met zware mishandeling door meermalen met een puntig voorwerp stekende bewegingen naar die [slachtoffer 2] te maken;
4.

hij op 17 februari 2019 te Groningen [slachtoffer 3], gedurende diens publieke taak als toezichthouder/beveiliger namens [bedrijf 2], (nabij hoofdstation/ stationsplein) heeft bedreigd met zware mishandeling door meermalen met een puntig voorwerp stekende bewegingen naar die [slachtoffer 3] te maken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

2 primair, 3 primair en 4 wettig en overtuigend bewezen zijn.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 april 2019, opgenomen op pagina 3 e.v. van dossier I, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:Op 11 april 2019 was ik in Groningen. Ik zag dat de verdachte met kracht met zijn linkerhand een slaande beweging maakte richting mijn gezicht. Ik voelde een soort brandend gevoel op mijn rechterwang. Ik heb van de klap een snee op mijn rechterwang overgehouden.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 10 van dossier I, voor zover inhoudende:
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari 2019 met bijlagen (foto's), opgenomen op pagina 3 e.v. van dossier II, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:Op 2 januari (de rechtbank leest: februari) 2019 was ik aan het werk als beveiliger op het NS hoofdstation te Groningen. Ik was tevens als toezichthouder aangesteld door [bedrijf 1] met als taak het bewaren van de orde rust en veiligheid op het NS station. Tijdens mijn ronde kwam ik in de centrale hal van het NS station. Ik voelde dat de man (de rechtbank begrijpt: verdachte) met twee vingers in mijn linkeroog drukte. Op dat moment voelde ik pijn. Ik merkte pas later dat de man mij ook op mijn voorhoofd heeft gekrabd. Op een gegeven moment voelde ik een pijnscheut in mijn onderarm en merkte ik dat ik gebeten werd door de man. Ik heb door deze beet twee afdrukken in mijn rechter onderarm. Het bijten door de man deed mij pijn.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 februari 2019, opgenomen op pagina 4 e.v. van dossier III, inhoudende als verklaring van
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 februari 2019, opgenomen op pagina 7 e.v. van dossier III, inhoudende als verklaring van
2.
3.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. poging tot zware mishandeling;2. mishandeling;3. bedreiging met zware mishandeling;4. bedreiging met zware mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 meer subsidiair, 2 primair, 3 primair en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van vijf maanden past bij de door hem bepleite bewezenverklaring.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, te weten twee keer het plegen van lokaalvredebreuk, die hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft na een discussie op straat getracht aangever [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een metalen staafje in zijn gezicht te steken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van beveiligers op het station in Groningen. Hij heeft daarbij stekende bewegingen gemaakt met een voorwerp en daarmee gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de aangevers, die werkzaam waren in een openbare ruimte in het kader van een publieke taak. Uit het reclasseringsrapport van 9 augustus 2019 komt naar voren dat verdachte op nagenoeg alle leefgebieden delictgerelateerde problemen heeft. Enkele jaren geleden is hij huisvesting, inkomen en dagbesteding kwijtgeraakt en hij heeft geen steunend netwerk waarop hij terug kan vallen. Er zijn zorgen over zijn psychosociaal functioneren. De reclassering schat in dat verdachte begeleiding en wellicht ook behandeling nodig zal hebben om zijn leven vorm te gaan geven, maar om een plan van aanpak te kunnen opstellen heeft de reclassering meer informatie nodig. Deze informatie zou kunnen komen uit een psychiatrisch onderzoek. Een dergelijk onderzoek is volgens het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) geïndiceerd. Verdachte heeft echter geweigerd in het kader van een consult in gesprek te gaan met een psycholoog, zodat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden.Op basis van de informatie in het dossier en de van zijn raadsman verkregen informatie kan er bovendien van worden uitgegaan dat verdachte niet mee zal werken aan gedragsinterventies en toezicht door de reclassering. Gelet hierop en op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, acht de rechtbank alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend en geboden.
Benadeelde partij
[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat een bedrag van € 250,- kan worden toegewezen, verhoogd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [slachtoffer 3] moet voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard. Hoewel het feit geen grond oplevert voor schadevergoeding, acht de officier van justitie het redelijk en billijk om een bedrag toe te wijzen. [slachtoffer 3] is tijdens zijn werk met de nodige agressie bejegend en heeft daar last van ondervonden.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gesteld dat [slachtoffer 3] op grond van de bepleite vrijspraak niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat niet-ontvankelijkheid moet volgen, omdat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de door [slachtoffer 3] gestelde schade. [slachtoffer 3] heeft blijkbaar eerder met dit soort feiten te maken gehad en de opeenstapeling daarvan heeft geleid tot zijn vordering.
Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Dat er sprake is van ernstige psychische schade is door de benadeelde partij niet onderbouwd. De rechtbank beschikt daarom over onvoldoende informatie om de vordering te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Inbeslaggenomen goederen
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen metalen staafje en blauwe pen worden onttrokken aan het verkeer en dat de witte pen wordt teruggegeven aan verdachte.De raadsman heeft ter terechtzitting van 23 september 2019 namens verdachte afstand gedaan van alle onder verdachte in beslag genomen voorwerpen. Daarmee is het beslag opgeheven en hoeft de rechtbank geen oordeel meer te geven met betrekking tot dit punt.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 57, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 3 november 2019.

ten aanzien van feit 4

Bepaalt dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en mr. R.R. van der Heide, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 oktober 2019.