Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:3879

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 13-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:3879, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/033962-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:3879:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/033962-19ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/730065-19
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 september 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

Cornelis [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 augustus 2019. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Bakx, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.H.G. Scharenborg.

Tenlastelegging
Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/033962-19, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:1.hij in of omstreeks de periode van 2 september 2018 tot en met 6 februari 2019 te Gorredijk, gemeente Opsterland, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door telkens veelvuldig
2.hij op of omstreeks 30 januari 2019 te Gorredijk, gemeente Opsterland [slachtoffer] heeft mishandeld door die met kracht meermalen, althans eenmaal,
hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2019 tot en met 12 mei 2019 te Gorredijk, gemeente Opsterland, althans in Nederland (telkens) opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing (met kaart met daarin aangegeven het voor hem, verdachte, verboden gebied) d.d. 11 februari 2019 gegeven door de officier van justitie te Noord-Nederland (behorende bij parketnummer 18/033962-19) kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich

- berichten te sturen via (tele)communicatiemiddelen (sms en/of WhatsApp) naar die [slachtoffer] ,- berichten te sturen via (tele)communicatiemiddelen (sms en/of WhatsApp) naar de moeder/ouder(s) van die [slachtoffer] ,- poststukken/brieven af te (laten) leveren op/versturen naar het adres van die [slachtoffer] ,- langs de woning te lopen, fietsen en/of rijden en/of te staan voor de woning van die [slachtoffer] ,- het perceel van die [slachtoffer] te betreden en (vervolgens) goederen te verplaatsen, en/of- die [slachtoffer] te volgen en/of aan te spreken;met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
- te slaan/stompen op het (achter)hoofd, althans het (boven)lichaam,- bij de nek/keel vast te pakken (met een wurggreep/nekklem) en (vervolgens) een afknellende/knijpende beweging te (blijven) maken, en/of- op te tillen en (vervolgens) te laten vallen op de grond;en aan hem is in de zaak met parketnummer 18/730065-19 ten laste gelegde dat:
- niet mag bevinden binnen een straal van 40 meter van de woning van [slachtoffer] aan de [straatnaam] te Gorredijk en/of- moet onthouden van direct en/of indirect contact met [slachtoffer] en/of de ouders van [slachtoffer] ,onder meer door zich (telkens) meermalen, althans eenmaal, te bevinden binnen het voor hem verboden gebied en/of op verschillende manieren direct en/of indirect contact te hebben, houden en/of zoeken met [slachtoffer] en/of de ouders van [slachtoffer] .
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 1. en 2. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730065-19 ten laste gelegde. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 1. ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft belaagd in de periode van 2 september 2018 tot en met 30 januari 2019. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Verdachte is in deze periode contact blijven zoeken met aangeefster, terwijl zij dat niet wilde. Het gaat niet alleen om het aantal berichten dat verdachte aangeefster heeft gestuurd maar ook om de inhoud van die berichten en de intensiteit daarvan daarom. Verdachte heeft op den duur op steeds extremere manieren contact met aangeefster gezocht, onder meer door het sturen van een naaktfoto van aangeefster. Ten aanzien van de door de raadsvrouw overgelegde e-mailberichten heeft de officier van justitie opgemerkt dat deze betrekking hebben op een beperkte periode van ongeveer drie weken, terwijl de ten laste gelegde periode ruim vijf maanden betreft, en dat de omstandigheid dat aangeefster een aantal keren heeft gereageerd op de berichten van verdachte niet maakt dat geen sprake is van belaging.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 1. ten laste gelegde belaging, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De raadsvrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte en aangeefster hadden in de ten laste gelegde periode moeite met het verlies van hun relatie en het verminderde contact. Het initiatief voor het opnemen van contact ging in die periode zowel van verdachte als van aangeefster uit. Als het initiatief bij verdachte lag, beantwoordde aangeefster dit. Dit blijkt onder meer uit de schermafdrukken van de WhatsApp-berichten uit de periode van 12 november 2018 tot en met 29 november 2018 en uit de overgelegde e-mailberichten uit de periode van 5 december 2018 tot en met 23 januari 2019. Hieruit volgt volgens de raadsvrouw dat sprake was van wederkerig contact, dat het contact niet tegen de wil van aangeefster heeft plaatsgevonden en dat dus geen sprake was van belaging.Ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 2. ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte heeft ontkend dat hij aangeefster heeft geslagen en gestompt, haar bij de keel heeft gepakt en haar heeft opgetild en heeft laten vallen, en dat verdachte van deze handelingen moet worden vrijgesproken. Voorts heeft zij opgemerkt dat verdachte heeft erkend dat hij aangeefster een corrigerende tik heeft gegeven.Ten aanzien van het in de zaak met 18/730065-19 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw opgemerkt dat dit feit door verdachte wordt erkend.
Oordeel van de rechtbank over de in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 1. ten laste gelegde belaging

In de zaak met parketnummer 18/033962-19 is onder 1. - kort gezegd - aan verdachte ten laste gelegd dat hij aangeefster in de periode van 2 september 2018 tot en met 6 februari 2019 heeft belaagd door haar en haar ouders sms- en WhatsApp-berichten te sturen, door brieven af te (laten) leveren op of te versturen naar het adres van aangeefster, door langs aangeefsters woning te lopen, fietsen of rijden en voor die woning te staan, door het perceel van aangeefster te betreden en daar goederen te verplaatsen en door aangeefster te volgen en aan te spreken.
In artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is als belaging strafbaar gesteld het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen.

Bij de beoordeling of sprake is van een dergelijke belaging zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze gedragingen hebben plaatsgevonden en de invloed van deze gedragingen op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank stelt op grond van het dossier, waaronder de stukken die de rechtbank kort voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting van de raadsvrouw van verdachte heeft ontvangen, en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte en aangeefster zijn vele jaren bevriend geweest. In de loop van 2017 hebben zij een (liefdes)relatie gekregen.

Rond 2 september 2018 - de eerste dag van de ten laste gelegde periode - heeft zich een incident voorgedaan. Aangeefster had - met medeweten van verdachte - een date met een andere man. Tijdens deze date is verdachte naar aangeefsters woning gegaan, heeft hij door de ramen naar binnen gekeken en is er een confrontatie geweest tussen verdachte en aangeefster. De volgende dag heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verdachte, aangeefster en aangeefsters moeder. Aangeefster heeft tegen verdachte gezegd dat zij de relatie wilde verbreken, maar de vriendschap in stand wilde houden. In de maanden daarna hebben verdachte en aangeefster goed contact met elkaar gehad en zijn zij veel bij elkaar geweest.

In november 2018 heeft aangeefster in een brief en meerdere WhatsApp-berichten tegen verdachte gezegd dat zij hem minder vaak wilde zien en dat zij tijd voor zichzelf nodig had. Zij reageerde in die periode wel op de WhatsApp-berichten die verdachte haar stuurde, de toon van haar berichten was (over het algemeen) vriendelijk en zij heeft niet aangegeven dat ze geen berichten van hem wenste te ontvangen. Eind november 2018 heeft aangeefster verdachte op WhatsApp geblokkeerd. Korte tijd later heeft ze hem weer gedeblokkeerd.

In de periode van eind november 2018 tot en met begin februari 2019 heeft verdachte aangeefster enkele brieven gestuurd, gebracht of laten brengen en heeft hij meerdere malen voorwerpen verplaatst op het terras voor aangeefsters woning.

In de periode van 5 december 2018 tot en met 23 januari 2019 hebben verdachte en aangeefster elkaar een groot aantal e-mailberichten gestuurd. Het initiatief voor dit e-mailcontact ging voor een deel uit van aangeefster. In de e-mailberichten vraagt aangeefster enkele keren of verdachte thuis is en geeft zij enkele keren aan dat ze bij hem langs zal komen. In de e-mailberichten die in het dossier zitten, heeft aangeefster niet aangegeven dat zij geen berichten meer van verdachte wilde ontvangen.

Op 30 januari 2019 heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster, waarbij verdachte aangeefster heeft mishandeld. Aangeefster heeft op 6 februari 2019 - de laatste dag van de ten laste gelegde belagingsperiode - aangifte gedaan van deze mishandeling en van belaging. De mishandeling is in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 2. ten laste gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken het beeld naar voren komt van twee mensen die moeite hadden met het verbreken van hun liefdesrelatie. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte en aangeefster vanaf begin september 2018 tot eind januari 2019 niet goed meer met elkaar samen konden leven, maar dat zij in die periode ook niet (volledig) zonder elkaar konden. Uit het dossier blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde belagingsperiode veelvuldig contact met aangeefster heeft gezocht, maar daaruit blijkt ook dat aangeefster daar vaak op heeft gereageerd en dat zij in die periode zelf ook meerdere keren contact met verdachte heeft gezocht en bij hem langs is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft aangeefster verdachte in deze periode tegenstrijdige signalen gegeven.

Verdachte heeft verklaard dat het voor hem op 30 januari 2019 voor het eerst duidelijk was dat aangeefster geen contact meer met hem wilde. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat aangeefster verdachte al vóór die datum duidelijk te kennen heeft gegeven dat zij hem niet meer wilde zien, dat zij geen berichten meer van hem wilde ontvangen en/of dat zij het contact met hem definitief wilde verbreken. Zij heeft verdachte zelfs meerdere keren te kennen gegeven dat ze hun vriendschap in stand wilde houden.

Ten aanzien van het in de tenlastelegging vermelde langs de woning van aangeefster lopen, fietsen en rijden, overweegt de rechtbank voorts dat aangeefster in het centrum van Gorredijk woont en dat de route van de woning van verdachte naar een deel van het centrum van Gorredijk langs de woning van aangeefster loopt. Daarom kan uit de omstandigheid dat verdachte de woning van aangeefster in de ten laste gelegde periode vaak heeft gepasseerd en dat zij elkaar op straat vaak tegenkwamen, zoals aangeefster heeft verklaard, niet worden afgeleid dat verdachte dit deed om contact met aangeefster te zoeken of om zijn aanwezigheid aan haar op te dringen.

In de periode van één week van 30 januari 2019 tot het einde van de ten laste gelegde belagingsperiode heeft verdachte aangeefster één brief doen toekomen. Ook heeft hij in die periode enkele keren voorwerpen verplaatst op het terras voor aangeefsters woning. Verder is er in die periode geen contact geweest tussen verdachte en het slachtoffer, althans dit is de rechtbank niet gebleken. Mede gelet op het contact met wederzijds goedvinden dat verdachte en aangeefster in de daarvoor gelegen periode met elkaar hebben gehad, kunnen deze gedragingen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een wederrechtelijke stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Uit het dossier in de zaak met parketnummer 18/730065-19 blijkt dat verdachte in de periode vanaf 20 maart 2019 meerdere e-mailberichten berichten aan aangeefster heeft gestuurd. Een deel van deze e-mailberichten heeft een onaangename inhoud en bij één van deze berichten heeft verdachte een naaktfoto van aangeefster gevoegd. De officier van justitie heeft in zijn requisitoir in het kader van de belaging verwezen naar het verzenden deze naaktfoto. De rechtbank zal deze e-mailberichten en het versturen van deze naaktfoto echter niet betrekken bij de beoordeling van het onderhavige feit, nu verdachte deze berichten en deze foto (ruim) na de ten laste gelegde belagingsperiode heeft verzonden.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode van 2 september 2018 tot en met 6 februari 2019 wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank acht de in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 1. ten laste gelegde belaging dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zij zal verdachte daarvan vrijspreken.

Oordeel van de rechtbank over de in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 2. ten laste gelegde mishandeling

De rechtbank past ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Oordeel van de rechtbank over het in de zaak met parketnummer 18/730065-19 ten laste gelegde

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730065-19 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.Deze opgave luidt als volgt:

1. De door verdachte ter zitting van 30 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:Op 30 januari 2019 heb ik [slachtoffer] in Gorredijk een pets op haar achterhoofd gegeven. Daarna ontstond er wat duw- en trekwerk tussen ons. Zij verloor haar evenwicht en viel. Ze kwam met haar hoofd op de grond.2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 8 februari 2019, opgenomen op de pagina's 9 tot en met 12 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019033015 van 17 april 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] : Op 30 januari 2019 liep ik op de Langewal te Gorredijk. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met zijn vlakke hand tegen mijn achterhoofd sloeg. Ik voelde hierna bij mijn achterhoofd pijn. [verdachte] gooide mij ruggelings op het wegdek. Ik voelde dat ik op mijn onderrug terecht kwam en ik voelde dat mijn achterhoofd hard op de stenen klapte. Ik voelde hierna pijn in mijn onderrug en achterhoofd. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 februari 2019, opgenomen op de pagina's 53 en 54 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] : Op 30 januari 2019 liep ik in de richting van de Langewal te Gorredijk. Ik zag voor mij een man met een meisje lopen. Ik zag dat de man het meisje plotseling vastgreep. Ik zag dat het meisje ruggelings op de grond viel. Ik zag dat ze op de rug terecht kwam en dat haar hoofd door de val achterover klapte. Ik zag dat ze met het achterhoofd op de straat knalde.
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 augustus 2019;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 29 maart 2019, opgenomen op de pagina's 28 en 29 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019082800/2019173184 van 11 juli 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2019, opgenomen op de pagina's 34 en 35 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant];4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2019, opgenomen op de pagina's 39 tot en met 41 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant].
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 2. ten laste gelegdewettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 2.hij op 30 januari 2019 te Gorredijk, gemeente Opsterland, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar te slaan op het achterhoofd en te laten vallen op de grond;
en zij acht ook het in de zaak met parketnummer 18/730065-19 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:hij in de periode van 20 maart 2019 tot en met 12 mei 2019 te Gorredijk, gemeente Opsterland, telkens opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing (met kaart met daarin aangegeven het voor hem, verdachte, verboden gebied) d.d. 11 februari 2019, gegeven door de officier van justitie te Noord-Nederland (behorende bij parketnummer 18/033962-19), kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
- niet mag bevinden binnen een straal van 40 meter van de woning van [slachtoffer] aan de [straatnaam] te Gorredijk en- moet onthouden van direct en/of indirect contact met [slachtoffer] en/of de ouders van [slachtoffer] ,door zich te bevinden binnen het voor hem verboden gebied en direct en/of indirect contact te zoeken met [slachtoffer] .
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 18/033962-19: 2. mishandeling;
en in de zaak met parketnummer 18/730065-19:opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 1. en 2. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730065-19 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en een verplichting tot het medewerken aan middelencontroles. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan verdachte met toepassing van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht vrijheidsbeperkende maatregelen worden opgelegd voor de duur van vijf jaren, in de vorm van een direct en indirect contactverbod met aangeefster en een gebiedsverbod voor een straal van 40 meter rond het perceel [straatnaam] te Gorredijk. De officier van justitie heeft gevorderd dat wordt bepaald dat voor iedere keer dat verdachte zich niet aan deze maatregelen houdt een vervangende hechtenis wordt toegepast van twee weken en dat deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf te hoog is. Daarnaast heeft zij ervoor gepleit om geen vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen, omdat dit niet proportioneel is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte al bijna zeven maanden een gebiedsverbod heeft en dat dit zeer beperkend voor hem is door de plek waar hij en aangeefster wonen. Door het verbod mag verdachte niet bij zijn bank en bij de enige brievenbus van Gorredijk komen, aangezien deze recht tegenover de woning van aangeefster zijn. Daarbij komt dat het al een tijd rustig is en verdachte heeft verklaard dat hij niets meer aan aangeefster te vragen of tegen haar te zeggen heeft en dat hij zijn leven momenteel weer oppakt buiten aangeefster om. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat alleen tot dadelijke uitvoerbaarheid kan worden besloten wanneer er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Nu hier in dit geval geen sprake van is, kan niet de dadelijke uitvoerbaarheid worden bevolen.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van de reclassering en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin (hierna: aangeefster) mishandeld door haar met de vlakke hand een tik tegen het achterhoofd te geven en haar ten val te brengen. Nadat aangeefster aangifte had gedaan van deze mishandeling en van belaging, heeft de officier van justitie aan verdachte een gedragsaanwijzing opgelegd. Op grond van deze aanwijzing mocht hij geen contact zoeken met aangeefster en mocht hij niet meer in de buurt van haar woning komen. Verdachte heeft meerdere malen in strijd met deze gedragsaanwijzing gehandeld door langs de woning van aangeefster te lopen en haar meerdere e-mailberichten - deels met onaangename inhoud - te sturen. De rechtbank rekent verdachte vooral zwaar aan dat hij aangeefster per e-mail een naaktfoto van haarzelf heeft toegestuurd met daarbij de tekst: "Gelukkig hebben we de foto's nog. Bel de politie maar." en dat hij haar kort daarna een bericht heeft gestuurd met (onder meer) de tekst: "En als je wil dat ik mij aan de fotobelofte hou, dan zou ik maar eens komen praten." Door zo te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en heeft hij de aanwijzing van de officier van justitie volledig aan z’n laars gelapt.

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte sinds 2006 niet meer is veroordeeld voor strafbare feiten en dat hij nooit is veroordeeld voor feiten die vergelijkbaar zijn met de bewezen verklaarde feiten.

De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte problemen heeft op het gebied van emotieregulatie en het respecteren van de persoonlijke grenzen van anderen. Doordat verdachte niet heeft willen meewerken aan onderzoek door het NIFP, is niet duidelijk in hoeverre sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Volgens de reclassering heeft verdachte moeite met het aanvaarden van autoriteit en beoordeelt hij sociale situaties niet altijd goed, waardoor hij in conflict raakt met anderen. De reclassering is van mening dat het ten laste gelegde vanuit dit perspectief kan worden verklaard. Verdachte heeft dit jaar hulp gezocht bij Synaeda. Synaeda heeft geconcludeerd dat verdachte hoog scoort op de schaal van paranoïde gedachten, dat hij lijdt aan een matige depressie en dat sprake is van een emotieregulatiestoornis. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog, mede omdat verdachte de gedragsaanwijzing heeft overtreden en omdat hij en aangeefster slechts 150 meter van elkaar vandaan wonen. De reclassering heeft geadviseerd verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een verplichting om mee te werken aan diagnose en ambulante behandeling door de forensische polikliniek van GGZ Friesland en een verplichting om mee te werken aan controle op het gebruik van cannabis om dit gebruik te beheersen. Daarnaast heeft de reclassering geadviseerd om verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen in de vorm van een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor een straal van 50 meter rond de [straatnaam] te Gorredijk, met een vervangende hechtenis van twee weken per overtreding. De reclassering heeft geadviseerd deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.De rechtbank zal verdachte een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De reden daarvoor is (onder meer) dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, de ten laste gelegde belaging niet bewezen acht. Mede gelet op het ontbreken van recidive, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten geen (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank acht een forse, geheel onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren op zijn plaats en zij zal deze dan ook aan verdachte opleggen.
Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte de door de reclassering geadviseerde en door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregelen, een contactverbod en een locatieverbod, opleggen. De rechtbank zal verdachte een locatieverbod opleggen voor het gebied in een straal van 40 meter rondom de woning van aangeefster aan de [straatnaam] te Gorredijk. Dit gebied komt overeen met het gebied waar verdachte niet mocht komen op grond van de door de officier van justitie opgelegde gedragsaanwijzing. De rechtbank zal daaraan toevoegen dat verdachte niet mag komen op het in het verlengde van de [straatnaam] gelegen bruggetje over de [vaart] . De rechtbank zal bij deze uitspraak een kaartje voegen waarop het verboden gebied is aangegeven. De rechtbank zal de duur van de maatregelen beperken tot een periode van twee jaren en de vervangende hechtenis vaststellen op één week per overtreding, met een maximum van zes maanden voor beide maatregelen tezamen. Daarnaast zal zij bevelen dat de maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank ziet daarvoor aanleiding omdat zij van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster. Daartoe overweegt zij dat uit het dossier blijkt dat in mei en juni van dit jaar nog confrontaties hebben plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster en haar familie. Voorts neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat verdachte zich niets gelegen heeft laten liggen aan de door de officier van justitie opgelegde gedragsaanwijzing en dat uit het dossier blijkt dat verdachte ook in strijd heeft gehandeld met de in april 2019 door de rechter-commissaris opgelegde voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank ziet geen aanleiding om naast de voormelde taakstraf en vrijheidsbeperkende maatregelen een voorwaardelijke straf op te leggen.

Inbeslaggenomen goederen
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen tablet, twee computers en gsm verbeurd worden verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat op deze vier gegevensdragers naaktfoto's van aangeefster staan en dat verdachte één van deze naaktfoto's heeft gebruikt bij het plegen van één van de ten laste gelegde feiten. Volgens de officier van is het niet is toegestaan om te bepalen dat de gegevensdragers worden teruggegeven aan verdachte, nadat de naaktfoto's daarvan zijn verwijderd.De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen fotoapparatuur en usb-stick worden teruggegeven aan verdachte.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft er primair voor gepleit dat alle in beslag genomen gegevensdragers worden teruggegeven aan verdachte. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde belaging. Op al deze gegevensdragers staat slechts één naaktfoto die in relatie staat tot de overtreding van de gedragsaanwijzing. Daarnaast staan op deze gegevensdragers een grote hoeveelheid andere gegevens die maken dat het gaat om goederen die een persoonlijke waarde voor verdachte hebben. Subsidiair heeft de raadsvrouw ervoor gepleit dat de gegevensdragers worden teruggegeven aan verdachte, nadat de naaktfoto's daarvan zijn verwijderd.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen gegevensdragers, te weten een grijze usb-stick, een zwarte telefoon van het merk Sony, een tablet van het merk Apple, een notebook van het merk HP, een notebook van het merk Lenovo en een fotocamera van het merk Minolta, moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.
De rechtbank zal echter bepalen dat, alvorens deze gegevensdragers aan verdachte worden teruggegeven, alle door de politie op die gegevensdragers aangetroffen (bestanden bevattende) naaktfoto's - ongeacht of al dan niet kan worden vastgesteld dat de persoon op deze foto's aangeefster betreft - van deze gegevensdragers dienen te worden verwijderd.

Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18/730065-19 bewezen verklaarde feit heeft begaan met betrekking tot één van de op deze gegevensdragers opgeslagen naaktfoto's en dat de overige naaktfoto's kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het ongecontroleerde bezit van deze naaktfoto's door verdachte in strijd is met het algemeen belang.

Het standpunt van de officier van justitie dat het niet is toegestaan te bepalen dat gegevensdragers worden teruggegeven na verwijdering van bepaalde bestanden, vindt geen steun in het recht. Met name volgt zulks niet zonder meer uit het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2244).

Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij vordert een bedrag van € 512,37 ter vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten voor het aanschaffen van twee camera's (€ 397,97), de kosten van medicijnen (€ 9,06), de kosten voor de aanschaf van een nieuwe broek (€ 39,90) en de reiskosten voor bezoeken aan de dokterswacht (€ 9,80), de GGZ (€ 30,72) en de juridische dienst van Slachtofferhulp (€ 24,92).
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij volledig wordt toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij niet dient te worden toegewezen. Primair heeft zij daartoe aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde belaging en (het grootste deel van) de ten laste gelegde mishandeling. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat het niet redelijk en billijk is om de kosten voor het aanschaffen van de camera's door verdachte te laten betalen en dat de benadeelde partij enkel heeft gesteld dat zij angstig is geworden, waardoor de gevorderde immateriële schadevergoeding wegens psychisch letsel onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 2. bewezen verklaarde en het in de zaak met parketnummer 18/730065-19 bewezen verklaarde. Het gaat daarbij om de kosten van medicijnen, de kosten van de bezoeken aan de dokterswacht en de GGZ en een deel van de gevorderde immateriële schade.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De benadeelde partij heeft deze schade gebaseerd op fysiek letsel en psychisch letsel. Het fysieke letsel is door de verdediging niet betwist. Ter onderbouwing van het gestelde psychisch letsel heeft de benadeelde partij onder meer aangevoerd dat zij hulp heeft gezocht bij de GGZ. Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank aannemelijk dat de benadeelde partij ten gevolge daarvan psychisch letsel heeft opgelopen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte contact met haar is blijven zoeken, ondanks het feit dat het in ieder geval vanaf het incident van 30 januari 2019 voor verdachte volslagen helder was dat aangeefster geen enkel contact meer met hem wilde en hem dit door de officier van justitie en de rechter-commissaris was verboden. Ook neemt de rechtbank daarbij de onaangename inhoud van de e-mailberichten in aanmerking, zoals hiervoor in de strafmotivering is aangegeven. De rechtbank acht aannemelijk dat de immateriële schade die de benadeelde partij heeft geleden door het fysiek en geestelijk letsel in ieder geval € 1.000,00 bedraagt. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om het overige deel van de gevorderde immateriële schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van dit deel van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de gevorderde immateriële schade dat het bedrag van € 1.000,00 te boven gaat.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de aanschaf van de camera's een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. Daartoe overweegt zij dat uit het dossier kan worden afgeleid dat de aanschaf van de camera's vooral een gevolg is van de ten laste gelegde belaging, waarvan de rechtbank verdachte vrijspreekt. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat ziet op de kosten van de camera's.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin aannemelijk geworden dat de kosten van de aanschaf van een nieuwe broek een rechtstreeks gevolg zijn van de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij heeft gesteld dat haar broek is beschadigd door de in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 2. ten laste gelegde mishandeling. De schade aan de broek bestaat uit een gat in de voorzijde van de linker broekspijp, ter hoogte van de knie. De rechtbank acht bewezen dat verdachte de benadeelde partij met de vlakke hand op het achterhoofd heeft geslagen en dat hij haar ten val heeft gebracht. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de benadeelde partij op haar rug en achterhoofd is gevallen. Het is niet aannemelijk geworden dat daarbij een gat is ontstaan aan de voorzijde van broek. De benadeelde partij heeft verklaard dat verdachte haar ook over de grond heeft gesleept. Naar het oordeel van de rechtbank is dit op grond van de in het dossier aanwezige informatie niet aannemelijk geworden. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de vordering dat ziet op de kosten van een nieuwe broek.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reiskosten voor het bezoek aan de juridische dienst van Slachtofferhulp niet kunnen worden aangemerkt als schade die rechtstreeks is geleden als gevolg van de strafbare feiten. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze reiskosten wel worden aangemerkt als proceskosten en zij zal verdachte de verplichting opleggen om deze proceskosten aan de benadeelde partij te vergoeden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van (€ 9,06 + € 9,80 + € 30,72 + € 1.000,00 =) € 1.049,58, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte voor dit bedrag vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op € 24,92, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 184a en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 1. ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/033962-19 onder 2. ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/730065-19 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 120 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van twee jaren zich niet zal ophouden in het gebied in een straal van 40 meter rond de [straatnaam] te Gorredijk en ook niet op het in het verlengde van de [straatnaam] gelegen bruggetje over de [vaart] . Dit gebied is aangegeven op het bij dit vonnis gevoegde kaartje.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1993.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Bepaalt dat uit hoofde van deze maatregelen in totaal ten hoogste zes maanden vervangende hechtenis kan worden toegepast.Beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Gelast de teruggave

Bepaalt dat, alvorens deze gegevensdragers aan verdachte worden teruggegeven, alle door de politie op die gegevensdragers aangetroffen (bestanden bevattende) naaktfoto's - ongeacht of al dan niet kan worden vastgesteld dat de persoon op deze foto's aangeefster betreft - van deze gegevensdragers dienen te worden verwijderd.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.049,58 (zegge: duizendnegenenveertig euro en achtenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2019.Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 24,92.
Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.049,58 (zegge: duizendnegenenveertig euro en achtenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 49,58 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.C. Koelman, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 september 2019.Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.