Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:3878

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 13-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:3878, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/730234-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:3878:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730234-18ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/720032-19
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 september 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],thans gedetineerd in PI Overijssel te Zwolle
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 april 2019 en 30 augustus 2019. Verdachte is zowel op 25 april 2019 als op 30 augustus 2019 verschenen, beide keren bijgestaan door mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam.Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 25 april 2019 vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf en ter terechtzitting van 30 augustus 2019 door mr. D. Roggen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/730234-18, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 13 oktober 2018, te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet heeft getracht die [slachtoffer 1], meerdere malen, althans eenmaal, met een houten balk, althans een hard voorwerp, met kracht, op/tegen, althans in de richting van, het hoofd, althans op/tegen het lichaam, te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomenmisdrijf niet is voltooid;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op of omstreeks 13 oktober 2018, te Leeuwarden, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur aan beide armen, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meerdere malen, althans eenmaal, met kracht, met een houten balk, althans een hard voorwerp, tegen zijn armen, te slaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op of omstreeks 13 oktober 2018, te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een houten balk, althans een hard voorwerp, tegen zijn armen heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en hem is in de zaak met parketnummer 18/720032-19 ten laste gelegde dat:

1.hij, op of omstreeks 15 december 2018, in de gemeente Leeuwarden, [slachtoffer 2] (Penitentiair Inrichtings Werker) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met gebalde vuisten op die [slachtoffer 2] afgerend en/of toegelopen en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je van kant" en/of "Ik maak je kapot" en/of "Ik kom naar je toe en ikpak je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, althans door zijn wijze van optreden en/of zijn houding tegenover die [slachtoffer 2] een voor hem (zeer) bedreigende sfeer/situatie heeft geschapen;
2.hij, op of omstreeks 15 december 2018, in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2], Penitentiair Inrichtings Werker, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, althans een persoon, te weten [slachtoffer 2], in zijn tegenwoordigheid, door een feitelijkheid heeft beledigd door die [slachtoffer 2] in/tegen het gezicht, althans op/tegen het lichaam te spugen.
overwegingen

Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/730234-18 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/720032-19 onder 1. en 2. ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 18/730234-18 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer zijn armen al boven zijn hoofd had op het moment dat hij sloeg en dat hij niet de bedoeling had om op het hoofd van het slachtoffer te slaan. Uit het dossier blijkt niet dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het hoofd van het slachtoffer werd geraakt door de balk en dat hij zou komen te overlijden, laat staan dat verdachte deze kans doelbewust heeft aanvaard.De raadsman heeft betoogd dat verdachte eveneens moet worden vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 18/730234-18 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling, omdat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake was van twee fracturen in de linker en rechter onderarm, dat uit de medische verklaring niet blijkt dat dit letsel van dien aard is dat er geen uitzicht op herstel bestaat en dat dergelijk letsel normaal gesproken tot volledig herstel zou moeten leiden.De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de zaak met parketnummer 18/730234-18 meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan worden bewezen.Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/720032-19 onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank over de zaak met parketnummer 18/730234-18

De rechtbank past ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730234-18 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1.1.
De door verdachte ter zitting van 25 april 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:Ik fietste op 13 oktober 2018 over de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik heb een houten balk gepakt. Ik hief de balk omhoog. Ik sloeg hem, aangever, op zijn arm. Ik heb hem twee keer geslagen en geraakt op zijn armen. Ik sloeg hem op zijn arm die hij boven zijn hoofd hield. De balk brak na de eerst keer slaan. Ik heb hem kankerhard geslagen.
1.2.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 oktober 2018, opgenomen op pagina's 34 tot en met 36 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018270245 van 2 februari 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1], afgelegd op 13 oktober 2018: Vanmorgen tussen 9:30 uur en 10:00 uur was ik in de [straatnaam] te Leeuwarden. Daar kwam ik een persoon tegen op een fiets. Hij stapte van zijn fiets. Hij pakte een houten balk van de straat. Hij pakte deze met beide handen vast en hief deze met beide handen boven zijn hoofd en sloeg deze met kracht in de richting van mijn hoofd. Ik weerde deze slag met beide handen af. Ik werd hierbij met de balk geraakt op mijn rechterarm. Ik voelde direct dat mijn arm brak. Hierop zag ik dat de man weer de balk boven zijn hoofd hief en met kracht in de richting van mijn hoofd sloeg. Ook deze slag weerde ik met mijn beide handen af. Hierbij werd ik geraakt op mijn linkerarm. Ik voelde een heftige pijn aan beide armen. De man maakt gebruik van de bijnaam "[verdachte]" of iets dergelijks. Ik ben met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Daar bleek dat ik twee gebroken armen heb. Als ik de slagen van de man niet had afgeweerd, was ik door de man op mijn hoofd geslagen.
1.3.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 oktober 2018, opgenomen op pagina's 72 en 73 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1], wonend aan de [straatnaam] te Leeuwarden: Ik was vanochtend, 13 oktober 2018 omstreeks 9.30 uur, in mijn woning. Ik keek uit het raam en zag dat een man tegenover een oudere man stond. Ik zag dat de man een houten balk in zijn beide handen boven zijn hoofd vasthield en dat deze balk ongeveer een dikke meter boven het hoofd van de man uitstak. Ik zag dat de man met de houten balk, kennelijk opzettelijk en met kracht, van boven naar beneden bewegend, in de richting van het hoofd van de oudere man sloeg. Ik zag dat de oudere man zijn beide handen voor zijn hoofd gekruist hield om enigszins bescherming te creëren tegen de balk. Ik zag dat de man de oudere man met de balk hard op de armen sloeg met een soort hakbeweging. Ik zag dat de balk de oudere man op de armen raakte.
Naar aanleiding van het betoog van de raadsman dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft ontkend dat het zijn bedoeling was om het slachtoffer dood te slaan. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, blijkt ook niet op andere wijze dat het de bedoeling van verdachte was om aangever van het leven te beroven. Daarom dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake was van voorwaardelijk opzet op dit gevolg.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte bewust tweemaal met een balk, van boven naar beneden bewegend, in de richting van het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. In reactie op de dreigende klappen heeft het slachtoffer zijn armen omhoog gebracht en boven zijn hoofd gehouden, teneinde te proberen de slagen af te weren.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer enkel een tik op zijn armen wilde geven volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank zal deze verklaring dan ook terzijde schuiven.

Voorts blijkt uit de bovenstaande bewijsmiddelen dat de balk bij de eerste slag de rechterarm van het slachtoffer heeft geraakt en bij de tweede slag de linkerarm van het slachtoffer. Hierdoor zijn beide armen van het slachtoffer en ook de balk waarmee werd geslagen gebroken. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte met kracht heeft geslagen. Verdachte heeft overigens ook verklaard dat hij heel hard geslagen heeft.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer tweemaal met kracht met de balk op zijn hoofd zou hebben geslagen, indien het slachtoffer zijn armen niet boven zijn hoofd zou hebben gehouden en de klappen niet met zijn armen zou hebben opgevangen.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd en de daarin gelegen hersenen kwetsbare onderdelen van het lichaam zijn en dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat het meerdere malen met kracht met een hard voorwerp op het hoofd slaan leidt tot dodelijk (hersen)letsel. Verdachte moet dit, net als ieder ander weldenkend mens, hebben geweten.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, te weten het met kracht met een balk tweemaal in de richting van het hoofd van het slachtoffer slaan, naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijke opzet had op de dood van het slachtoffer.

Oordeel van de rechtbank over de zaak met parketnummer 18/720032-19

De rechtbank past ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/720032-19 onder 1. en 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

2.1.
De door verdachte ter zitting van 25 april 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:Ik had op 15 december 2018 een vader-kind dag gehad. Ik mocht niet bellen. Ik werd kwaad en rende op hem af. Hij was boven en ik stond beneden. Ik wilde hem aanvallen toen ik naar boven rende. Ik was van plan om in zijn gezicht te spugen.
2.2.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 29 januari 2019, opgenomen op de pagina's 15 tot en met 17 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019035888 van 13 februari 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2]: Ik ben als Penitentiair Inrichtings Werker (PIW-er) werkzaam in de Penitentiaire Inrichting Leeuwarden te Leeuwarden. Op 15 december 2018 was ik als PIW-er in de P.I. Leeuwarden. Ik zag dat [verdachte] een telefooncel was ingegaan en ik sprak hem hierover aan. Ik zag en hoorde dat [verdachte] erg agressief reageerde. Ik zag dat [verdachte] in een dreigende houding naar mij toe kwam lopen. Ik zag dat hij zijn handen tot vuisten had gebald. Ik hoorde dat hij naar mij schreeuwde: "Ik maak je kapot." Op het moment dat hij bij mij langs liep, zag en voelde ik dat hij mij in mijn gezicht spuugde. Hij raakte mij vol in mijn gezicht. Ik voelde dat er speeksel op mijn gezicht was gekomen. Ik voelde mij op dat moment erg vies en zwaar beledigd.
2.3.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 5 februari 2019, opgenomen op de pagina's 29 en 30 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2]: Op 15 december 2018 was ik aan het werk bij de P.I. Leeuwarden te Leeuwarden. Ik hoorde dat [verdachte] tegen [slachtoffer 2] zei: "Ik kom naar je toe en ik pak je." Ik zag dat [verdachte] versneld naar de trap liep en naar boven ging. Ik zag dat hij zijn handen tot vuisten had gebald.Op het moment dat [verdachte] door mijn collega's werd vastgehouden en hem begeleidden naar de trap, zag ik dat [verdachte] speeksel in het gezicht van [slachtoffer 2] spuugde. Ik zag dat [verdachte] een behoorlijke hoeveelheid speeksel in het gezicht van [slachtoffer 2] spuugde.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730234-18 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 13 oktober 2018 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1], van het leven te beroven, met dat opzet meerdere malen met een houten balk, met kracht, in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

en de rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/720032-19 onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.hij op 15 december 2018 in de gemeente Leeuwarden [slachtoffer 2] (Penitentiair Inrichtings Werker) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met gebalde vuisten op die [slachtoffer 2] afgerend en heeft hij daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je kapot" en "Ik kom naar je toe en ik pak je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2.hij op 15 december 2018 in de gemeente Leeuwarden opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2], Penitentiair Inrichtings Werker, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door een feitelijkheid heeft beledigd door die [slachtoffer 2] in het gezicht te spugen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het in de zaak met parketnummer 18/730234-18 bewezen verklaarde levert op:poging tot doodslag;
en het in de zaak met parketnummer 18/720032-19 bewezen verklaarde levert op:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

1. bedreiging met zware mishandeling;2. eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.
Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vraag in hoeverre de ten laste gelegde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage van 12 augustus 2019, opgemaakt door A. van der Donk (hierna: de psycholoog). De conclusies van dit rapport luiden, zakelijk weergegeven, als volgt: Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een stoornis in cannabisgebruik (in vroege remissie). Daarnaast is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Dit was ook al zo ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en dit beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van die feiten. Ten tijde van de poging tot doodslag voelde verdachte zich vanuit zijn opgeblazen gevoel van eigenwaarde gekrenkt en gekleineerd door een opmerking van het slachtoffer. Hierdoor werd hij geconfronteerd met gevoelens van onmacht, frustratie en kwetsbaarheid. Hij heeft de controle over zijn agressieve impulsen verloren, is woedend geworden en heeft zijn narcistische woede gericht op het slachtoffer. Verdachte wilde het slachtoffer kleineren om zodoende zijn zelfbeeld en gevoel van eigenwaarde te herstellen. Verdachte had die ochtend cannabis gebruikt. Dit heeft geen doorslaggevende, maar wel een faciliterende rol gespeeld. Ook de bedreiging van de PIW-er is vanuit een narcistische krenking te begrijpen. Voorafgaand aan dit feit zou verdachte een rapport gekregen hebben wegens het verstoren van rust en orde. Hij vond dit onterecht en heeft vanuit zijn opgeblazen (en kwetsbare) zelfbeeld zeer impulsief gereageerd. Verdachtes frustratie heeft geresulteerd in een forse agressieve woede-uitbarsting die zich gericht heeft op degene die hem naar zijn beleving onrecht had aangedaan. Hieruit volgt dat de geconstateerde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens hebben doorgewerkt op het gedrag van verdachte tijdens de bewezen verklaarde feiten en dat deze feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
De rechtbank kan zich met deze conclusies van de psycholoog verenigen, neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde hem in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu geen sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het in de zaak met parketnummer 18/730234-18 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/720032-19 onder 1. en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het voorwaardelijke deel groter is dan door de officier van justitie is gevorderd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf tot gevolg heeft dat verdachte geen aanspraak kan maken op voorwaardelijke invrijheidstelling en dat het wenselijk is dat de door de psycholoog en de reclassering geadviseerde behandeling zo snel mogelijk van start gaat. Voorts heeft de raadsman de rechtbank verzocht om er bij de strafoplegging rekening mee te houden dat verdachte een meewerkende proceshouding heeft ingenomen (onder andere door volledige openheid van zaken te geven), dat hij bereid is iets aan zijn agressieprobleem te doen en dat hij gemotiveerd is voor behandeling.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de psycholoog en de reclassering en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tweemaal met kracht met een balk in de richting van het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer 1] geslagen. Het slachtoffer heeft de klappen afgeweerd door zijn armen boven zijn hoofd te houden. Door de klappen zijn zowel de beide armen van het slachtoffer als de balk gebroken. Het slachtoffer is aan beide armen geopereerd en heeft lange tijd hinder ondervonden van de breuken. Ook heeft hij daarvan veel pijn gehad. Verdachte heeft door zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Indien het slachtoffer de klappen niet had afgeweerd, zou verdachte hem met de balk tegen het hoofd hebben geslagen. In dat geval zouden de gevolgen nog veel ernstiger zijn geweest en had het slachtoffer de confrontatie met verdachte mogelijk niet overleefd. Dat het slachtoffer het er relatief goed vanaf heeft gebracht, is dan ook niet aan verdachte te danken.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een poging tot doodslag en acht alleen al voor dit feit in beginsel het opleggen van een gevangenisstraf van meerdere jaren op zijn plaats.

Daarnaast heeft verdachte tijdens zijn voorarrest in de penitentiaire inrichting een PIW-er bedreigd met woorden en door met gebalde vuisten op hem af te rennen. Ook heeft verdachte deze PIW-er beledigd door hem in zijn gezicht te spugen. Door zijn handelen heeft verdachte de PIW-er angst aangejaagd en hem in zijn eer en goed naam aangetast.In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte in de periode van vijf jaren voorafgaande aan de bewezen verklaarde feiten al tweemaal eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, te weten in 2016 voor de mishandeling van zijn partner en in 2017 voor de mishandeling van zijn moeder.
De psycholoog heeft geconcludeerd dat sprake is van een matig tot hoog recidiverisico. Hij acht behandeling voor de geconstateerde agressieregulatie- en impulscontroleproblematiek geïndiceerd om dit risico te minimaliseren. De psycholoog heeft geadviseerd om verdachte voor een ambulante behandeling te verwijzen naar een voor zijn problematiek geëigende instelling en dit op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke straf, onder toezicht van de reclassering.

De reclassering heeft geconcludeerd dat verdachte gemotiveerd is zijn leven anders in te richten en op een positieve wijze te organiseren en dat hij bereid is hiervoor de nodige hulp te accepteren. Daarbij is opgemerkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld tot bijzondere voorwaarden. De reclassering heeft het recidiverisico en het risico op letselschade ingeschat als hoog en heeft geadviseerd om verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een ambulante behandeling gericht op agressieproblematiek, een verplichting tot het geven van openheid over het sociaal netwerk en een verplichting tot het geven van inzicht in de financiën en schulden en, indien nodig, meewerken aan aflossing van die schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dat inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij het bepalen van de strafmaat, in die zin dat zij een fors deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk zal opleggen.

De rechtbank acht het van zeer groot belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn agressieproblematiek. Zij zal de adviezen van de psycholoog en de reclassering dan ook opvolgen en aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf onder meer een ambulante behandelverplichting verbinden. Daarnaast zal zij verdachte ook de overige door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten, mede gelet op de omstandigheid dat verdachte al tweemaal eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Daarbij heeft de rechtbank vooral de bewezenverklaarde poging tot doodslag zwaar meegewogen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de eerder genoemde bijzondere voorwaarden, passend en zij zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.


Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 63, 266, 267, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/730234-18 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/720032-19 onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

1. dat de veroordeelde zich na het einde van zijn detentie op uitnodiging zo spoedig mogelijk meldt bij Reclassering Nederland (hierna: de reclassering), op de door de reclassering te bepalen wijze (op het adres Zoutbranderij 1 te Leeuwarden en/of door te bellen met het telefoonnummer [telefoonnummer]), en dat hij zich daarna blijft melden en zich houdt aan de door de reclassering te geven aanwijzingen, zolang en zo frequent als de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van een nader door de reclassering te bepalen ambulante forensische zorgaanbieder op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgaanbieder aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn agressieproblematiek, waarbij mede kan worden ingezet op het stoppen met dan wel minderen van het drugsgebruik (indien uit de delictanalyse blijkt dat dit drugsgebruik in verband staat met de agressieproblematiek) en waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens die zorgaanbieder worden gegeven, zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht; 3. dat de veroordeelde openheid zal geven over en inzicht zal geven in zijn sociale netwerk, zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;4. dat de veroordeelde inzicht zal geven in zijn financiën en schulden en dat hij, indien noodzakelijk, meewerkt aan het aflossen van die schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt het meewerken aan schuldhulpverlening, zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht.Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. C.J. Hoedt, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 september 2019.