Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:3018

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 11-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:3018, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/133485-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:3018:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/133485-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 juli 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],wonende te [woonplaats], [straatnaam].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 juni 2019.Verdachte is verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
- zich in de buurt van die [slachtoffer] en/of haar gezin op te houden en/of door bij de woning van die [slachtoffer] en/of haar gezin en/of de school van haar kinderen (onnodig) langs te rijden, en/of- biedingen te doen en/of reacties te plaatsen op/bij advertenties die door/namens die [slachtoffer] , onder haar eigen naam en/of verzonnen naam en/of op de naam van haar echtgenoot, op internetsite Marktplaats waren gezet, en/of- opmerkingen te plaatsen bij (bank)overschrijvingen, en/of- email(s) naar die [slachtoffer] te sturen,met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
1hij op of omstreeks 6 december 2016 te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een door hem, verdachte, bestuurde auto op die [slachtoffer] is in- of aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 december 2016 te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een door hem, verdachte, bestuurde auto op die [slachtoffer] is in- of aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 december 2016 te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, [slachtoffer] heeft mishandeld door met een door hem, verdachte, bestuurde auto op die [slachtoffer] in- of aan te rijden, waarbij die [slachtoffer] aan/op haar (rechter) scheenbeen werd geraakt;

2.hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2016 tot en met 29 mei 2017 te Nieuwe Pekela, gemeente Pekela, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] ,door in bovenvermelde periode, op verschillende tijdstippen (telkens) ongewenst en/of hinderlijk
overwegingen

Beoordeling van het bewijs

Feit 1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 ten laste gelegde feit omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.
Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe dat de aangifte gedaan door [slachtoffer] onvoldoende door andere bewijsmiddelen in het dossier wordt ondersteund. De verklaring van getuige [getuige] dat zij van een van de dochters van aangever en verdachte heeft gehoord dat zij verdachte in de auto heeft zien rijden en op aangeefster instuurde, is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om als steunbewijs voor de aangifte te dienen. De rechtbank overweegt daartoe dat het een verklaring ‘van horen zeggen’ betreft, dat de minderjarige dochter niet in een kindervriendelijke studio door daartoe opgeleide verhoorders is verhoord en uit de verklaring bovendien niet blijkt dat de dochter de daadwerkelijke aanrijding heeft gezien.
Feit 2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 2 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier en de verklaringen van verdachte zelf blijkt dat hij meerdere malen door de straat waar aangeefster woont is gereden, dat hij meerdere keren vervelende teksten heeft geplaatst bij advertenties van aangeefster op Marktplaats en bij bankoverschrijvingen en dat hij een kwetsende e-mail heeft verstuurd. Verdachte heeft aangeefster hiermee gedwongen om te dulden dat hij op ongewenste wijze contact met haar had en dat was ook zijn bedoeling. De stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster kan daarmee wettig en overtuigend bewezen worden.
Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. De Hoge Raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Uit het dossier blijkt dat verdachte wel eens langs het huis van aangeefster is gereden en ook heeft hij de kinderen, waarvan aangeefster en verdachte de ouders zijn, wel eens opgezocht op de school. Uit het dossier komt echter niet duidelijk naar voren hoe vaak hiervan sprake is geweest. De rechtbank acht hierbij overigens van belang dat er, anders dan aangeefster kennelijk meende, gedurende de ten laste gelegde periode geen contactverbod gold voor verdachte om aangeefster of zijn kinderen – over wie hij nog altijd het gezag had – te zien, zodat het, zeker voor wat betreft het opzoeken van de kinderen, maar zeer de vraag is of (al) deze contacten als wederrechtelijk kunnen worden beschouwd.
Verdachte heeft voorts door te reageren op Marktplaatsadvertenties en door teksten te schrijven bij bankoverschrijvingen geprobeerd contact te maken met aangeefster. Dit was, blijkens de stukken in het dossier, in de maanden april en mei 2017. Er is één e-mailbericht van verdachte aan het dossier toegevoegd, verzonden op 13 mei 2017.Naar het oordeel van de rechtbank is de duur en de frequentie van voornoemde handelingen betrekkelijk kort en beperkt geweest. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat een korte en beperkte duur en frequentie de stelselmatigheid niet hoeft uit te sluiten, maar dat in een dergelijke situatie dan compenserend sprake moet zijn van een zeer indringende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavige zaak sprake is geweest van een zekere regelmaat in verdachtes gedragingen, maar dat de aard en de intensiteit daarvan niet zodanig was dat verdachte daarmee een dusdanig indringende invloed heeft gehad op het persoonlijk leven van aangeefster waardoor dit handelen als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster kan worden aangemerkt.

Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 686,68 ter vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij is met name gestoeld op feit 1. Daarvoor heeft de officier van justitie een vrijspraak gevorderd. Voorts is sprake van een situatie waarbij meerdere factoren een rol spelen, zodat de vordering niet eenvoudig is. De vordering moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt van de verdediging

De vordering benadeelde partij moet worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ten aanzien van 18/133485-18, feit 1 en 2:Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juli 2019.Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.