Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:3821

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-09-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 06-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:3821, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is LEE 19-3222


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLANDde burgemeester van de gemeente Terschelling, verweerder 2

1. [verzoekers]

2. [verzoekster]

(gemachtigde: mr. J.R. van Angeren),
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 19/3222, LEE 19/3224, LEE 19/3226, LEE 19/3225, LEE 19/3227 en LEE 19/3228

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2019 op de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de zaken tussen

(mr. J.W. Spanjer) gezamenlijk te noemen verzoekers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling, verweerder 1(gemachtigde: mr. J.R. van Angeren),
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], gevestigd te [plaats] (vergunninghoudster)(gemachtigde: [naam]).

ECLI:NL:RBNNE:2019:3821:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLANDde burgemeester van de gemeente Terschelling, verweerder 2
1. [verzoekers]

2. [verzoekster]

(gemachtigde: mr. J.R. van Angeren),
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 19/3222, LEE 19/3224, LEE 19/3226, LEE 19/3225, LEE 19/3227 en LEE 19/3228

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2019 op de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de zaken tussen

(mr. J.W. Spanjer) gezamenlijk te noemen verzoekers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling, verweerder 1(gemachtigde: mr. J.R. van Angeren),
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], gevestigd te [plaats] (vergunninghoudster)(gemachtigde: [naam]).
procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder 1 aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het festival Eilân 2019.

Verzoekers sub 1 hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is geregistreerd onder het nummer LEE 19/3222.

Verzoekster sub 2 heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is geregistreerd onder het nummer LEE 19/3225.

Bij besluit van 5 september 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder 1 aan vergunninghoudster een geluidsontheffing onder voorschriften verleend voor het houden van het festival Eilân 2019 bij en rondom het Duinmeer van Hee, Camping Cupido en Camping De Kooi te Terschelling, van 12 september 2019 tot en met 15 september 2019.

Verzoekers sub 1 hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is geregistreerd onder het nummer LEE 19/3224.

Verzoekster sub 2 heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is geregistreerd onder het nummer LEE 19/3227.

Bij besluit van 5 september 2019 (het primaire besluit III) heeft verweerder 2 aan vergunninghoudster een evenementenvergunning onder voorschriften verleend voor het houden van het festival Eilân 2019.

Verzoekers sub 1 hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is geregistreerd onder het nummer LEE 19/3226.

Verzoekster sub 2 heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is geregistreerd onder het nummer LEE 19/3228.

Overwegingen
1. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat er, gelet op het verhandelde ter zitting op 29 augustus 2019, de gedingstukken en hetgeen in de media naar voren is gebracht, uiterlijk zaterdagmiddag 7 september 2019 met de opbouw van het festival Eilân 2019 dient te worden gestart om het festival door te kunnen laten gaan. Gelet daarop is een beslissing van de voorzieningenrechter nodig voor zaterdag 7 september 2019. Gelet op het korte tijdsbestek doet de voorzieningenrechter onder toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder het houden van een zitting.
2. De voorzieningenrechter stelt bij vorenstaande voorop dat hij zich geconfronteerd ziet met verzoeken om voorlopige voorzieningen die met name zien op de op 5 september 2019, kort voor 24:00 uur, afgegeven omgevingsvergunning ten behoeve van genoemd festival. Deze omgevingsvergunning is verleend op basis van een op dezelfde dag door vergunninghoudster ingediende (nieuwe) aanvraag. Voor deze aanvraag is, anders dan de tot dat moment in procedure zijnde aanvraag om omgevingsvergunning, niet de zogeheten uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd maar de reguliere procedure. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de uit artikel 6.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) voortvloeiende schorsing van een verleende omgevingsvergunning niet plaatsvindt door het enkel indienen van verzoeken om voorlopige voorzieningen. De thans gevolgde procedure en met name het gehanteerde tijdspad heeft ook tot gevolg dat belanghebbenden als verzoekers ernstig worden belemmerd in hun mogelijkheden om de gronden van hun verzoeken adequaat te onderbouwen. Met inachtneming van de aanvang van de opbouw van het festival zag de voorzieningenrechter zich genoodzaakt deze gelegenheid te beperken tot vrijdag 6 september 2019 uiterlijk 15:00 uur. De voorzieningenrechter neemt dit mee in zijn beoordeling van de verzoeken. Een en ander maakt ook dat de voorzieningenrechter zich in zijn beoordeling zal (moeten) beperken tot een belangenafweging op de naar zijn oordeel meest van belang zijnde rechtsvragen en zal moeten volstaan met een summiere motivering van zijn oordeel. Overwogen wordt als volgt.
3. Met betrekking tot hetgeen door verzoekers is gesteld ten aanzien van de stikstofbelasting van het Natura 2000-gebied "Duinen Terschelling" overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
3.1
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat voor het Natura 2000-gebied Duinen Terschelling, gelet op de reeds aanwezige achtergrondbelasting, de kritische depositiewaarde reeds (ruimschoots) wordt overschreden. Gelet op hetgeen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) is een project dat leidt tot een toename van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, een plan dat significante gevolgen kan hebben en om die reden passend beoordeeld moet worden. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze beoordeling niet heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld of de toename van de stikstofdepositie al dan niet van invloed is op de kwaliteit van de (prioritaire) habitattypen in dit Natura 2000-gebied. Dit klemt in hoge mate nu de toename van de stikdepositie in het kader van de belangenafweging die plaats dient te vinden bij het gebruik maken van een binnenplanse afwijking als hier aan de orde, meegenomen had moeten worden in de beoordeling of een omgevingsvergunning kan worden verleend.
3.2
Daarbij neemt de voorzieningenrechter voorts in aanmerking dat op basis van het rapport van Koolstra Advies van 4 september 2019 niet kan worden uitgesloten dat het project geen significante gevolgen kan hebben voor het onderhavige Natura 2000-gebied en dat om die reden een passende beoordeling niet nodig zou zijn. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In het rapport is, op basis van het aantal te verwachten bezoekers, voor wat betreft de extra vervoersbewegingen gerekend met 360 busritten en 700 autoritten. Deze ritten zijn ingevoerd in de AERIUS Calculator (AERIUS). De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat sinds 1 september 2019 het gebruik van AERIUS niet langer is geregeld in de Regeling natuurbescherming. Verweerder was in dat verband, mede gelet op de voornoemde uitspraak, gehouden om te motiveren waarom het gebruik van AERIUS ondanks de door de AbRS vastgestelde tekortkomingen in dit geval gerechtvaardigd is. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat vanwege het feit dat in AERIUS een gemiddeld aantal motorvoertuigen per etmaal per jaar dient te worden ingevoerd om de toename van de stikstofdepositie te berekenen, in dit geval in AERIUS één bus- en twee autoritten (over het hele jaar) zijn ingevoerd. Dit betekent dat in het rapport wordt uitgegaan van jaargemiddelden, waardoor het piekeffect van de stikstofdepositie onduidelijk blijft. De vraag is dan ook of de effecten van deze extra stikstofdepositie voldoende in kaart zijn gebracht. Daardoor is niet vast te stellen of voldoende verzekerd is dat verweerder zich op voorhand op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen significante effecten op de natuurwaarden zijn te verwachten. In die zin is de door verweerder verrichte belangenafweging ondeugdelijk gemotiveerd.
3.3
Gelet op het bovenstaande overweegt de voorzieningenrechter dat, naar zijn voorlopig oordeel, onvoldoende vast is komen te staan dat verweerder in het kader van de door hem te maken belangenafweging heeft kunnen concluderen dat het project geen significante gevolgen heeft voor het onderhavige Natura 2000-gebied. Dit brengt met zich, mede in aanmerking genomen dat een passende beoordeling thans ontbreekt, dat de voorzieningenrechter tot de conclusie komt dat niet vastgesteld kan worden of de Wet natuurbescherming (de Wnb) aan de verlening van de in geding zijnde omgevingsvergunning in de weg staat. Mede gelet op het absolute (beschermings)karakter van de hiervoor omschreven en uit de Wnb voortvloeiende voorwaarde, bestaat reeds hierom aanleiding de verleende omgevingsvergunning bij wege van voorlopige voorziening te schorsen.
3.4
De voorzieningenrechter laat bij vorenstaande onbesproken dat mogelijk niet alle in aanmerking te nemen stikstof producerende activiteiten ten gevolge van het in geding zijnde festival in de berekening van Koolstra Advies zijn meegenomen. In dat verband wordt onder meer gewezen op hetgeen van de kant van verzoekers is aangedragen ten aanzien van de inzet van extra (veer)diensten ten behoeve van het vervoer van festivalbezoekers.
4. Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat (ook) indien een omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a, onder 1°, van de Wabo er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening en dat aan de omgevingsvergunning een goede motivering daarvan ten grondslag dient te liggen. Van een dergelijke motivering is echter geen sprake. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt op geen enkele wijze waarom een betrekkelijk grootschalig festival als het onderhavige, onder meer gelet op het aantal bezoekers en de aard daarvan, ruimtelijk bezien valt in te passen. Verweerder heeft in de verleende omgevingsvergunning in dit verband slechts overwogen dat uit de ecologische rapportages blijkt dat er, door de deels gewijzigde locatie van het festival, geen sprake is van handelingen die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in die gebieden kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor die gebieden zijn aangewezen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter maakt het enkele feit dat in ecologische rapporten is vastgesteld dat er geen significante verstoringen zouden zijn, niet dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit klemt te meer nu gelet op de gedingstukken twijfel bestaat of gemotiveerd kan worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ook hierin wordt daarom aanleiding gevonden om bij wege van voorlopige voorziening de verleende omgevingsvergunning te schorsen.
5. Verweerder heeft aan de omgevingsvergunning een tweetal rapporten van ecologisch adviesbureau Zumkehr van juni 2019 en september 2019 ten grondslag gelegd. Ten aanzien van hetgeen verzoekers hebben gesteld met betrekking tot de uitgevoerde ecologische beoordeling, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat het gebied waar het festival zal gaan plaatsvinden direct grenst aan een in de Provinciale milieuverordening Fryslân vastgesteld stiltegebied en eerdergenoemd Natura 2000-gebied. In dit Natura 2000-gebied komen verschillende (strikt beschermde) soorten voor, hetgeen tussen partijen niet in geschil is.
5.2
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat indien ten aanzien van de in het gebied voorkomende (strikt beschermde) soorten uit een analyse in de voortoets blijkt dat significant negatieve effecten niet met zekerheid uitgesloten zijn, een vergunning op grond van de Wnb dient te worden aangevraagd bij Gedeputeerde Staten (GS). In dat geval moet ook ten aanzien van dit punt een passende beoordeling voor het project worden opgesteld, waarin de aard van de significant negatieve effecten verder wordt uitgewerkt en tevens wordt geanalyseerd of deze effecten door middel van mitigerende maatregelen of compensatie kunnen worden voorkomen.
5.3
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende vast komen te staan dat verweerder in het kader van de door hem te maken belangenafweging heeft kunnen concluderen dat het project met zekerheid geen significante negatieve gevolgen heeft voor de (strikt beschermde) soorten in het hier aan de orde zijnde Natura 2000-gebied. Hiertoe wijst de voorzieningenrechter onder meer op het gestelde in de ecologische beoordeling waarin is aangegeven dat de festivalorganisatie door een goede inrichting van de locaties zoveel mogelijk hinderlijke uitstraling van geluids- en lichteffecten naar de omgeving wil voorkomen. Ook wordt in de ecologische beoordeling aangegeven dat geprobeerd wordt om een negatieve invloed op het foerageergebied van de in het Natura 2000-gebied aanwezige (strikt beschermde) vleermuissoorten door beperking van het geluids- en lichtniveau te voorkomen. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat uit de ecologische onderzoeken niet blijkt welke concrete maatregelen worden getroffen om zeker te stellen dat geluids- en lichteffecten op voormelde soorten worden voorkomen. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat het verschuiven van één van de podia naar een locatie buiten het Natura-2000 gebied, maar wel direct grenzend aan dit gebied, niet maakt dat (voldoende) gemotiveerd is dat geen verstoring van (strikt beschermde) soorten zal gaan plaatsvinden. Ook blijft onduidelijk of deze locatie in overeenstemming is met hetgeen in de Provinciale milieuverordening Fryslân is bepaald ten aanzien van het aangewezen stiltegebied. De voorzieningenrechter merkt daarbij volledigheidshalve op dat GS geen zelfstandig onderzoek naar de ecologische gevolgen hebben verricht en dienaangaande slechts een voorlopige inschatting hebben gemaakt op grond van door verweerder toegestuurde stukken. Welke stukken dit zijn is overigens onduidelijk gebleven. Ook vorenstaande geeft aanleiding de verleende omgevingsvergunning bij wege van voorlopige voorziening te schorsen. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat vorenstaande tevens maakt dat niet wordt voldaan aan de voor afwijking van het vigerende planologische regime gestelde voorwaarde dat geen sprake mag zijn van een onevenredige afbreuk aan bestaande natuurwaarden.
6. Bovenstaande overwegingen leiden de voorzieningenrechter tot de conclusie dat aan de besluitvorming in het kader van de omgevingsvergunning de nodige gebreken en omissies kleven, zodat schorsing van de omgevingsvergunning is aangewezen. Nu als gevolg van de schorsing van de omgevingsvergunning het festival geen doorgang kan vinden, hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen belang meer bij een behandeling van hun verzoeken gericht tegen de evenementenvergunning en de geluidsontheffing.
7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,-- (één punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 512,-- en wegingsfactor 1) voor verzoekster sub 2.
8. Nu de voorzieningenrechter de verzoeken toewijst, dient het griffierecht aan verzoekers te worden vergoed. Dit betreft een bedrag van in totaal € 519,--.
beslissing

Beslissing

- wijst de voorlopige voorzieningen LEE 19/3222 en LEE 19/3225 toe; - schorst het primaire besluit I totdat op de bezwaren is beslist;- wijst de voorlopige voorzieningen LEE 19/3224, LEE 19/3226, LEE 19/3227 en LEE 19/3228 af; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,-- aan verzoekers sub 1 te vergoeden;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,-- aan verzoekster sub 2 te vergoeden;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster sub 2 tot een bedrag van € 512,--.
De voorzieningenrechter :

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2019.
griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.