Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:3464

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:3464, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/830012-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:3464:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/830012-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 augustus 2019 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],wonende te [straatnaam], [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 juli 2019.Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Schlepers, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.
Tenlastelegging
Aan verdachte zijn de volgende feiten ten laste gelegd:
- tegen het hoofd, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of- tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag),terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- tegen het hoofd, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of- tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag);
2. hij op of omstreeks 16 januari 2019 te Hoogezand, op de openbare weg, te weten in een steeg grenzend aan een parkeerterrein gelegen tussen de [straatnaam] en de [straatnaam] aldaar (zie nr. 3 en 4 op de plattegrond behorende hij het proces-verbaal, blz. 50), in de gemeente Midden-Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ketting, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om hij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het: - tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen en/ofhet (daarbij) vasthouden van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of- het van de hals rukken van de ketting van die [slachtoffer 1];
1.hij op of omstreeks 16 januari 2019 te Hoogezand, in de gemeente Midden-Groningen (op een terrein bij garageboxen, gelegen aan de [straatnaam] aldaar, zie nr. 1 op de plattegrond behorende bij het proces-verbaal, blz. 50), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen):
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 januari 2019 te Hoogezand, in de gemeente Midden-Groningen, op een terrein bij garageboxen, gelegen aan de [straatnaam] aldaar, zie nr. 1 op de plattegrond behorende bij het proces-verbaal, blz. 50), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door:

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A.hij op of omstreeks 16 januari 2019 te Hoogezand, in de gemeente Midden-Groningen (in een steeg grenzend aan een parkeerterrein gelegen tussen de [straatnaam] en de [straatnaam] aldaar, zie nr. 3 en 4 op de plattegrond behorende bij het proces-verbaal, blz. 50), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of testompen;
B.hij op of omstreeks 16 januari 2019 te Hoogezand, in de gemeente Midden-Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ketting en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde onder 1 primair en 2 primair en heeft daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd. Er is sprake geweest van twee kort op elkaar volgende geweldsexplosies. Hoewel, gezien de tegenstrijdige verklaringen in het dossier, onduidelijk is welke rol verdachte en zijn broer, medeverdachte [medeverdachte], hebben gespeeld met betrekking tot feit 1 primair, kan het bewijs voor feit 1 primair geconstrueerd worden via het bewijs voor feit 2 primair. Tussen de verdachten is met betrekking tot beide geweldsincidenten sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit blijkt onder meer uit het gezamenlijk, agressief kloppen op de deur van [slachtoffer 2] en het feit dat kort daarna een tweede geweldsincident plaatsvindt waarbij verdachten zijn betrokken. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] en de getuigenverklaring van [getuige] Pijl blijkt duidelijk welke rol door welke verdachte is vervuld ten aanzien van het als feit 2 primair ten laste gelegde tweede geweldsincident. Deze verklaringen in samenhang bezien met de verklaring van [slachtoffer 2] dat verdachte bij het eerste geweldsincident aangever [slachtoffer 1] heeft geslagen, maakt de rollen van de beide verdachten ten aanzien van dit feit 1 primair ook duidelijk. Ten aanzien van feit 1 primair is sprake van het medeplegen van een poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel door te slaan en te schoppen. Ten aanzien van feit 2 primair is sprake van het in vereniging plegen van diefstal met geweld van een ketting nu de ketting van aangevers hals is gerukt en door de verdachten klappen zijn uitgedeeld.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd. Met betrekking tot het onder 2 subsidiair onder A ten laste gelegde medeplegen van mishandeling heeft verdachte weliswaar erkend dat hij aangever [slachtoffer 1] tweemaal heeft geslagen richting het hoofd/bovenlichaam, maar niet kan worden vastgesteld of en waar verdachte [slachtoffer 1] daadwerkelijk geraakt heeft. Daarnaast is geen sprake geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dat kan worden gesproken van medeplegen. Derhalve dient voor dit feit vrijspraak te volgen.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2 primair en feit 2 subsidiair onder B niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Aangever [slachtoffer 1] heeft met betrekking tot feit 1 bij de politie kennelijk tegenstrijdige verklaringen afgelegd. In zijn verklaring van 17 januari 2019 geeft [slachtoffer 1] aan dat meerdere mannen hem sloegen, terwijl de rechtbank in zijn verklaring van 24 januari 2019 leest dat maar één man geweld tegen hem heeft gepleegd, waarbij [slachtoffer 1] specifiek noemt dat hij geschopt is door de man met het gekrulde, rechtopstaande haar. De rechtbank leidt uit de foto's die op de SKDB-Informatiestaten van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] staan weergegeven en op 16 januari 2019 zijn genomen, af dat verdachte meer voldoet aan het signalement van de man met het gekrulde, rechtopstaande haar dan medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank acht derhalve aanwijzingen aanwezig dat aangever [slachtoffer 1] met de man met het gekrulde, rechtopstaande haar verdachte bedoelt. Het voorgaande staat echter haaks op de verklaring van [slachtoffer 2], die medeverdachte [medeverdachte] kent en hem juist aanwijst als de persoon die geweld heeft gepleegd jegens [slachtoffer 1]. Nu op basis van het dossier niet met zekerheid valt vast te stellen dat verdachte bij het ten laste gelegde onder 1 primair, dan wel 1 subsidiair betrokken was, zal de rechtbank verdachte hiervan vrijspreken.Met betrekking tot de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal met geweld overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde diefstal van de ketting van aangever [slachtoffer 1]. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal met geweld en van het onder 2 subsidiair onder B ten laste gelegde medeplegen van diefstal.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

T.a.v. feit 2 subsidiair onder A

De rechtbank overweegt met betrekking tot feit 2 subsidiair onder A als volgt. Op 16 januari 2019 heeft in een steeg tussen de [straatnaam] en de [straatnaam] in Hoogezand een schermutseling plaatsgevonden, waarbij zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] betrokken zijn geweest. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn broer hem had gevraagd om mee te gaan en hem te chaufferen, omdat hij zelf niet over een rijbewijs beschikte. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte] in een auto heeft gewacht totdat aangever [slachtoffer 1] verscheen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn toen samen op [slachtoffer 1] afgegaan en vervolgens is [slachtoffer 1] geslagen. Uit de verklaring van getuige [getuige] Pijl leidt de rechtbank af dat aangever [slachtoffer 1] is vastgehouden door de bijrijder van de auto, te weten medeverdachte [medeverdachte], terwijl de bestuurder van de auto, verdachte, aangever meermalen sloeg.De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de mishandeling van [slachtoffer 1]. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van mishandeling bewezen. De rechtbank verwerpt het verweer dat het slaan van [slachtoffer 1] slechts ter afwering is geweest, omdat [slachtoffer 1] eerst geweld zou hebben gebruikt in de richting van verdachte of medeverdachte [medeverdachte], nu op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat er enige vorm van geweld van [slachtoffer 1] is uitgegaan ten opzichte van verdachte of medeverdachte [medeverdachte].
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 januari 2019, opgenomen op pagina 47 e.v. van het dossier met nummer 2019089447 d.d. 11 april 2019, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:Op 16 januari 2019 was ik aan de [straatnaam] in Hoogezand. Ik liep door een steeg tussen de [straatnaam] en de [straatnaam]. Aan dat steegje zit een parkeerterrein. Ik zag een grijze Seat Toledo staan (. Er kwamen een aantal mensen uit de auto en die renden op mij af. Ik zag dat getinte mannen op mij af renden. Ze zagen er voor mij uit als Antillianen. Op dat moment begonnen zij mij te slaan. Ik voelde klappen over mijn hele lichaam. Ik voelde daardoor pijn. Dit gebeurde in de steeg tussen de [straatnaam] en de [straatnaam] (.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 17 januari 2019, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:Op 16 januari 2019 bevond ik mij op het adres [straatnaam] in Hoogezand. Ik ben achter [slachtoffer 1] aangerend in de richting van de woning aan de [straatnaam] waar [slachtoffer 1] en zijn vrouw op bezoek waren. Ongeveer halverwege zag ik een personenauto stilstaan. Ik zag dat er twee mannen uitstapten. Eentje vanachter het stuur en eentje van de bijrijderszitplaats. Ik zag dat de manspersoon, die vanachter het stuur was uitgestapt, mijn zwager [slachtoffer 1] twee vuistslagen gaf. Ik zag dat deze persoon tweemaal met zijn rechter hand of vuist uithaalde in de richting van [slachtoffer 1]. Kennelijk werd [slachtoffer 1] geraakt, want ik zag dat [slachtoffer 1] in elkaar zakte en naar de grond ging. Ik zag ook dat de bijrijder van bedoelde personenauto, [slachtoffer 1] daarbij vasthield, terwijl [slachtoffer 1] geslagen werd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 2 subsidiair onder A wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
2. subsidiairA.hij op 16 januari 2019 te Hoogezand, in de gemeente Midden-Groningen, in een steeg grenzend aan een parkeerterrein gelegen tussen de [straatnaam] en de [straatnaam] aldaar, zie nr. 3 en 4 op de plattegrond behorende bij het proces-verbaal, blz. 50, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
2. subsidiair A medeplegen van mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair en feit 2 primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daarbij oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden gevorderd: meldplicht bij de reclassering, het volgen van een ambulante behandeling, een alcoholverbod en een contactverbod. Bij de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het strafblad van verdachte en met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten onder invloed van alcohol verkeerde.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, mocht de rechtbank komen tot een strafoplegging, aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Verdachte heeft zijn leven op orde en voorziet in het levensonderhoud van zijn gezin. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou betekenen dat verdachte zijn baan kwijtraakt en dat het gezin geen inkomen meer heeft. Verdachte is bereid en in staat een taakstraf uit te voeren, dan wel een geldboete te betalen, bij voorkeur in termijnen. Mocht de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel passend vinden, dan is verdachte bereid zich te houden aan alle door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 18 april 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn broer [medeverdachte] schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer 1] door hem meermalen te slaan. Verdachte heeft door het plegen van voornoemd feit inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en gevoelens van onveiligheid teweeg gebracht.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hoogte van de straf mee dat het initiatief voor het opzoeken van de confrontatie met [slachtoffer 1] van medeverdachte [medeverdachte] uitging. De rechtbank neemt daarentegen ook in aanmerking dat verdachte kennelijk niet schroomt om zijn broer bij te staan bij het plegen van geweld, terwijl verdachte de geweldshandelingen heeft gepleegd onder invloed van alcohol op de openbare weg. De rechtbank rekent verdachte het voorgaande aan.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat verdachte in het verleden herhaaldelijk onherroepelijk veroordeeld voor het plegen van verschillende strafbare feiten, waaronder voor het plegen van geweldsdelicten. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een forse taakstraf in deze zaak passend en geboden is. De rechtbank zal daarom aan verdachte een taakstraf opleggen van na te noemen duur, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.

Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 47, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde onder 1 primair en subsidiair en het ten laste gelegde onder 2 primair en subsidiair onder B niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 subsidiair onder A ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. R.R. van der Heide, rechters, bijgestaan door mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 augustus 2019.