Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:2937

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 08-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:2937, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/19/126976 / KG ZA 19-66


Bron: Rechtspraak

center
100
e7fd56f2-1158-47e0-baaf-eb996c4eb912
2
13
image/png

center
100
3975e621-713c-4196-94af-ad85b59417b6
2
523
image/png

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrechtLocatie Assen
zaaknummer / rolnummer: C/19/126976 / KG ZA 19-66

Vonnis in kort geding van 4 juli 2019

in de zaak van

ECLI:NL:RBNNE:2019:2937:DOC
nl

center
100
e7fd56f2-1158-47e0-baaf-eb996c4eb912
2
13
image/png

center
100
3975e621-713c-4196-94af-ad85b59417b6
2
523
image/png

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrechtLocatie Assen
zaaknummer / rolnummer: C/19/126976 / KG ZA 19-66

Vonnis in kort geding van 4 juli 2019

in de zaak van

1

alsmede haar maten2. , wonende te [woonplaats] ,3. , wonende te [woonplaats] ,
eisers, hierna: ,advocaat mr. S.J. de Vries te Zwolle,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]

gevestigd te [woonplaats] ,gedaagde, hierna: ,advocaat mr. P.M.J. de Goede te Winsum Gn.
1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de door de voorzieningenrechter op de zitting verleende aanhouding tot 20 juni 2019;- de brief met producties van [eisers] van 19 juni 2019;- de brief van [gedaagde] van 25 juni 2019.
-

de dagvaarding van 23 mei 2019;

de mondelinge behandeling op 6 juni 2019.

1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2

2.1.
[eisers] oefent op haar bedrijfslocatie te [woonplaats] een melkveebedrijf uit. Het bedrijf van [gedaagde] is in de buurt van het bedrijf van [eisers] gevestigd.
2.2.
In de nacht van 9 op 10 februari 2019 is er op het terrein van [gedaagde] een grote brand geweest. [eisers] heeft na die tijd roetdelen en (grote) brokstukken op haar land aangetroffen.
2.3.
Door middel van brieven van 15 en 19 februari 2019 heeft de gemeente Midden-Drenthe [eisers] over de gevolgen van de brand geïnformeerd. In de brief van 15 februari 2019 heeft de gemeente een aantal voorzorg adviezen gegeven waaronder het binnenhouden van vee en hobbydieren. In de brief van 19 februari 2019 meldt de gemeente dat de resultaten van het door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) verrichte onderzoek naar de neerslag van de rook bekend zijn en dat er nog informatie over de mogelijke effecten op de voedselveiligheid wordt ingewonnen bij een specialistisch bureau. Tot die informatie ontvangen is, wordt land-of tuinbouwbedrijven geadviseerd om bij zichtbare roetvervuiling dieren binnen te houden en nog geen mest uit te rijden.
2.4.
De gemeente Midden-Drenthe heeft [eisers] nadien geen informatie meer verstrekt en haar doorverwezen naar [gedaagde] .
2.5.
Bij brief van 26 februari 2019 heeft [eisers] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor alle door haar geleden en/of te lijden schade als gevolg van de brand. In deze brief is gemeld dat [eisers] zich gezien voornoemde door haar in acht genomen voorzorgsmaatregelen en de start van het seizoen zorgen maakt over de gevolgen van haar onderneming. [gedaagde] heeft hier op 28 februari 2019 op gereageerd en [eisers] een hulpaanbod door middel van het volgende stappenplan gedaan:
"1. Een onafhankelijke bevoegde instantie inventariseert en ruimt op in opdracht van u. Bijvoorbeeld de [bedrijf] . (…)

2. NLTO en de WUR zijn aangeschakeld. D.w.z. beide instanties ontvangen een kopie van dit schrijven en worden gevraagd vooraf, tijdens en nadien te beoordelen of de wijze van handelen correct is.

3. De kosten van inventarisatie en opruimen zijn voor [gedaagde] .

4. Na afronding van voornoemde werkzaamheden zal aan de WUR alsook de NLTO worden voorgelegd of het opruimen volstaat. Indien geconcludeerd worden door de deskundigen van deze instanties dat nadere acties nodig dan wel gewenst zijn, dan zal [gedaagde] deze faciliteren. (…)".

[gedaagde] heeft [eisers] bij deze brief ook het rapport van het RIVM meegezonden.
2.6.
Bij e-mail van 28 februari 2019 is zijdens [eisers] akkoord gegaan met voornoemd voorstel van [gedaagde] , mits de opdracht voor het inventariseren en het opruimen door [gedaagde] wordt gegeven. In deze e-mail is ook verzocht om een kopie van alle berichten van [gedaagde] aan NLTO en WUR te ontvangen.
2.7.
Er is vervolgens gestart met de opruimwerkzaamheden.
2.8.
In een e-mail van [gedaagde] van 15 maart 2019 is - na navraag door [eisers] of de NLTO en de WUR inmiddels een reactie op de in de brief van 28 februari 2019 voorgestelde route hebben gegeven - medegedeeld dat Op de vraag van [eisers] of inmiddels aan NLTO en WUR is voorgelegd of de verrichte werkzaamheden volstaan, is geantwoord: Op de vraag van [eisers] of er volgens deze instanties op de gronden van [eisers] weer mest kan worden uitgereden en het niet meer nodig is om de dieren binnen te houden heeft [gedaagde] geantwoord:
2.9.
De opruimwerkzaamheden zijn op 30 maart 2019 afgerond.
2.10.
[eisers] houdt zijn dieren tot op heden binnen. Hij heeft [gedaagde] herhaaldelijk om een schriftelijke terugkoppeling van NLTO en WUR verzocht. Op 12 april 2019 heeft [gedaagde] [eisers] bericht In deze e-mail staat verder onder meer vermeld: [eisers] heeft nadien geen nadere schriftelijke bevestiging van de NLTO en de WUR ontvangen.
3

3.1.
[eisers] vordert na vermindering van eis samengevat - [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen:A. om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis schriftelijke stukken van NLTO en WUR aan de advocaat van [eisers] toe te (laten) sturen waaruit blijkt dat deze instanties betrokken zijn geweest bij en akkoord zijn gegaan met de opruimwerkzaamheden die in opdracht van [gedaagde] op het land van [eisers] te [woonplaats] hebben plaatsgevonden;B. om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis schriftelijke stukken van NLTO en WUR aan de advocaat van [eisers] toe te sturen waaruit blijkt of deze instanties van oordeel zijn dat de hiervoor onder A. genoemde opruimwerkzaamheden op het land van [eisers] te [woonplaats] voldoende zijn om de grond weer zonder beperkingen (voor de voedselveiligheid of anderszins) te kunnen gebruiken en zo niet, wat dan door deze instanties als vervolgwerkzaamheden wordt geadviseerd;C. tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordelingen voldoet, met een maximum van € 100.000,00;D. tot betaling van de proceskosten, nakosten daarbij inbegrepen.
3.2.
[eisers] stelt ter onderbouwing van zijn vorderingen dat [gedaagde] zich niet aan het door haar toegezegde stappenplan houdt en ten onrechte weigert de afgesproken schriftelijke terugkoppeling van NLTO en WUR aan [eisers] te geven. Omdat er op het land van [eisers] destijds na de brand veel (grote) brokstukken zijn aangetroffen, heeft [eisers] een spoedeisend belang om te kunnen verifiëren dat voornoemde instanties van oordeel zijn dat zijn land na de opruimwerkzaamheden weer zonder gevaar voor de voedselveiligheid en andere beperkingen kan worden gebruikt. [eisers] benadrukt dat hij dit nu toe alleen maar van [gedaagde] - als schadeveroorzaker zelf - heeft gehoord en dit voor hem niet toereikend is.

3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] en voert aan dat de grondslag van de vorderingen haar niet geheel duidelijk is. [gedaagde] is zich bewust van de hinder en ingrijpende gevolgen die de brand voor [eisers] heeft gehad en zij benadrukt dat dit haar zeer spijt. Naar stelling van [gedaagde] heeft zij er echter alles aan gedaan om de schade op een correcte wijze af te handelen en de overlast te beperken. [gedaagde] wijst er in dit verband op dat zij concreet hulp heeft geboden en dit ook is nagekomen. Volgens [gedaagde] heeft zij de bewuste instanties om een schriftelijke bevestiging hiervan gevraagd, maar heeft zij geen schriftelijke stukken of rapporten van de NLTO of WUR ontvangen. Volgens [gedaagde] is [eisers] ook nooit gezegd dat er een schriftelijke bevestiging zou komen en werd er met de door haar genoemde "schriftelijke stukken" gedoeld op een te maken rapport in verband met dioxine onderzoek dat niet van toepassing was voor [eisers] . De conclusies van voornoemde instanties zijn hoe dan ook niet op papier gezet en [gedaagde] kan om die reden niet aan de vorderingen van [eisers] voldoen. Volgens [gedaagde] is er wel telefonisch overleg met voornoemde instanties gevoerd en hebben deze haar bevestigd dat het land weer gebruikt kan worden. Alle zichtbare brokstukken zijn van het land verwijderd en daarmee is er geen gevaar voor de voedselveiligheid meer. [gedaagde] verwijst in dit verband ook naar het rapport van het RIVM waaruit dit blijkt. Dat [gedaagde] op enig punt een verwijt treft, wordt door haar betwist.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
overwegingen

4

4.1.
De voorzieningenrechter acht het door [eisers] gestelde spoedeisend belang bij zijn vorderingen in beginsel voldoende aanwezig en overweegt dat hij voor de beoordeling van dit geschil in eerste instantie dient te beoordelen of het voldoende aannemelijk is geworden dat de schriftelijke stukken van de NLTO en WUR waarvan [eisers] afgifte vordert bij [gedaagde] voorhanden zijn.
4.2.
Dat [eisers] de indruk had dat dit zo was, is de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden. In het door [gedaagde] aan [eisers] op 28 februari 2019 gegeven stappenplan - waarin zij haar hulp aan [eisers] heeft aangeboden - staat duidelijk beschreven dat de "en dat deze instanties "Ook staat in dit stappenplan vermeld dat na afronding van de inventarisatie en opruimwerkzaamhedenDe voorzieningenrechter kan wel inzien dat [eisers] uit een en ander heeft afgeleid dat voornoemde instanties [gedaagde] hierover zouden rapporteren en ook dat dit schriftelijk zou gebeuren. Temeer nu [eisers] hiernaar steeds navraag bij [gedaagde] heeft gedaan en [gedaagde] [eisers] in haar latere e-mail van 15 maart 2019 ook heeft bericht dat zij een en ander mondeling met NLTO en WUR heeft gecommuniceerd, maar dat dit na de voltooiing van de opruimwerkzaamhedenVast staat verder dat [gedaagde] [eisers] vervolgens op 12 april 2019 heeft bericht "Hoewel de voorzieningenrechter uit hetgeen [gedaagde] ter zitting heeft aangevoerd begrijpt dat deze rapportage niet zag op de situatie van het land van [eisers] maar op een uitgevoerd dioxine onderzoek, begrijpt de voorzieningenrechter wel dat deze bewoordingen bij [eisers] voor enige verwarring hebben gezorgd. Dat [gedaagde] , zoals zij heeft aangevoerd, verder nooit de intentie heeft gehad om [eisers] een schriftelijke terugkoppeling te geven, maakt de gevolgtrekking die [eisers] uit voornoemde berichtgeving heeft kunnen maken niet anders.
4.3.
De voorzieningenrechter laat dit punt en ook de vraag of een rechtsgrond bestaat die ter zake verplichtingen voor [gedaagde] meebrengt echter in het midden. Het is hem namelijk voldoende aannemelijk geworden dat de schriftelijke stukken van de NLTO en WUR in ieder geval niet zijn opgemaakt en [gedaagde] hierover ook nooit daadwerkelijk de beschikking heeft gehad. Dat dit zo is, wordt bevestigd door de verklaringen van deze instanties die [eisers] na de door de voorzieningenrechter verleende aanhouding in het geding heeft gebracht. Hoewel uit deze verklaringen wel blijkt dat de NLTO en WUR contact met [gedaagde] hebben gehad over de aanpak van de verontreiniging en het resultaat van de verrichtte opruimwerkzaamheden, blijkt hieruit niet dat hiervan ook schriftelijke stukken zijn opgemaakt dan wel dat de bewuste instanties alsnog bereid zijn om hierover een schriftelijke verklaring te geven, anders dan zij in die aanvullende stukken hebben gedaan en dit is - blijkens die stukken - ook telefonisch aan [eisers] medegedeeld. Wat de reden hiervoor is, laat de voorzieningenrechter onbesproken. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht opgemerkt dat de inzet voor [eisers] bij dit kort geding enkel zag op het verkrijgen van schriftelijke stukken van de NLTO en WUR. Nu [eisers] slechts afgifte van schriftelijke stukken van deze instanties vordert en daarnaast geen andere vorderingen op dit punt heeft ingesteld, behoeft de voorzieningenrechter de inhoud van de nader ingediende stukken niet inhoudelijk te bespreken.
4.4.
Nog daargelaten het door [gedaagde] opgeworpen vraagstuk op welke grondslag [eisers] in het kader van dit kort geding afgifte van de door hem bedoelde stukken heeft willen vorderen, concludeert de voorzieningenrechter dat deze schriftelijke stukken van de NLTO en WUR er hoe dan ook niet zijn en er naar alle waarschijnlijkheid ook niet zullen komen. [gedaagde] kan daarom ook niet worden veroordeeld tot afgifte daarvan. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eisers] dan ook afwijzen.
4.5.
In het licht van het voorgaande en het feit dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen, is de voorzieningenrechter anders dan [eisers] van oordeel dat zij en niet [gedaagde] in beginsel als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten moet worden veroordeeld. In het door [gedaagde] in haar brief van 25 juni 2019 gedane verzoek om de proceskosten te compenseren, ziet de voorzieningenrechter echter aanleiding om hiervan af te wijken en zal hij bepalen dat de proceskosten in dit geval zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
beslissing

5

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. van Weringh en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2019.
_1978d1df-d0a3-409f-8884-0476685a77e4
1

type: 323/iecoll: