Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:3465

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:3465, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/830286-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:3465:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/830286-18ter berechting gevoegd parketnummer 18/830303-18
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 augustus 2019 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],wonende te [straatnaam], [woonplaats],thans gedetineerd te PI Almelo.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 juli 2019.Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 24 november 2018 te Delfzijl met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (in vestiging van [benadeelde partij 1] aan [straatnaam]) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 355 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte opzettelijk dreigend een mes heeft getoond aan die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) heeft gezegd: "Dit is een overval. Ik wil geld uit de kassa" en/of "Nee, het is serieus. Ik wil geld zien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2. (gevoegd parketnummer 18/830303-18) hij op of omstreeks 09 december 2018 te Delfzijl ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (de winkel/shop van) dat tankstation in binnengegaan en/of (vervolgens) dreigend een mes heeft gepakt en/of in zijn hand(en) heeft gehouden en/of (daarbij) heeft gezegd: "Dit is een overval, ik wil geld zien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde onder 1 en 2.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de overval en de poging tot overval, zoals ten laste gelegd onder 1 en 2, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, nu ondanks het hoge knulligheidsgehalte ervan wel voldaan is aan het dreigingscriterium.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.Deze opgave luidt als volgt:
T.a.v. het ten laste gelegde onder 1:

T.a.v. het ten laste gelegde onder 2:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 juli 2019;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 november 2018, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier met nummer 201830931 d.d. 25 november 2018, inhoudende de verklaring van [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] [straatnaam] te Delfzijl;3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 24 november 2018, opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige].
1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 juli 2019;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 9 december 2018, opgenomen op pagina 23 e.v. van het dossier met nummer 2018322428 d.d. 9 januari 2019, inhoudende de verklaring van [medewerker 2] namens [benadeelde partij 2] te Delfzijl.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.hij op 24 november 2018 te Delfzijl met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, in een vestiging van [benadeelde partij 1] aan [straatnaam], [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 355 euro, toebehorende aan [benadeelde partij 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte opzettelijk dreigend een mes heeft getoond aan die [slachtoffer 1] en daarbij heeft gezegd: "Dit is een overval. Ik wil geld uit de kassa" en "Nee, het is serieus. Ik wil geld zien";
2. (gevoegd parketnummer 18/830303-18) hij op 9 december 2018 te Delfzijl ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [benadeelde partij 2], in de winkel van dat tankstation is binnengegaan en vervolgens dreigend een mes heeft gepakt en in zijn hand heeft gehouden en daarbij heeft gezegd: "Dit is een overval, ik wil geld zien", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. afpersing;2. poging tot afpersing.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar geacht moet worden.
Standpunt van de officier van justitie

Ook de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages betreffende verdachte, welke rapporten beide zijn opgemaakt op 25 april 2019, respectievelijk opgesteld door C. Sipma, GZ-psycholoog, en D.T. van der Werf, psychiater.
Verdachte heeft meegewerkt aan de onderzoeken. Beide deskundigen zijn van mening dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en ziekelijke stoornissen. De psychiater heeft bij verdachte een antisociale en borderlinepersoonlijkheidsstoornis vastgesteld, alsmede een ziekelijke stoornis in de vorm van een ongespecificeerde psychotische stoornis en een disruptieve impulsbeheersingsstoornis. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. De psycholoog is van mening dat bij verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis (met zowel antisociale als borderline kenmerken) en een psychotische stoornis. Voornoemde stoornissen bestonden ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde en zijn van invloed geweest op verdachtes denken en handelen ten tijde van het ten laste gelegde.Nu er een duidelijk verband is tussen de stoornissen en de ten laste gelegde feiten, adviseren beide deskundigen om verdachte de ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank neemt bovenstaande conclusies over, maakt die tot de hare en verklaart verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Verdachte is daarmee strafbaar, nu er geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

overwegingen

Motivering van straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1 en 2 de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden zal worden opgelegd, welke maatregel dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard. Verder heeft de officier van justitie gevorderd een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM-maatregel) op te leggen op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van tbs met voorwaarden. Met betrekking tot de eventuele oplegging van een GVM-maatregel heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf en maatregelen heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia rapportages van 25 april 2019, het reclasseringsadvies van 10 juli 2019 en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 24 november 2018 schuldig gemaakt aan een overval op een [benadeelde partij 1] in Delfzijl. Verdachte heeft, onder bedreiging van een mes, een medewerkster van de [benadeelde partij 1] gedwongen tot afgifte van € 355,-. Verdachte heeft verklaard zich te hebben laten leiden door financieel gewin, maar ook door behoefte aan hulp en begeleiding. Voor voornoemd feit is verdachte in voorlopige hechtenis gesteld. Op 9 december 2019, enkele dagen na de schorsing van deze voorlopige hechtenis, heeft verdachte gepoogd, wederom onder bedreiging van een mes, een overval te plegen op [benadeelde partij 2]. Door te handelen als voornoemd heeft verdachte zich slechts laten leiden door zijn eigen financieel gewin en zijn behoefte aan hulp, terwijl hij zich geen moment heeft bekommerd om de impact die zijn strafbaar handelen heeft gehad op de slachtoffers. De door verdachte gepleegde strafbare feiten brengen daarnaast in het algemeen ook bij andere burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.
De rechtbank betrekt bij de straftoemeting dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor verschillende pogingen tot het plegen van overvallen.

Hiervoor (onder het kopje 'strafbaarheid van verdachte') heeft de rechtbank de resultaten van het psychiatrische en psychologische onderzoek weergegeven met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte zoals die blijken uit de rapportages van de psychiater en de GZ-psycholoog. De psychiater merkt in zijn rapportage ten aanzien van de vraag welke straf of maatregel moet worden opgelegd het volgende op. Het recidiverisico wordt aanzienlijk en blijvend geacht, tenzij verdachte langdurige begeleiding krijgt en hij dat blijft toestaan en gemonitord wordt binnen een beschermende verblijfsomgeving, nu het daarbuiten ontbreekt aan de benodigde beschermende factoren. Een dwingend kader is ook voor de lange termijn noodzakelijk, waarbij een voorwaardelijk strafdeel mogelijk te kort van duur zal zijn om het recidiverisico in te perken. Verdachte dient duurzaam binnen een dwingend behandelkader in een specifieke forensische LVB-wooninstelling verblijven, welke gezien de benodigde duur van het behandelkader het beste via een tbs-maatregel te waarborgen is. Op die wijze kunnen vele risicofactoren op een gecontroleerde wijze verkleind worden. Aanvullend kan een GVM-maatregel worden opgelegd, zodat aan verdachte langer een dwingend kader geboden kan worden als dat in de toekomst noodzakelijk wordt geacht.De psycholoog onderschrijft het rapport van de psychiater grotendeels, maar rapporteert ook het volgende. Aan verdachte kan een deels voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegde met bijzondere voorwaarden, in combinatie met een GVM-maatregel. Binnen een klinische behandeling kan worden toegewerkt naar plaatsing in een beschermde woonvorm voor mensen met een licht verstandelijke beperking, waar 24-uurs begeleiding kan worden gegeven. Ook een tbs-maatregel met voorwaarden kan worden overwogen, met dien verstande dat er, mede gelet op de fysieke beperkingen van verdachte en de aard van de door hem gepleegde (eerdere) delicten, sprake is van een verlaagde kans op herhaling van ernstig psychisch of lichamelijk letsel voor anderen. Oplegging van een tbs-maatregel wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van 10 juli 2019, welk advies ter terechtzitting nader is toegelicht. De reclassering heeft geadviseerd in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden de volgende voorwaarden op te leggen: opname in Trajectum Berkelland, waarbij verdachte zich houdt aan de huisregels, medewerking aan indicatiestelling en plaatsing indien tijdens de behandeling een overgang naar ambulante zorg, begeleid of beschermd wonen, dan wel maatschappelijke opvang gewenst is, reclasseringscontact, een drugs- en alcoholverbod en het inzicht verschaffen in verdachtes financiën en zijn sociale netwerk. De reclassering heeft geadviseerd de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden te gelasten. Tot slot heeft de reclassering geadviseerd in aanvulling op de tbs-maatregel een GVM-maatregel op te leggen.
Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, mede gelet op het strafblad van verdachte, in beginsel een forse gevangenisstraf rechtvaardigen. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en gelet op de oplegging van de hierna te noemen maatregelen die de rechtbank aan verdachte zal opleggen, zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur die verdachte in voorarrest heeft gezeten.
TBS met voorwaarden

De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de ziekelijke stoornissen, alsmede de behandelbehoefte uit de voornoemde Pro Justitia rapportages over. Gelet op de divergerende adviezen van de psychiater en de psycholoog omtrent de afdoening van de zaak, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden in deze zaak passend en geboden is.
De rechtbank is van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en voorwaarden betreffende zijn gedrag dienen te worden gesteld, nu bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist. De rechtbank zal gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld onder de voorwaarden zoals door de reclassering in bovengenoemd rapport is geadviseerd. Deze voorwaarden zijn ook ter zitting met verdachte besproken en verdachte heeft verklaard zich hieraan te willen houden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van haar beslissing om te kiezen voor oplegging van voorwaarden binnen het kader van een tbs en niet, zoals door de psycholoog geadviseerd, binnen het kader van een voorwaardelijke straf, het volgende. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de inhoud van de rapportages van de deskundigen is het onverantwoord om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De kans op herhaling is groot, mede gelet op verdachtes strafblad waaruit blijkt van eerdere pogingen om overvallen te plegen en het feit dat verdachte de bewezenverklaarde feiten in een korte periode achter elkaar heeft gepleegd en het laatste feit bovendien plaatsvond terwijl verdachte onder voorwaarden geschorst was. Een dwingend kader is ook voor de lange termijn noodzakelijk, omdat een proeftijd van een voorwaardelijk strafdeel mogelijk te kort van duur zal zijn om het recidiverisico in te perken. De rechtbank is daarom van oordeel dat oplegging van een tbs-maatregel proportioneel is en dat een alternatief niet volstaat.

De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen, zodat, met het oog op artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, de totale duur van de terbeschikkingstelling niet beperkt is tot de duur van vier jaren.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen. De rechtbank zal derhalve bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr

De rechtbank leidt uit de stukken omtrent de persoon van verdachte af dat de kans op herhaling van het plegen van soortgelijke feiten aanzienlijk is. Bij verdachte is sprake van complexe problematiek op grond waarvan langdurig toezicht op verdachte is vereist om het recidiverisico in te kunnen perken. Mede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om verdachte, ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden langdurig onder toezicht te stellen noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst terug te kunnen dringen, dan wel op een aanvaardbaar niveau te houden. De rechtbank constateert verder dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een GVM-maatregel is voldaan. De rechtbank zal daarom tot slot, in navolging van het advies van de reclassering en de psychiater en de psycholoog, aan verdachte tevens een GVM-maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van deze maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de GVM-maatregel pas kan worden tenuitvoergelegd na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie bij beëindiging van de tbs en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank.

Beslag
De rechtbank acht het in beslag genomen mes, kleur blauw, zoals vermeld op de beslaglijst, vatbaar voor verbeurdverklaring nu het bewezenverklaarde onder 1 met voornoemd mes is begaan en deze toebehoort aan verdachte.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 257 dagen.

1. veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;2. veroordeelde begeeft zich niet zonder toestemming buiten de Europese landsgrenzen van Nederland. Veroordeelde overlegt hierover vooraf met de reclassering, het Openbaar Ministerie beslist;3. veroordeelde verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing;4. veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat:- veroordeelde meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een geldig identiteitsbewijs (als bedoelde in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit;- veroordeelde zich meldt op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dat nodig acht;- veroordeelde zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;- veroordeelde medewerking verleent aan huisbezoeken;- veroordeelde inzicht geeft aan de reclassering over de voortgang van de begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;- veroordeelde niet verhuist of verandert van adres zonder toestemming van de reclassering;- veroordeelde medewerking verleent aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde als dat van belang is voor het toezicht;5. veroordeelde laat zich opnemen in Trajectum Berkelland, of soortgelijke instantie, zolang de reclassering dat nodig acht. Veroordeelde volgt de aanwijzingen van de behandelaars conform de op te stellen (delictpreventieve) behandelovereenkomst en het nader te formuleren behandelplan op. Dit behandelplan zal op geëigende momenten bijgesteld en nader gespecificeerd worden;6. veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling aan hem geeft in het kader van de behandeling, ook als dit inhoudt het innemen van medicatie die nodig is voor de behandeling;7. veroordeelde werkt mee aan indicatiestelling en plaatsing indien tijdens de behandeling een overgang naar ambulante zorg, begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang gewenst is, zulks ter beoordeling van de reclassering. Veroordeelde zal zich committeren aan het nazorgtraject waarvan te zijner tijd invulling gegeven zal worden. Dit omvat tevens het kiezen van een woonplek na overleg en toestemming van de reclassering. Contact en afstemming met de wijkagent zal in de (nieuwe) woonomgeving tot stand gebracht worden;8. veroordeelde onderhoudt contact met de reclassering en verschaft zicht op de voortgang van zijn behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen, welke gaandeweg de behandeling geformuleerd zullen worden, te geven door of namens de reclassering. De reclassering zal contact onderhouden met zowel de behandelaars als met veroordeelde;9. veroordeelde onthoudt zich van alcohol- en drugsgebruik, tenzij hiervoor toestemming gegeven wordt door de begeleidende instellingen en de reclassering. Veroordeelde werkt mee aan controles op indicatie en steekproefsgewijs;10. veroordeelde zal inzicht geven in zijn sociale netwerk en medewerking verlenen, indien geïndiceerd door de behandelaars en/of de reclassering, aan relatiebegeleiding;11. veroordeelde verschaft de reclassering inzicht in zijn financiën en eventuele schulden, zolang de reclassering dat nodig acht. Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan bewindvoering of schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte (hierna ook: veroordeelde)en stelt daarbij de volgende:

Draagt de reclassering op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Legt veroordeelde tevens op de .

Verklaart verbeurd het in beslag genomen mes, kleur blauw.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. R.R. van der Heide, rechters, bijgestaan door mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 augustus 2019.