Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:3466

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:3466, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is LEE 19-2428


Bron: Rechtspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats: Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers LEE 19/2112 en 19/2428

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 augustus 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster]

(gemachtigde: mr. N.E. van Uitert),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen

ECLI:NL:RBNNE:2019:3466:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats: Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers LEE 19/2112 en 19/2428

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 augustus 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster]

(gemachtigde: mr. N.E. van Uitert),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster met ingang van 1 november 2018 jeugdhulp in natura toegekend.

Bij besluit van 2 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in verband met termijnoverschrijding.

Namens verzoekster, wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders [naam ouders] , heeft mr. Van Uitert beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Deze zaak is geregistreerd onder nummer 19/2112.Bij brief van 11 juli 2019 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze zaak is geregistreerd onder nummer 19/2428.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2019. Namens verzoekster zijn verschenen haar ouders en de gemachtigde, voornoemd.Verweerder is met bericht niet verschenen.
Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – voor zover hier van belang – kan, indien tegen besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is daarnaast bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende door verweerder niet weersproken feiten en omstandigheden.
3.1.
Verzoekster, [voornaam verzoekster] is geboren op [geboortedatum] 2002. In verband met o.a. psychische problemen, genderproblematiek en een eetstoornis staat verzoekster sinds 2 augustus 2017 onder behandeling van klinisch psycholoog B. [naam psycholoog] te [plaats] . Omdat het vervoer naar de behandelaar, maar ook het vervoer in het algemeen, problematisch is voor verzoekster hebben haar ouders verweerder in augustus 2017 telefonisch verzocht een taxikostenvergoeding toe te kennen. Hierover is mondeling overeenstemming bereikt. Schriftelijk is een en ander evenwel niet vastgelegd. De taxikosten zijn een bepaalde periode vergoed.
3.2.
Tijdens het overleg op 3 juli 2018 over de voortgang van de behandeling heeft de vader van verzoekster verzocht de toezeggingen omtrent de taxikostenvergoeding op schrift te zetten. [naam gezinswerker] , gezinswerker van het team Jeugd&Gezin, heeft toegezegd hiervoor zorg te dragen.
3.3.
Naar aanleiding van de aanvraag specialistische jeugdhulp van 15 oktober 2018 heeft het team Jeugd&Gezin een ondersteuningsplan opgesteld. Ook in dit kader is wederom gesproken over het vervoer van verzoekster en te vergoeden taxikosten. Op 29 november 2018 zijn afspraken hierover door [gezinswerker] op schrift gesteld.
3.4.
Bij besluit van 12 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster vervolgens met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.3 van de Jeugdwet met ingang van 1 november 2018 een maatwerkvoorziening toegekend, te weten jeugdhulp in natura door [naam psycholoog] , op basis van ondersteuningsprofiel 6.
3.5.
Bij brief van 24 januari 2019 heeft de gemachtigde zich tot verweerder gewend en daarbij het volgende geschreven.
“C. heeft de afgelopen anderhalf jaar gebruik gemaakt van een onbeperkte taxivergoeding. Ook is er een aanvang gemaakt met een traject bij de genderpoli Jeugd van Jonx.

Eind van het jaar is er kennelijk een wijziging geweest in de contactpersoon, of iets dergelijks. In elk geval is cliënten in een gesprek meegedeeld dat de vervoersvoorziening voor C. wordt aangepast. De ouders hebben te horen gekregen dat de taxi enkel kan worden ingezet voor afspraken met dhr. [naam psycholoog] , en dat dit kennelijk uit zijn ‘potje’ zou moeten worden voldaan.

C. heeft de taxi vaker nodig. Zij is niet in staat om gebruik te maken van het openbaar vervoer. De afgelopen anderhalf jaar factureerde het taxibedrijf aan de gemeente en betaalde de gemeente de rekeningen. De psycholoog heeft hier tot op heden niet tussen gezeten. Ik zie daar ook geen reden voor.

Een besluit tot wijziging van de vervoersvoorziening is niet genomen. Overigens is er kennelijk ook geen besluit tot toekenning ervan. Echter, de vergoede taxikosten bewijzen dat er onbeperkt gebruik van de taxi kon worden gemaakt. Een voorziening waar overigens met terughoudendheid gebruik van is gemaakt.

Nu misbruik van de voorziening duidelijk niet aan de orde is, is de vraag waarom de mogelijkheid om de taxi te gebruiken, met ingang van 1 januari jl. dusdanig is beperkt en waarom dit via psycholoog [naam psycholoog] zou moeten lopen.

Omdat er geen besluiten zijn waartegen ik bezwaar kan instellen, richt ik mij bij deze tegen het uitblijven van de vergoeding/de weigering toestemming voor het inzetten van taxivervoer.

Tegen het niet betaalbaar stellen van het taxivervoer, stel ik hierbij bezwaar in.

Gevolg hiervan is o.a. dat het traject bij Jonx moet worden stop gezet.”

3.6.
Verweerder heeft de brief van 24 januari 2019 ter behandeling voorgelegd aan de Commissie bezwaarschriften.
3.7.
De Commissie heeft de gemachtigde op 1 maart 2019 laten weten dat er onderzoek is gedaan waaruit is gebleken dat het bezwaar wordt geacht gericht te zijn tegen het besluit van 12 december 2018. Daarin is jeugdhulp toegekend en daarbij (in overleg met de ouders) besloten dat [naam psycholoog] deze hulp verzorgt. Dat betekent dat [naam psycholoog] ook het budget omtrent vervoer beheert. Omdat niet vóór 24 januari 2019 bezwaar is gemaakt is sprake van termijnoverschrijding. De gemachtigde is in de gelegenheid gesteld de reden van deze termijnoverschrijding nader toe te lichten.
3.8.
In haar brief van 5 maart 2019 betwist de gemachtigde dat het besluit van 12 december 2018 geldt als besluit tot toekenning vergoeding taxikosten/jeugdhulp, zoals thans door de Commissie wordt uitgelegd. Het besluit, zo stelt de gemachtigde, heeft betrekking op de in het ondersteuningsplan opgenomen doelen. Er wordt niets gezegd over een gewijzigde inzet van de taxi. Het besluit van 12 december 2018 gaf daarom geen aanleiding om bezwaar te maken omdat hierin geen besluit is genomen gericht op het rechtsgevolg dat de taxi minder ingezet zou kunnen worden.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de Commissie overgenomen en het bezwaar van verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in verband met termijnoverschrijding.
5. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
5.1.
Over het beroep

De rechtbank overweegt dat verweerder de brief van 24 januari 2019 waarin verzoekster vermeldt “BEZWAARSCHRIFT-SPOED” heeft aan kunnen merken als bezwaar gericht tegen het primaire besluit juist omdat, zie 3.8 en verder 5.2, verweerder meent dat het primaire besluit een beslissing over het taxivervoer behelst. Omdat dit bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn van zes weken na bekendmaking van het primaire besluit is ingediend, heeft verweerder verzoekster terecht de vraag gesteld of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. In reactie hierop heeft verzoekster verweerder uiteengezet dat het primaire besluit geen aanleiding gaf om bezwaar te maken omdat haar immers een jeugdhulpvoorziening in natura werd toegekend en geen besluit is genomen over de vergoeding van taxivervoer.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat verzoekster de ontvangst van het primaire besluit niet heeft betwist “dan wel andere verschoonbare redenen heeft aangevoerd wegens het te laat indienen van het bezwaar”, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Verweerder neemt daarbij het standpunt in dat bij de toekenning van jeugdhulp en het daarbij behorende ondersteuningsprofiel en de intensiteit, ook het vervoer is begrepen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder hierbij ten onrechte niet nader uiteengezet dat en waarom het primaire besluit voor verzoekster kenbaar tevens een besluit over het taxivervoer impliceert. Dit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet uit het primaire besluit. Hierin staat vermeld dat [naam verzoekster] hulp nodig heeft om een aantal resultaten te bereiken en dat deze resultaten met ondersteuningsprofiel 6 kunnen worden bereikt. In het primaire besluit van 12 december 2018 komt het woord “taxi(kosten)vervoer” zelfs in het geheel niet voor, zodat het onbegrijpelijk is dat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard zonder daarbij in te gaan op de reactie van de gemachtigde van 5 maart 2019. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter maakt de onduidelijkheid van het primaire besluit het verschoonbaar dat verzoekster te laat bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit.

Dit betekent dat verweerder het bezwaar niet op basis van deze motivering niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.

Gezien het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal alsnog op het bezwaar van verzoekster moeten beslissen.

5.2.
In dit kader overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.In het advies van de Commissie dat, zo blijkt uit het bestreden besluit, door verweerder volledig is overgenomen is het volgende uiteengezet:
Sinds november 2018 is [naam psycholoog] en [zorgaanbieder] gecontracteerd bij het Sociaal Domein Friesland (SDF). [naam psycholoog] en [zorgaanbieder] ontvangen voor de zorg van C. een budget voor zorg van € 25.200,-, gebaseerd op het ondersteuningsplan 6 met intensiteit F.

Zoals uit onder meer de kennisbank van SDF blijkt, worden binnen de contracten voor de jeugdhulp integrale tarieven gehanteerd, waarbij alle voorkomende kosten voor de dienstverlening (zoals de kosten voor vervoer of diagnose) zijn inbegrepen in het tarief. In die kennisbank is eveneens specifiek opgenomen dat de kosten van het vervoer voor de zorgaanbieders is, ongeacht welk type jeugdhulp zij bieden. Dit betekent dat de zorgaanbieder het vervoer dient te regelen en te betalen, ongeacht of dit vervoer van en naar school of van en naar locatie jeugdhulp betreft. De gemeente is, zo blijkt, hier dus niet verantwoordelijk voor. (…) Aldus stelt de commissie vast dat het college enkel kan besluiten tot het al dan niet toekennen van jeugdhulp en het daarbij horende ondersteuningsprofiel en de -intensiteit. Daarin begrepen is dan ook het vervoer, naar beoordeling van de zorgaanbieder. Een ander besluit, waarbij specifiek zou worden besloten tot al dan niet toekenning van vervoer, kan het college derhalve in dit kader niet nemen.

5.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de Commissie verwijst naar de omstandigheid dat binnen de overeenkomst Specialistische Jeugdhulp in Friesland de tarieven zijn berekend inclusief alle voorkomende kosten waaronder vervoer. Deze berekening gaat er in eerste instantie vanuit dat de ouders of het netwerk het vervoer zelf regelen. Alleen in uitzonderingsgevallen waarin de ouders/het netwerk de jeugdige niet zelf kunnen vervoeren is de zorgaanbieder verplicht dit te regelen. De gehanteerde tarieven zijn derhalve integrale tarieven, waarbij alle voorkomende kosten voor de dienstverlening zijn inbegrepen in het tarief en voor rekening zijn van de gecontracteerde zorgaanbieder, aldus deze overeenkomst.
6.
7. Aanleiding bestaat verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op € 1.536,- (het indienen van een beroepschrift, het indienen van een verzoekschrift en voor het bijwonen van de zitting op 25 juli 2019) voor verleende rechtsbijstand en op € 23,92 (aan reiskosten van moeder) en op € 33,84 (aan reiskosten van vader).
Het vorenstaande laat naar het oordeel van de voorzieningenrechter onverlet dat alle besluiten met betrekking tot de Jeugdwet onder algehele verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan dienen te worden genomen. Dat geldt ook voor besluitvorming over de kosten van vervoer naar de zorgverlener (en eventueel ook breder). De verantwoordelijk-heid hiervoor kan niet worden overgeheveld naar diezelfde zorgverlener. In feite weet verzoekster door deze wijze van verstrekking van een maatwerkvoorziening tot op heden niet of en zo ja in welke mate zij kan rekenen op een taxikostenvergoeding. Een dergelijke werkwijze zou betekenen dat verzoekster in het ongewisse blijft omtrent haar rechten op een taxikostenvergoeding en dat de zorgverlener per consult op een dergelijk verzoek zou moeten beslissen. Dit acht de voorzieningenrechter strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel en komt bovendien naar het oordeel van de voorzieningenrechter de verhouding tussen cliënt en zorgverlener zeker niet ten goede. Het is het bestuursorgaan zelf dat de rechten van verzoekster op basis van deugdelijk onderzoek nader dient te concretiseren en vast dient te leggen in een besluit, waarbij de zorgverlener hooguit een adviserende rol kan spelen.
Er bestaat aanleiding voor het treffen van een voorziening. Het gehele dossier wekt (zeker tot begin november 2018) de indruk dat verzoekster recht heeft op vergoeding van taxikosten door verweerder. Daarom bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorziening. De voorzieningenrechter draagt verweerder op binnen twee weken na heden de factuur CaB 246211 van Taxicentrale [naam taxicentrale] ad € 1.060,- te betalen.
Hoewel verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, acht de voorzieningenrechter het daarnaast aangewezen dat verweerder bij afzonderlijk (primair) besluit beslist over de taxiververgoeding voor verzoekster. Verzoekster heeft meermalen om duidelijkheid hierover gevraagd en verweerder heeft te lang getalmd met het nemen van een duidelijke beslissing hierover. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de brief van 29 november 2018 waarin [naam gezinswerker] , gezinswerker, afspraken op papier heeft gezet, niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Vanwege het belang dat verzoekster heeft bij duidelijkheid over de vergoeding van het taxivervoer, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder dit besluit binnen twee weken na verzending van deze uitspraak dient te nemen. Verweerder dient daarbij hetgeen is overwogen in 5.3 in acht te nemen. De omstandigheid dat verweerder dit primaire besluit op last van de voorzieningenrechter dient te nemen, kan verweerder betrekken bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar.

beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 mei 2019 en bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar van verzoekster beslist;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na heden de factuur CaB 246211 van Taxicentrale [naam taxicentrale] ad € 1.060,- te betalen. Tevens wordt verweerder opgedragen binnen twee weken een primair besluit te nemen over het recht van verzoekster op een taxivergoeding.
- draagt verweerder op de door verzoekster betaalde griffierechten van in totaal € 94,- te vergoeden.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van in totaal € 1.593,76.
De voorzieningenrechter:

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H.J. Boerma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Tegen de toekenning van de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.