Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:2987

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 11-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:2987, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/830332-16


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:2987:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/830332-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 juli 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 december 2016, 20 februari 2017, 21 april 2017 en 27 juni 2019.Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 september 2016 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, met kracht en/of ongecontroleerd op/tegen het hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen, en/of (vervolgens) die [slachtoffer] heeft opgetild en op/tegen de grond gegooid, althans laten vallen, waarbij die [slachtoffer] met zijn hoofd op/tegen de grond is gekomen, en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) hem heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, en/of (daarbij) die [slachtoffer] in een wurggreep heeft genomen, althans vastgepakt (gehouden), door zijn, verdachtes, arm om/rond de nek/hoofd van die [slachtoffer] te doen (houden) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Groningen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten traumatisch hersenletsel, diffuse schade aan (zenuwcellen) hersenbalk, (forse) cognitieve stoornissen/beperkingen en/of gedragsmatige veranderingen, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en/of te slaan, en/of (vervolgens) die [slachtoffer] op te tillen en/of op/tegen de grond te gooien, althans te laten vallen, waarbij die [slachtoffer] met zijn hoofd op/tegen de grond is gekomen, en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) hem te stompen/slaan en/of te schoppen/trappen, en/of (daarbij) die [slachtoffer] in een wurggreep te nemen, althans vast te pakken en/of te vastgepakt te houden, door zijn, verdachtes, arm om/rond de nek/hoofd van die [slachtoffer] te doen (houden);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 september 2016 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en/of te slaan, en/of (vervolgens) die [slachtoffer] op te tillen en/of op/tegen de grond te gooien, althans te laten vallen, waarbij die [slachtoffer] met zijn hoofd op/tegen de grond is gekomen, en/of (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) hem te stompen/slaan en/of te schoppen/trappen, en/of (daarbij) die [slachtoffer] in een wurggreep te nemen, althans vast te pakken en/of te vastgepakt te houden, door zijn, verdachtes, arm om/rond de nek/hoofd van die [slachtoffer] te doen (houden), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten traumatisch hersenletsel, diffuse schade aan (zenuwcellen) hersenbalk, (forse) cognitieve stoornissen/beperkingen en/of (blijvende) gedragsmatige veranderingen, ten gevolge heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van getuige Schoonbeek, blijkt dat verdachte het slachtoffer heeft opgetild en op de grond heeft gegooid. Het slachtoffer lag, als gevolg hiervan, bewegingloos en weerloos op de grond. Verdachte heeft vervolgens het slachtoffer geslagen en geschopt tegen het hoofd, een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam. Meerdere getuigen hebben verklaard dat het leek alsof verdachte tegen een voetbal schopte en dat zij dachten dat het slachtoffer het leven zou laten. Dat verdachte op dat moment op blote voeten was, doet daar niets aan af. Tot slot speelt nog mee dat het slachtoffer op dat moment geen verweer meer bood. Ook blootvoets kan dit ten opzichte van een weerloos slachtoffer zeer wel dodelijke gevolgen hebben. Verdachte heeft door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer aanvaard. Op grond van het voorgaande acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag. Over het bewijs van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich niet expliciet uitgelaten. De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat verdachte zich moest verweren tegen een aanval van het slachtoffer, nu de meest betrouwbare verklaringen erop wijzen dat het juist verdachte was die de aanval heeft ingezet. Om die reden kan naar de mening van de officier van justitie een beroep op noodweer(-exces) niet slagen.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde, nu verdachte niet het opzet had op de dood van het slachtoffer. Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat het onderhavig zwaar lichamelijk letsel niet (geheel) kan worden toegerekend aan het handelen van verdachte, gelet op de aanrijding voorafgaand aan de ruzie en het in 2015 opgelopen traumatisch hersenletsel van het slachtoffer. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat het door verdachte gebruikte geweld noodzakelijk en geboden was om zich te verdedigen tegen de aanval van het slachtoffer. Voor zover de rechtbank zou oordelen dat dit geweld niet proportioneel is geweest, heeft de raadsman betoogd dat zulks verontschuldigbaar was door de gemoedstoestand waarin verdachte door toedoen van het slachtoffer verkeerde.
Oordeel van de rechtbank

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Feitelijke toedracht

De rechtbank heeft de feitelijke toedracht vastgesteld op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, die redengevend zijn voor de na te noemen bewezenverklaring, en op een aantal andere stukken en verklaringen die zijn opgenomen in de voetnoten hieronder. Deze laatste zijn niet strikt redengevend voor de bewezenverklaring, maar schetsen wel een beeld van hetgeen zich tussen verdachte en het slachtoffer heeft afgespeeld en zijn om die reden met name ook van belang zijn voor de beoordeling van het beroep van verdachte op noodweer(-exces).
Uit deze combinatie van bewijsmiddelen volgt dat er op 11 september 2016 een aanrijding tussen het slachtoffer, de heer [slachtoffer] , en verdachte heeft plaatsgevonden op het kruispunt van het Damsterdiep en de Oosterhavenstraat te Groningen. Het slachtoffer is met zijn auto, een zwarte Mercedes, tegen de rechter achterzijde van de auto van verdachte, een grijze Volkswagen Polo, gereden. Verdachte en het slachtoffer zijn vervolgens uit hun auto's gestapt. Op het moment dat het slachtoffer bij verdachte was, sloeg hij verdachte direct met een vuist tegen zijn hoofd en pakte hij hem vast. Daarop ontstond tussen verdachte en het slachtoffer een gevecht. Verdachte pakte het slachtoffer vervolgens met een hand tussen de benen vast waarna hij hem met twee handen optilde. Verdachte heeft het slachtoffer daarna op de grond gegooid. Op het moment dat het slachtoffer op de grond lag, maakte hij nog schoppende bewegingen in de richting van verdachte. Toen het slachtoffer op de grond lag, heeft verdachte hem nog meerdere malen tegen het hoofd geslagen met zijn vuist en met zijn blote voet geschopt. Daarna is het geweld gestopt.

Het slachtoffer is na het incident buiten bewustzijn aangetroffen. Kort na het incident is bij het slachtoffer enig uitwendig letsel waargenomen, namelijk een lichte zwelling boven de rechter wenkbrauw met daarin een schaafwond. Bij nader medisch onderzoek bleek dat er ook sprake was van niet-zichtbaar hersenletsel. Er is (verse) diffuse schade aan de zenuwcellen in het gebied van de hersenbalk aangetroffen. Zoals uit de aangehaalde medische verklaring blijkt moet rekening worden gehouden met blijvende cognitieve beperkingen en gedragsmatige veranderingen.

Poging doodslag en zware mishandeling

Met betrekking tot de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank moet allereerst beoordelen of verdachte met het uitvoeren van de geweldshandelingen opzet, al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, had op de dood van het slachtoffer dan wel op zwaar lichamelijk letsel (traumatisch hersenletsel) bij het slachtoffer. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het onderzoek ter terechtzitting en het dossier bieden, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende aanknopingspunten op basis waarvan vastgesteld kan worden dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had om het slachtoffer te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de door de rechtbank genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte het slachtoffer heeft opgetild en op de grond heeft gegooid. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer een aantal keer met zijn vuisten in het gezicht geslagen en met zijn blote voet geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag. De rechtbank merkt in dit verband op dat het dossier ook getuigenverklaringen bevat die spreken over meer of heftiger geweld dat door verdachte zou zijn gepleegd. De rechtbank constateert echter ook dat deze verklaringen niet consistent zijn over de aard en mate van het geweld of het moment waarop dat gepleegd zou zijn. De rechtbank acht die verklaringen daarom onvoldoende betrouwbaar om aan te kunnen nemen dat er meer is gebeurd dan in de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen wordt verklaard. Zij passen ook niet bij het geconstateerde uitwendige letsel, waarover hieronder meer.

De geweldshandelingen waarvan naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat zij door verdachte gepleegd zijn, zijn in beginsel niet van dien aard dat de kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat op het moment dat het slachtoffer werd opgetild hij nog bij bewustzijn was (hetgeen blijkt uit het feit dat hij zich nog verweerde) en dus de kans had om zijn val te breken. Op grond van de foto’s die zijn gemaakt door de getuige [getuige 7] is aannemelijk dat het slachtoffer dat ook (tot op zekere hoogte) heeft gedaan. Uit deze foto’s blijkt bovendien dat het slachtoffer en verdachte ongeveer dezelfde lichaamsbouw hebben. Verder is niet komen vast te staan met hoeveel kracht verdachte het slachtoffer op de grond heeft gegooid. Het aangetroffen uitwendige letsel bij het slachtoffer, een lichte zwelling boven de rechter wenkbrauw met daarin een schaafwond, duidt er in ieder geval niet op dat verdachte met dermate grote kracht het slachtoffer op de grond heeft gegooid of (vervolgens) in het gezicht heeft gestompt of heeft geschopt dat hij (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer dan wel op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Voornoemde handelingen van verdachte kunnen dan ook niet naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van het slachtoffer dan wel op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat verdachte die kans ook welbewust heeft aanvaard. Er is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die dat in dit geval anders zouden maken.

Die laatste overweging van de rechtbank behoeft enige nadere toelichting. Bij het slachtoffer is immers later in het ziekenhuis traumatisch hersenletsel geconstateerd. Uit de aanwezigheid van dit letsel kunnen naar het oordeel van de rechtbank echter geen harde conclusies worden getrokken over de mate en heftigheid van het geweld dat verdachte heeft toegepast. In het verslag van de behandelend neuroloog van het UMCG valt te lezen dat het slachtoffer in 2015, ongeveer een jaar voor het onderhavige incident, bij een ongeval eveneens traumatisch hersenletsel, in combinatie met een schedelbasisfractuur en een breuk in één van zijn nekwervels had opgelopen. Bij gebreke aan nadere medische informatie valt niet uit te sluiten dat bij het slachtoffer ten tijde van het incident sprake was van één of meer kwetsbare plekken in de schedel of de hersenen, als gevolg waarvan ook een minder zware vorm van geweld tot het thans geconstateerde letsel kan hebben geleid.

Het bovenstaande zegt overigens niets over de vraag of dit letsel aan verdachte kan worden toegerekend. Op die vraag gaat de rechtbank hieronder bij het onderdeel “Causaliteit” nog nader in.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad – ook niet in voorwaardelijke zin – op de dood van het slachtoffer dan wel op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer en zal verdachte van het primair en het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg

Gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte het slachtoffer op de grond heeft gegooid, met zijn vuist in het gezicht heeft geslagen en met de blote voet heeft geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Dat levert in beginsel mishandeling op.De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.
Het slachtoffer heeft door de gedraging van verdachte traumatisch hersenletsel opgelopen. De cognitieve beperkingen van het slachtoffer duren inmiddels al langer dan vier weken. Er moet zelfs rekening worden gehouden met blijvende cognitieve beperkingen en gedragsmatige veranderingen. Gelet op de aard, de duur en de gevolgen van het letsel en de onzekerheid over de mate van herstel waarbij in ieder geval vaststaat dat er rekening moet worden gehouden met blijvende cognitieve beperkingen, is de rechtbank van oordeel dat het letsel als zwaar lichamelijk in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangemerkt.

Causaliteit

De rechtbank is, anders dan de raadsman heeft betoogd, van oordeel dat het onderzoek ter terechtzitting en het dossier onvoldoende aanknopingspunten bieden op basis waarvan vastgesteld kan worden dat het inwendige letsel van het slachtoffer is ontstaan door de aanrijding die voorafgaand aan het gevecht tussen het slachtoffer en verdachte heeft plaatsgevonden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er zich geen enkele verklaring in het dossier bevindt van een getuige die verklaart dat het slachtoffer voorafgaand aan de vechtpartij al wankel op zijn benen stond of anderszins een onstabiele lichamelijke indruk maakte.
De raadsman heeft daarnaast nog betoogd dat niet vaststaat in hoeverre het traumatisch hersenletsel van het slachtoffer het gevolg is van het handelen van verdachte, omdat het slachtoffer een jaar eerder al een keer was gediagnosticeerd met traumatisch hersenletsel.

De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of een causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verrichte gedragingen en het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer, dient plaats te vinden aan de hand van de maatstaf of dit gevolg redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen aan de verdachte kan worden toegerekend.Voorafgaand aan het incident functioneerde het slachtoffer normaal. Zo was het slachtoffer tot zeer kort voor het incident nog in staat om auto te rijden. Kort nadat verdachte het slachtoffer op de grond had gegooid en tegen het hoofd van het slachtoffer had geslagen en geschopt, is bij het slachtoffer traumatisch hersenletsel geconstateerd en zijn bij hem cognitieve beperkingen vastgesteld. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat het niet aan twijfel onderhevig is dat in de keten van gebeurtenissen de gedragingen van verdachte een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg. De rechtbank acht het onaannemelijk dat zonder het handelen van verdachte het slachtoffer op hetzelfde tijdstip eveneens traumatische hersenletsel had opgelopen.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan de gedragingen van verdachte kan worden toegerekend. Het is voor risico van verdachte dat er bij het slachtoffer al eerder sprake is geweest van traumatisch hersenletsel waardoor wellicht het hoofd dan wel de hersenen van het slachtoffer al kwetsbaar waren.

Noodweer en noodweer-exces

Verdachte heeft verklaard dat hij geweld moest gebruiken tegen het slachtoffer omdat hij onverhoeds door hem werd aangevallen en zich op dat moment niet aan de aanval kon onttrekken. De verdediging heeft om die reden een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgronden noodweer dan wel noodweer-exces.
Voor een geslaagd beroep op noodweer(-exces) moet allereerst de vraag worden beantwoord of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en vervolgens of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (anders gezegd: of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan). Tenslotte moet worden beoordeeld of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (oftewel: of aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan).

Uit de feiten en omstandigheden zoals hierboven onder feitelijke toedracht weergegeven acht de rechtbank het aannemelijk dat inderdaad sprake is geweest van een noodweersituatie. De rechtbank neemt de daar in voetnoot 1 genoemde getuigenverklaringen tot uitgangspunt omdat deze getuigen het gevecht van begin af aan gezien hebben en, gelet op de plaats waar zij zich op dat moment bevonden, ook goed konden zien wat er gebeurde. De rechtbank weegt daarin bovendien mee dat het slachtoffer ook voorafgaand aan de aanrijding al agressief was, gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] over diens gedrag bij het terras van [naam café], en dat er aanwijzingen zijn dat hij mogelijk cocaïne had gebruikt, een middel dat volgens zijn echtgenote [getuige 6] op hem doorgaans een “paranoïde” uitwerking had.

Uit de aangehaalde getuigenverklaringen volgt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, doordat het slachtoffer verdachte direct nadat ze beiden uit hun auto waren gestapt met een vuist tegen zijn hoofd sloeg en hem vast pakte. Verdachte mocht zich daartegen verdedigen.Wel is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Van verdachte had in redelijkheid mogen worden gevergd dat hij, nadat hij het slachtoffer op de grond had gegooid, was gestopt met zijn verdediging en was weggelopen van het slachtoffer. De aanranding was toen immers afgewend.
Op grond van artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht is een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar, indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Hierbij moet worden gekeken naar de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.

Uit de verklaring van verdachte komt naar voren dat hij erg schrok van de onverhoedse vuistslag in zijn gezicht die hij van het slachtoffer kreeg, een vuistslag die bovendien werd uitgedeeld op een moment dat hij toch al behoorlijk ontdaan was van de aanrijding kort daarvoor, zeker omdat de auto van het slachtoffer zijn auto had geraakt op de plaats waar zijn dochtertje zat. Verdachte heeft beschreven dat zijn vrees over het welzijn van zijn dochtertje door de aanval van het slachtoffer extra groot werd, omdat hij bang was dat zijn dochtertje mogelijk ook iets zou worden aangedaan. Verdachte en het slachtoffer stonden namelijk op het moment dat hij werd geslagen bij het portier waar zijn dochtertje achter klem zat. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij als gevolg van de aldus (mede) door toedoen van het slachtoffer veroorzaakte heftige gemoedsbeweging de grenzen van de noodzakelijke verdediging uit het oog heeft verloren, aannemelijk. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het reclasseringsadvies van 3 april 2017 blijkt dat eerder, ten behoeve van de beoordeling van een ander delict, is vastgesteld dat verdachte zeer betrokken is op zijn gezin en dat hij heftig kan reageren als zijn gezin wordt bedreigd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het geweld dat verdachte heeft gepleegd nadat het slachtoffer op de grond terecht was gekomen – met zijn vuist slaan in het gezicht van het slachtoffer en hem met blote voet schoppen – niet strafbaar is, nu verdachte verontschuldigbaar te ver is gegaan in zijn reactie op de aanval van verdachte. Het beroep op noodweer-exces slaagt dus.

Conclusie

De rechtbank acht, gelet op al het voorgaande, het meer subsidiair aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 11 september 2016 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] op te tillen en op/tegen de grond te gooien, en terwijl die [slachtoffer] op de grond lag hem te stompen/slaan en te schoppen/trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten traumatisch hersenletsel, diffuse schade aan (zenuwcellen) hersenbalk, cognitieve beperkingen en blijvende gedragsmatige veranderingen, ten gevolge heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank kwalificeert dit feit als: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Nu het beroep op noodweer-exces slaagt, zal verdachte ter zake van dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 27 juni 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:Ik reed in een Polo. Men noemt mij ook wel [verdachte] . Ik tilde het slachtoffer op. Als gevolg daarvan kwam hij op de grond terecht. Toen hij op de grond lag heb ik hem twee of drie klappen gegeven in het gezicht. Daarna bewoog hij niet meer.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 oktober 2016, opgenomen op pagina 209 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016260686 d.d. 1 december 2016, inhoudende als verklaring van [getuige 1] , zakelijk weergeven:Op 11 september 2016 te Groningen zag ik dat de bestuurder van een Volkswagen Polo en de bestuurder van een Mercedes aan het vechten waren. Op een gegeven moment tilde de bestuurder van de Polo de bestuurder van de Mercedes op, waarna de bestuurder van de Mercedes op de grond terechtkwam. Vervolgens trapte de bestuurder van de Polo hem met de voet op zijn hoofd. Dit heeft hij meerdere keren gedaan.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 oktober 2016, opgenomen op pagina 219 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergeven:Ik zag dat de bestuurder van een Volkswagen Polo en de bestuurder van een Mercedes aan het vechten waren. De bestuurder van de Polo pakte de bestuurder van de Mercedes met één hand beet tussen de benen. Vervolgens tilde hij de bestuurder van de Mercedes op en heeft hem op de grond gegooid. Daarna heeft de bestuurder van de Polo de bestuurder van de Mercedes in de buik getrapt.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 september 2016, opgenomen op pagina 204 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] , zakelijk weergegeven:Ik zag dat er een gevecht was en dat [verdachte] beetpakte en op de grond gooide. Ik heb gezien dat [verdachte] een paar keer heeft geslagen.
5. Een geneeskundige verklaring van de GGD, d.d. 1 februari 2017, als losse bijlage bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende:Een MRI-scan liet (verse) diffuse schade aan de zenuwcellen in het gebied van de zogenaamde `hersenbalk` zien. De hersenbalk is de verbinding tussen de twee helften van de grote hersenen en draagt zorg voor de informatie-uitwisseling tussen die helften. Er moet rekening worden gehouden met blijvende cognitieve beperkingen en gedragsmatige veranderingen.

Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 22.276,66 ter vergoeding van materiële schade en € 200.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Oordeel van de rechtbank

Nu verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging zal de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. D.A.J. de Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juli 2019.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

_e73b0a04-eb12-4a08-8369-f6e38e3aaf31
1

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 oktober 2016, opgenomen op pagina 209 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [getuige 1] , een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 11 september 2016, opgenomen op pagina 137 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 8] en een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 21 september 2016, opgenomen op pagina 204 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3] .

_482912d5-4417-41a1-b0a0-2635d486a823
2

De verklaring van [getuige 2] , afgelegd op 12 april 2017 tegenover de rechter-commissaris in deze rechtbank (“De elegante man van de Mercedes lag op de grond en heeft zich nog wat veweerd”).

_0e1fd3b5-de4c-4f34-84ce-86c395500ba1
3

Fotoblad behorend bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2016, in het bijzonder de bovenste foto op p. 55.

_2c850f8b-6fc5-41b1-8602-2c44935fa115
4

Verslag van de neuroloog dr. J. van der Naalt van 19 januari 2017, bijlage bij het verslag van de GGD-arts dat is opgenomen als bewijsmiddel 5.

_f17ac7e5-b4db-48a8-854b-30304eeddb6d
5

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor, opgenomen op p. 150 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [getuige 4] en een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor, opgenomen op p. 162 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [getuige 5] .

_c972d184-6f23-4ece-aa69-933980052bd1
6

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 september 2016, opgenomen op p. 61 van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende als relatering van de verbalisant dat er op 13 september 2016 in de auto van het slachtoffer bij de bestuurdersstoel een prop papier met wit korrelig poeder is aangetroffen, in combinatie met het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van indicatief onderzoek verdovende middelen d.d. 20 september 2016, opgenomen op p. 121 van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende als relatering van de verbalisanten dat het aangetroffen witte poeder positief testte op cocaïne.

_b2e49a50-61bd-492c-bf78-812ac2496457
7

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor, opgenomen op p. 192 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [getuige 6] .