Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:3584

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 09-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:3584, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 167643


Bron: Rechtspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/167643 / FJ RK 19-567datum uitspraak: 9 augustus 2019
beschikking kinderechter

het verzoekschrift van , wonende te [woonplaats] .
met betrekking tot

[de minderjarige]

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering

gevestigd te Groningen,
[de vader]

wonende te [woonplaats] .

ECLI:NL:RBNNE:2019:3584:DOC
nl

beschikking
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/167643 / FJ RK 19-567datum uitspraak: 9 augustus 2019
beschikking kinderechter

het verzoekschrift van , wonende te [woonplaats] .
met betrekking tot

[de minderjarige]

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering

gevestigd te Groningen,
[de vader]

wonende te [woonplaats] .
procesverloop

1

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:- het verzoekschrift van de moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing tevens inhoudende een zelfstandig verzoek tot vaststelling omgangsregeling van 21 juni 2019, binnengekomen bij de griffie op 24 juni 2019;- aanvullende producties, binnengekomen op 24 juni 2019.
1.2.
Op 26 juli 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:- de moeder, bijgestaan door mr. H.M. Bakker,- namens de GI, [naam] (vervangend gezinsvoogd).
1.3.
Opgeroepen en niet verschenen is de vader.
2

2.2.
[de minderjarige] verblijft bij de vader.
2.3.
Bij beschikking van 21 december 2018 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 21 december 2019.
2.4.
Bij beschikking van 7 juni 2019 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend tot 21 december 2019.
2.5.
De GI heeft op 6 juni 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is het - kort en zakelijk weergegeven - het volgende opgenomen.
2.6. (…) "
Besluit:

 Op woensdagmiddag haalt de vader [de minderjarige] uit school en brengt hij [de minderjarige] bij de moeder thuis. De moeder doet de deur zelf open zodat zeker is dat de moeder thuis is. Als de moeder de deur niet open doet, gaat [de minderjarige] mee met de vader naar huis en gaat de omgang niet door. De moeder brengt [de minderjarige] tussen 16:30-17:00 uur weer thuis bij de vader.  Op vrijdagmiddag haalt de vader [de minderjarige] uit school en brengt hij [de minderjarige] bij de moeder thuis. De moeder doet zelf de deur open zodat zeker is dat de moeder tuis is. Als de moeder de deur niet open doet, gaat [de minderjarige] mee met de vader naar huis en gaat de omgang niet door. [de minderjarige] slaapt een nacht bij de moeder. [de minderjarige] heeft een eigen bed. Tijdens de omgang is de moeder thuis en richt de moeder zich op [de minderjarige] . Op zaterdag brengt de moeder [de minderjarige] naar de vader om 13:00 uur. Indien [de minderjarige] zwemles heeft op zaterdag dan brengt de moeder [de minderjarige] naar zwemles toe en haalt de moeder hem ook weer op.
2.7.
Aanwijzingen verder zijn:

 Op geen enkele manier wordt [de minderjarige] geconfronteerd met huiselijk geweld. De moeder houdt zich aan de tijden die in de schriftelijke aanwijzing staan. De moeder spreekt niet negatief over de vader. Tijdens de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] is de moeder thuis en heeft zij zicht op [de minderjarige] . De moeder brengt de jeugdbeschermer op de hoogte als de moeder zich hieraan niet heeft gehouden. De moeder gaat zaterdagochtend met [de minderjarige] naar zwemles. Mocht de moeder [de minderjarige] niet nog een keer naar zwemles brengen, dan zal de vader iedere week hem naar zwemles gaan brengen. De vader haalt [de minderjarige] bij de moeder op en brengt hem na zwemles bij de moeder. De omgang wordt niet gewijzigd. De moeder houdt zich aan de afspraken. Er worden geen afspraken gemaakt tussen de moeder en de vader over contact tussen de familie van moederszijde en [de minderjarige] . De moeder verwijst de vader te allen tijde naar de jeugdbeschermer als de vader iets wil veranderen ten aanzien van de omgangsregeling. De jeugdbeschermer ontvangt iedere maandag voor 10:00 uur een kort verslagje van de afgelopen omgang. Hierin staat hoe het is gegaan, wat jullie hebben gedaan en of de moeder thuis was. De vader krijgt ook een aanwijzing om iedere week een verslagje te sturen over de omgang. De moeder is open en eerlijk hoe de omgang is verlopen. Belangrijke zaken die invloed hebben op [de minderjarige] worden gemeld. De moeder laat hulpverlening binnen. Ook indien zij onverwachts komen of na 17:00 uur.  Indien [de minderjarige] in een onveilige situatie belandt, dan haalt de vader [de minderjarige] direct op en stelt de jeugdbeschermer hiervan op de hoogte. Wanneer dit is na 17:00 uur of in het weekend, dan belt de moeder hierover met de crisisdienst."
3

I. Te verklaren voor recht dat de machtiging tot uithuisplaatsing is geëindigd, althans te bepalen dat de machtiging wordt ingetrokken.II. Te bepalen dat de (uitvoering) van de schriftelijke aanwijzing d.d. 7 juni 2019 geheel vervallen wordt verklaard.III. Te bepalen dat er een zorgregeling wordt vastgesteld tussen [de minderjarige] en de moeder inhoudende dat [de minderjarige] iedere woensdag na school tot 17:00 uur bij haar verblijft alsmede iedere vrijdag na school tot zondag 17:00 uur en gedurende de helft van de feestdagen en de helft van de vakanties.
3.2.
Door de moeder wordt allereerst gesteld dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over het hoofdverblijf van [de minderjarige] . [de minderjarige] verblijft bij de vader en staat sinds medio maart 2019 ook - met instemming van de moeder - ingeschreven bij de vader. Aangezien het hoofdverblijf niet ter discussie staat en de vader met gezag is belast, is de moeder van mening dat de machtiging tot uithuisplaatsing van rechtswege is vervallen, dan wel dient te worden beëindigd. In dat kader verwijst moeder naar de conclusie van de Hoge Raad van 26 oktober 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:1193) waarin is weergegeven dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat een machtiging tot uithuisplaatsing betrekking heeft op een plaatsing met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijf heeft. Van een uithuisplaatsing bij de andere gezaghebbende ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijf heeft, is in deze geen sprake. Indien om die reden de machtiging tot uithuisplaatsing nog niet tot een einde is gekomen, verzoekt de moeder om de machtiging op grond van art. 1:265d, vierde lid Burgerlijk Wetboek (BW) te beëindigen in verband met een wijziging van omstandigheden nadat de beschikking voor de uithuisplaatsing is afgegeven, namelijk dat [de minderjarige] sinds maart zijn hoofdverblijfplaats niet meer bij de moeder heeft maar bij de vader.
3.3.
Hierop voort redenerend, is de moeder van oordeel dat de GI haar schriftelijke aanwijzing niet op juiste gronden heeft gebaseerd. Immers, op grond van art. 1:265f, eerste lid BW moet er sprake zijn van een uithuisplaatsing. Daarnaast betreft de schriftelijke aanwijzing volgens de moeder een eerste vaststelling van een omgangsregeling en niet een beperking van haar recht op omgang. De GI had een schriftelijke aanwijzing op grond van art. 1:265g BW moeten verstrekken.
3.4.
Ten aanzien van de inhoud van de schriftelijke aanwijzing merkt de moeder het volgende op. Er is sprake van een tweeledige schriftelijke aanwijzing: "Het besluit" en "Aanwijzingen verder zijn". De moeder stelt zich ten aanzien van de verdere aanwijzingen op het standpunt dat deze disproportioneel zijn.
3.5.
De moeder zou graag meer omgang met [de minderjarige] willen hebben zodat de moeder samen met [de minderjarige] en de andere kinderen op zaterdag een dagje weg kan. Dat lukt nu niet. De moeder merkt op dat de zorgen zijn afgenomen, zij zich sinds december 2018 aan de afspraken houdt en er hulpverlening betrokken is in het gezin.

4

4.1.
De GI voert verweer tegen het verzoek van de moeder. Om de veiligheid, de overzicht en de rust te waarborgen voor [de minderjarige] is er op 6 juni 2019 een schriftelijke aanwijzing verstrekt aan de moeder. De inhoud van de schriftelijke aanwijzing is met de moeder besproken, alvorens de aanwijzing is verstrekt. De gezinsvoogd merkt op dat de schriftelijke aanwijzing niet tweeledig is, maar moet worden gezien als één geheel, waarbij "Aanwijzingen verder zijn" als afspraken moeten worden gezien om een fijne omgang tussen moeder en [de minderjarige] te kunnen waarborgen.
4.2.
Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing merkt de gezinsvoogd op dat het perspectief van [de minderjarige] nog niet vast staat en dat daaromtrent een definitieve beslissing wordt genomen nadat hulpverlening (Comfortzorg wat wordt overgenomen door Reik) is afgerond.
4.3.
Het is bij de GI bekend dat de moeder meer omgang wenst met [de minderjarige] , maar het uitbreiden van de huidige omgangsregeling is nog niet haalbaar. Uit onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) is naar voren gekomen dat [de minderjarige] zich niet veilig voelt. Om dat gevoel van onveiligheid te laten afnemen, ontvangt [de minderjarige] hulpverlening vanuit Molemann. Moeder is [de minderjarige] onlangs nog kwijtgeraakt op de markt in Heerenveen en hij heeft, gezien alles wat hij heeft meegemaakt, baat bij stabiliteit en duidelijkheid. Daar komt bij dat de moeder ook wel eens heeft aangegeven dat de zaterdag te lang voor haar is en dat [de minderjarige] dan voortijdig moet worden opgehaald.
overwegingen

5

Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing

5.1.
De kinderrechter overweegt dat ook in het geval de minderjarige bij de andere ouder met gezag verblijft, er een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verleend. Dat is in het onderhavige geval ook zo. Bij beschikking van 21 december 2018 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend bij de gezaghebbende vader en bij beschikking van 7 juni 2019 is deze machtiging verlengd tot 21 december 2019.
5.2.
De moeder stelt dat over het hoofdverblijf van [de minderjarige] geen discussie (meer) bestaat tussen haar en de vader omdat [de minderjarige] nu met instemming van de moeder staat ingeschreven bij de vader. De kinderrechter is van oordeel dat dit nog niet maakt dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] dus bij de vader is bepaald. Tot voor kort was er sprake van wisselende instemming van de moeder ten aanzien van het verblijf van [de minderjarige] bij de vader (zo volgt uit het rapport RvdK gedateerd op 23 november 2018). Ook blijkt uit de schriftelijke aanwijzing dat de moeder in maart 2019 nog wisselend was ten opzichte van het verblijf van [de minderjarige] bij de vader. Dat de ouders [de minderjarige] in (medio) maart 2019 in onderling overleg hebben ingeschreven bij de vader, is een positieve ontwikkeling, maar op zichzelf onvoldoende om er volledig op te kunnen vertrouwen dat de moeder niet van mening zal veranderen en dat het verblijf van [de minderjarige] bij de vader bestendigd blijft. Een rechterlijke beslissing waarin het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader is bepaald ontbreekt, zodat er ook bij [de minderjarige] onzekerheid kan bestaan over zijn verblijfplaats als daar geen machtiging aan ten grondslag ligt.
5.3.
Hieruit volgt dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet van rechtswege is vervallen en voorts hebben zich na 7 juni 2019 geen gewijzigde omstandigheden voorgedaan zoals genoemd in art. 1:265d, vierde lid BW. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing niet (gedeeltelijk) intrekken dan wel in duur bekorten.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing

5.4.
Blijkens artikel 1:265f BW kan de GI voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de duur van de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Uit het tweede lid volgt dat de beslissing van de GI geldt als een schriftelijke aanwijzing en dat art. 1:264 en 1:265 BW van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
5.5.
Op grond van artikel 1:264, eerste lid BW kan op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Ingevolge het derde lid bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek twee weken, die aanvangt met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

5.6.
De kinderrechter overweegt dat het verzoek om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren binnen de termijn van artikel 1:264 BW is ingediend.
5.7.
De kinderrechter overweegt allereerst dat, anders dan dat door de moeder is gesteld, de schriftelijke aanwijzing op de juiste wettelijke grondslag tot stand is gekomen en dat art. 1:265f BW in deze van toepassing is. Met inachtneming van het hierboven overwogene, is er immers nog onlangs een machtiging tot uithuisplaatsing uitgesproken door de kinderrechter. De stelling dat de omgangsregeling zoals die in de schriftelijke aanwijzing is opgenomen geen beperking van contact zou zijn tussen de moeder en [de minderjarige] , zoals bedoeld in voornoemd wetsartikel volgt de kinderrechter niet. Het uitgangspunt van de wetgever is dat er tussen ouders sprake is van gelijkwaardige ouderschap (art. 1:253a, vierde lid BW). De kinderrechter stelt vast dat dit - gezien de omstandigheden - niet het geval is en dat er feitelijk een zorgregeling is waarbij [de minderjarige] woensdagmiddag en van vrijdagmiddag tot zaterdag 13:00 uur bij de moeder verblijft. In die zin is er wel degelijk sprake van een beperking van contact. Dat deze zorgregeling niet eerder is vastgelegd bij beschikking en dit feitelijke al enige tijd van toepassing is, maakt dit niet anders. Sterker nog de mogelijkheid om een zorgregeling in een schriftelijke aanwijzing neer te (laten) leggen, biedt de ouders de mogelijkheid om een dergelijke regeling te laten toetsen door de kinderrechter.

5.8.
Gelet op de formulering van de schriftelijke aanwijzing is discussie ontstaan over de reikwijdte van "Besluit" (zie punt 2.6) en de "Aanwijzingen verder zijn" (zie punt 2.7). Gelet op de strekking van de schriftelijke aanwijzing, namelijk het vastleggen van een omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn moeder en de grondslag van de schriftelijke aanwijzing art. 1:265f BW is, ziet - naar het oordeel van de kinderrechter - de schriftelijke aanwijzing op zichzelf slechts op "Besluit" en de daaronder opgenomen drie afspraken. Tijdens de zitting is namens de GI aangegeven dat de "Aanwijzingen verder zijn" de onderlinge afspraken betreffen die met de moeder zijn gemaakt teneinde de omgangsregeling met [de minderjarige] in zo goed mogelijke banen te leiden en de nakoming van de regeling te kunnen waarborgen. In het "Besluit" zijn ook een aantal van deze afspraken opgenomen. De kinderrechter is van oordeel dat de 11 afspraken onder "Aanwijzingen verder zijn" niet kunnen worden gekwalificeerd als aanwijzingen zoals die kunnen worden gegeven in het kader van art. 1:265f BW. Overigens is tijdens de zitting namens moeder wel aangegeven dat zij zich aan deze afspraken houdt en de kinderrechter hecht er aan te benadrukken dat het voor [de minderjarige] belangrijk is dat de afspraken worden nageleefd, zodat een fijne omgang tussen [de minderjarige] en zijn moeder gewaarborgd blijft.

5.9.
Kortom de "Aanwijzingen verder zijn" en de daaronder genoemde afspraken zijn niet aan te merken als aanwijzingen in de zin van artikel 1:265f BW en kunnen daarom ook niet vervallen worden verklaard. De kinderrechter zal zich in haar oordeel beperken tot de schriftelijke aanwijzing zoals die is genoemd onder punt 2.6.
5.10.
Ten aanzien van de inhoudelijke afweging die als basis heeft gediend voor de schriftelijke aanwijzing overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 6 juni 2019 zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. [de minderjarige] heeft in het verleden het nodige meegemaakt en ondervindt daar tot op heden nog problemen door. Hiervoor ontvangt hij passende hulpverlening. De drie afspraken die worden genoemd zijn duidelijk en geven de moeder en [de minderjarige] houvast. Deze regeling acht de kinderrechter op dit moment in het belang van [de minderjarige] . De wens van de moeder om uitbreiding van de omgang te hebben, en in ieder geval dat [de minderjarige] op zaterdag tot 17:00 uur bij de moeder kan verblijven, begrijpt de kinderrechter. Een dergelijke uitbreiding acht de kinderrechter op dit moment echter te belastend voor [de minderjarige] . Gelet op zijn verleden en zijn gevoel van onveiligheid is het voor [de minderjarige] van belang dat hij er eerst een periode op kan vertrouwen dat de vastgestelde regeling ook daadwerkelijk wordt nageleefd, voordat over uitbreiding gesproken kan worden.
5.11.
De kinderrechter komt op grond van vorenstaande tot de conclusie dat er geen gronden zijn om de schriftelijke aanwijzing van d.d. 6 juni 2019 vervallen te verklaren, en dat het op dit moment niet in het belang van [de minderjarige] is om een andersluidende (ruimere) omgangsregeling tussen hem en de moeder op te stellen. De kinderrechter zal de verzoeken van de moeder afwijzen.
6. De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing af;
6.2.
wijst het verzoek van de moeder tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing af;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
3

colA

colB

colC

colA
colC

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Barkhuijsen-Venselaar, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Tijms als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2019.


colA
colC

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden