Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:2515

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:2515, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/730263-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:2515:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730263-18ter berechting gevoegd parketnummer 18/237147-18
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 juni 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],wonende te [woonplaats], [straatnaam].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 mei 2019.De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.W. de Jong, advocaat te Leeuwarden.Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.zij op of omstreeks 15 december 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht) vanaf zeer korte afstand, met een groot/lang (slagers- of keuken-)mes stekende en/of snijdende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van de buikstreek, in elk geval van het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 15 december 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht) vanaf zeer korte afstand, met een groot/lang (slagers- of keuken-)mes stekende en/of snijdende en/of zwaaiende bewegingen in de richting van de buikstreek, in elk geval van het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 15 december 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) vanaf zeer korte afstand, met een groot/lang (slagers- of keuken-)mes in zijn linker onderarm en/of zijn linkerhand te steken en/of te snijden;
2.zij op of omstreeks 15 december 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (koeken- of steel-)pan in zijn nek en/of op/tegen zijn hoofd, althans zijn lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 15 december 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (koeken- of steel-)pan in zijn nek en/of op/tegen zijn hoofd, althans zijn lichaam, te slaan;
3.zij op of omstreeks 25 november 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland,drie blikken Grolsch Kanon bier en/of twee Bolsius kaarsen en/of Dreft wasmiddel en/of Lenor wasmiddel, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf [benadeelde partij], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 25 november 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland,opzettelijk drie blikken Grolsch Kanon bier en/of twee Bolsius kaarsen en/of Dreft wasmiddel en/of Lenor wasmiddel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd goed te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat goed anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feiten 1. primair en 2. primair en heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. primair. Ten aanzien van feit 1 heeft zij daartoe aangevoerd dat de verklaringen van verdachte niet consistent zijn. De officier van justitie gaat daarom uit van de verklaring van aangever, welke door bewijs wordt ondersteund. Uit het dossier blijkt onvoldoende om tot een bewezenverklaring van een poging doodslag te komen. In het dossier zit een foto van het mes waarmee is gestoken. Door met een dergelijk mes te steken is, ook gezien de afweer verwondingen, de aanmerkelijke kans aanwezig dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte aangever meermalen met de pan heeft geslagen. Gelet op het ontbreken van verdere informatie kan uit het dossier onvoldoende worden afgeleid dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Er zijn wel voldoende aanwijzingen om tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit te komen. Het slaan met de pan deed pijn en op de foto van aangever in het dossier is een rode plek zichtbaar.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1. primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er door het zwaaien met het mes geen aanmerkelijke kans bestond dat aangever zou komen te overlijden. Het is niet aangetoond dat verdachte op korte afstand stekende en zwaaiende bewegingen heeft gemaakt richting de buikstreek van aangever. Uit de letselverklaring blijkt dat de wond is ontstaan door een zwaaiende of snijdende beweging, niet door een steekbeweging. Ook ten aanzien van feit 1. subsidiair heeft er geen zwaar lichamelijk letsel kunnen ontstaan. Door een zwaaiende beweging kan geen zwaar lichamelijk letsel, maar kunnen hooguit oppervlakkige snijwonden ontstaan. Ten aanzien van feit 2. primair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er door te slaan met de pan geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ten aanzien van feit 2. subsidiair heeft zij aangevoerd dat verdachte geen opzet had op een mishandeling. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte de goederen nog wilde afrekenen.
Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht -met de officier van justitie en de raadsvrouw- feiten 1. primair en 2. primair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ten aanzien van feit 1. subsidiair en feit 2. subsidiair

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Datum onderzoek: 24-12-2018 Datum incident: 15-12-2018 Aansluitend heeft betrokkene medische hulp gezocht en gekregen op de SEH van Nij Smellinghe Ziekenhuis in Drachten. Hier bleek dat zijn rechter middelvinger verbrijzeld was, waarvoor een week gips gehad en sinds vandaag een koker-spalk. Deze spalk moet nog minimaal 2 weken zitten en daarna moet de heer starten met oefenen met buigen van de vinger. Ook bleek er diepe wond aan de binnenzijde linker hand, aan de basis van de pink waarbij de huid doorgenomen is, en waarbij de pezen en de zenuwen niet geraakt zijn. De wond is gehecht geworden en sinds vanochtend zijn de hechtingen verwijderd. Ook is er een diepe wond aan de onderarm links, aan de strekzijde vlak boven het polsgewricht.
LetselbeschrijvingOp de onderarm links is aan de strekzijde boven het pols gewricht een genezende diepe wond zichtbaar, met een lengte van 3 cm. Aan de binnenzijde van de linker hand is een genezende diepe wond zichtbaar, aan de basis van de pink, met een lengte van 3 cm. De gaatjes van de hechtingen zijn nog zichtbaar.
Letsel past bij de opgegeven toedracht, namelijk scherp snijdend geweld op de linker arm/ hand en stomp inwerkend geweld op de rechter hand.

Op 16 december 2018 verhoorde ik telefonisch de getuige [getuige 1]. De getuige verklaarde:Ik was gister aan het werk bij [instantie], in het pension op de [straatnaam]. Ik zag ineens een man staan, hij had allemaal bloed. Hij zei: Ik was thuis en ik had de avond daarvoor visite gehad van twee mensen, van twee vrienden. De volgende dag, gisteren dus, kwam een vrouw langs die de vorige avond bij hem op visite was geweest. En toen was zij helemaal boos geworden, volgens hem. Zij heeft toen uit de keukenla een mes gepakt. En toen heeft zij hem gestoken en zij heeft hem ook met de koekenpan geslagen. En toen is hij naar ons toegerend. De man had bloed op de handen, zowel op de rechterhand als op de linkerhand, en bij zijn pols. Daar had hij een snee, die niet echt diep zat. Ook zijn kleding zat onder het bloed. De man was lijkbleek. De man vertelde ons dat het om een Somalische vrouw ging. Ze heet [verdachte].
Op 16 december 2018 verhoorde ik de getuige [getuige 2], adres [straatnaam], Drachten. De getuige verklaarde:Over gistermiddag. Het was denk ik zo rond 13,00 uur. We hoorden daar geschreeuw en daarna hoorde ik twee deuren klappen. Daarna zag ik hem de deur uitkomen. Ik zag wel dat hij zijn ene hand beet ophield en dat hij die kant is opgelopen. Ongeveer 5 minuten voordat de politie kwam, zag ik een donker meisje uit zijn woning komen. Tenminste, ik hoorde een deur. Terwijl ik hier stond, zag ik dat het donkere meisje de fiets pakte en de andere kant op fietste. Maar gistermiddag was ik in het vogelhok, toen ik het geschreeuw hoorde in de woning van [slachtoffer]. Ik kon zijn stem horen en hoorde een vrouwenstem. Ik heb haar horen schreeuwen en ik heb hem, [slachtoffer], enkele keren horen schreeuwen "Hou op, hou op".
A: Hij heeft mij binnen gelaten. Ik heb een mes gepakt en ben naar hem gaan steken.A: Hij stond met de rug naar de deur en ik sloeg met de pan op hem.V: Wat voor pan was het?A: Een zilveren. En ik zag dat hij krom was van het slaan.
Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1. subsidiair

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het intreden van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte met een mes stekende en zwaaiende bewegingen naar aangever heeft gemaakt terwijl verdachte op aangever toe kwam. Aangever heeft zich hierbij afgeweerd en heeft letsel aan zijn hand en arm opgelopen. Dat dit letsel niet als zwaar is aan te merken is slechts toeval; evengoed had verdachte met het mes een zenuw of pees kunnen raken.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met haar gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het onder 1. subsidiair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2. subsidiair

Uit de feiten en omstandigheden zoals hiervoor opgenomen in de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat het niet anders kan dan dat verdachte aangever opzettelijk met een pan heeft geslagen.
Ten aanzien van feit 3. Primair

1. De door verdachte ter zitting van 28 mei 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:Ik heb [slachtoffer] met een pan geslagen. Ik pakte het mes en heb daarmee gezwaaid.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 15 december 2018, opgenomen op pagina 68 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018328281 van 22 januari 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]: Ik wil aangifte doen tegen [verdachte], die mij met een mes heeft gestoken. Zij heeft mij een keer of vier met een mes proberen te steken. Ik woon op de [straatnaam] in Drachten. Gisteravond, 14 december 2018, kwam [verdachte] bij mij op bezoek. Vanochtend, rond 11.00 uur, ben ik van bed gegaan. Ik hoorde een klopje op de deur en zag dat [verdachte] bij mij voor de deur stond. Op een gegeven ogenblik pakte ze een koekenpan en begon daarmee op mij in te slaan. Ze sloeg mij een keer of drie met die koekenpan. Eerst sloeg en raakte zij mij met die koekenpan in mijn nek. Dit deed mij zeer. Het is nog rood op de plaats in mijn nek, waar zij mij raakte met die koekenpan. De twee keer probeerde zij mij daarmee op mijn hoofd te slaan, maar die slag heb ik deels kunnen afweren met mijn rechterhand, die nu in het gips zit. Het was een koekenpan van geheel roestvrij staal. Terwijl ik naar buiten wilde vluchten zag ik dat zij het mes, dat op het aanrecht lag, oppakte. Het is best een vrij lang mes, een soort slagersmes. Het mes heeft een zwart kunststoffen handvat en een zilverkleurig stalen lemmet. Ze pakte dit mes op met haar rechterhand. Ik had inmiddels de gang bereikt, toen zij op mij toe kwam en een aantal keren met dat mes stekende bewegingen naar mij maakte. Zij probeerde mij daarbij in mijn buik te steken, althans ze maakte stekende bewegingen daarmee richting mijn buik. Ik heb deze messteken proberen af te weren met mijn linkerhand, waar ik mijn helm vasthield. Met mijn linkerhand en de helm heb ik de messteken geprobeerd af te weren. Hierbij ben ik twee keer in mijn linkerarm geraakt. De verwondingen aan mijn linkerhand zijn veroorzaakt door het mes, waarmee zij op mij heeft ingestoken. Een (l) van de messteken is dwars door mijn handpalm gegaan. Het bloedde vrij hevig. Dit is later gehecht in het ziekenhuis met drie hechtingen.
3. Een geneeskundige verklaring, op 24 december 2018 opgemaakt en ondertekend door C. Oostdam, forensisch arts KNMG, voor zover inhoudend, als zijn/haar verklaring:
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2018, opgenomen op pagina 87 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2018, opgenomen op pagina 92 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 16 december 2018, opgenomen op pagina 59 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 25 november 2018, opgenomen op pagina 11 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018310024 van 4 december 2018, inhoudend als verklaring van [medewerker 1] namens [benadeelde partij] Drachten: Ik doe aangifte namens de [benadeelde partij] gevestigd op adres [straatnaam] te Drachten. Op 25 november 2018 heeft mevrouw een volle rugzak niet afgerekend. Nadat collega [medewerker 2] de vrouw heeft aangesproken is zij vrijwillig meegegaan naar een kantoor in de winkel. Daarop hebben wij met toestemming in haar rugzak gekeken. Daar trof ik 3 blikken Grolsch Kanon bier, 2x Bolsius kaarsen, 1x Dreft, 1x Lenor wasmiddel. De vrouw gaf ons op te zijn [verdachte], geboren [geboortedatum]-1985, woonachtig op adres [straatnaam] [woonplaats].
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 november 2018, opgenomen op pagina 20 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3]: Ik, [getuige 3], was vandaag werkzaam als caissière bij de [benadeelde partij] aan de [straatnaam] te Drachten. Ik kreeg een mevrouw aan de kassa. Ik zag dat zij alleen een pizza op de band legde. Ik zag dat ze een rugtas op had welke behoorlijk vol leek. Toen ik de pizza langs de scanner haalde vertelde ik haar het bedrag wat ze moest betalen. Ik zag dat ze mij een briefje van 20 euro gaf. Ze zei daarbij: 'Kijk eens alstublieft, hier heb je 20 euro'. Ik was bezig met het uittellen van het wisselgeld toen mijn collega [medewerker 2] bij de kassa kwam. Ik hoorde hem tegen die mevrouw zeggen dat ze mee mocht lopen omdat ze nog spullen in haar rugzak had zitten die ze niet betaald heeft.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 november 2018, opgenomen op pagina 22 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medewerker 2]: Op 25 november 2018 was ik aan het werk bij de [benadeelde partij] te Drachten. Ik zag een mevrouw, de mevrouw die jullie zojuist hebben aangehouden, twee blikken bier van het merk Grolsch Kanon 0.5 liter uit het schap pakken. Ik zag dat zij deze blikken bier in haar rugtas deed. Ik zag dat ze verder liep en vervolgens kaarsen in haar rugtas deed. Deze rugtas had ze in een rol trolley van de [benadeelde partij]. Ze liep daarna door naar de diepvriesafdeling en pakte daar 1 pizza. Deze pizza hield ze vast. Ze pakte vervolgens haar rugtas en deed deze op haar rug met alle spullen er nog in, behalve de pizza. Hierop liep ze naar de kassa. Ik zag dat ze alleen de pizza op de band neerlegde. Ik zag dat ze een briefje van 20 euro pakte en aan de caissière [getuige 3] gaf. De overige spullen had ze nog steeds in haar tas. [getuige 3], de caissière, was bezig met het wisselgeld. Mevrouw wilde zich wegdraaien om de winkel te verlaten. Toen heb ik haar tegen gehouden.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiairzij op 15 december 2018 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes stekende en zwaaiende bewegingen in de richting van de buikstreek, in elk geval van het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. subsidiairzij op 15 december 2018 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen met kracht met een pan in zijn nek en tegen zijn hoofd te slaan.
3. primairzij op 25 november 2018 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, drie blikken Grolsch Kanon bier en twee Bolsius kaarsen en Dreft wasmiddel en Lenor wasmiddel, dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf [benadeelde partij], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Ten aanzien van feit 1. subsidiair en 2. subsidiair

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en derhalve van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat aangever de confrontatie met verdachte heeft opgezocht door haar een harde duw te geven en haar met zijn hand op haar keel tegen het keukenblad heeft geduwd. Verdachte kon geen kant op en heeft de pan gepakt en daarmee geslagen om los te komen uit de greep van aangever. Verdachte was bang. Aangever heeft de pan uit de handen van verdachte gepakt en de aanval bleef doorgaan. Verdachte kon geen kant op en wilde weg uit de situatie. Verdachte en aangever grepen op hetzelfde moment naar het mes, waardoor de verwonding aan de hand van aangever is ontstaan. Om aangever op afstand te houden heeft verdachte zwaaiende bewegingen met het mes gemaakt.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich bij requisitoir op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet gehonoreerd dient te worden. Zij heeft daartoe -in de kern- aangevoerd dat het verdachte is geweest die de confrontatie met aangever heeft opgezocht. De verklaring van verdachte dat zij werd aangevallen door aangever en bijna is gewurgd, althans is mishandeld, wordt niet ondersteund.
Oordeel van de rechtbank

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsvrouw aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en in de volgende overwegingen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij aangever met de pan heeft geslagen omdat aangever haar aanviel en zij niet weg kon komen. Dat verdachte niet weg kon komen, vindt geen steun in de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt dat ook aangever heeft verklaard dat hij verdachte bij haar keel heeft gepakt. De rechtbank ziet hier echter geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding in zoals door de verdediging naar voren is gebracht. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Aangever heeft verklaard dat hij wilde dat verdachte zijn woning verliet. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat aangever wilde dat zij zijn huis verliet. Verdachte heeft dit niet gedaan en heeft naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen uitleggen waarom het voor haar niet mogelijk was om de woning te verlaten. De rechtbank ziet daarnaast onvoldoende aanknopingspunten om uit te gaan van de verklaringen van verdachte. Des te meer, omdat verdachte na het incident in de woning is gebleven en spullen van aangever uit de woning heeft meegenomen. De verklaringen van verdachte zijn inconsistent en worden niet ondersteund door het dossier. Uit het dossier volgt dat aangever gewond en in paniek zijn woning is ontvlucht. Verdachte daarentegen heeft, zoals door getuigen beschreven, pas na enige tijd in alle rust de woning verlaten.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de haar verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor haar de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Het bewezen verklaarde levert op:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

1. subsidiair Poging tot zware mishandeling.2. subsidiair Mishandeling.3. primair Diefstal.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. primair wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Tevens vordert de officier van justitie een locatie- en contactverbod zoals verzocht door de benadeelde partij [slachtoffer]. Ter bescherming van aangever en om verdachte direct de hulp te kunnen bieden die zij nodig heeft vordert de officier van justitie de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte instemt met de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van een contact- en locatieverbod heeft de raadsvrouw aangevoerd dat daar geen noodzaak voor is.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van Reclassering Nederland van 15 mei 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en een mishandeling door met een pan te slaan en met een mes op het slachtoffer in te steken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Verdachte heeft deze feiten begaan onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij het slachtoffer in zijn eigen huis heeft aangevallen met een pan en een mes. Het slachtoffer heeft gewond zijn eigen woning moeten ontvluchten. Verdachte heeft een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een woning is bij uitstek de plek waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Bovendien zorgen dit soort geweldsfeiten voor gevoelens van onrust en angst in de maatschappij. Voor dergelijke feiten is een gevangenisstraf het uitgangspunt.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van Reclassering Nederland van 15 mei 2019. Uit het rapport volgt dat er sprake is van problemen op de leefgebieden financiën, middelengebruik, psychosociaal functioneren, houding en sociale netwerk. Verdachte kampt al jaren met alcoholproblemen en is niet meer in staat haar kinderen zelfstandig op te voeden. Haar kinderen zijn dan ook niet meer bij verdachte woonachtig. De reclassering omschrijft de situatie als zorgelijk. De reclassering adviseert een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, een drugsverbod en een alcoholverbod.

Gelet op het voorkomen van recidive in de toekomst acht de rechtbank het nodig dat verdachte hulp krijgt om haar alcoholverslaving en haar problemen op de overige leefgebieden op te lossen. De rechtbank zal verdachte deze hulp opleggen in de vorm van een deels voorwaardelijke straf.

Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, alsmede een contact- en locatieverbod, passend. Naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend jegens het slachtoffer zal gedragen. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 420,29 ter vergoeding van materiële schade en € 1.084,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens wordt verzocht om een contact- en locatieverbod op te leggen, primair in de vorm van bijzondere voorwaarden en subsidiair in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering bij vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien de rechtbank de vordering ontvankelijk acht, heeft de raadsvrouw primair bepleit de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat aangever een groot aandeel in de situatie heeft gehad en dat verdachte zich heeft moeten verdedigen. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat ten aanzien van de gevorderde kosten voor het eigen risico van zowel 2018 als 2019 niet blijkt welk deel van deze kosten aan verdachte zijn toe te rekenen. Aangever moest gegipst worden omdat hij zijn hand tussen de deur had gekregen en ook de medische kosten voor de wond op de linkerhand van aangever kunnen niet op verdachte verhaald worden. De factuur van het cilinderslot dateert van 9 mei 2019, terwijl in december al is aangegeven dat de sloten zijn vervangen. Ten aanzien van de reiskosten blijkt niet waarvoor de bezoeken zijn afgelegd. Deze gevorderde posten moeten daarom worden afgewezen. Ten aanzien van de immaterieel gevorderde schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen causaal verband is. De raadsvrouw verzoekt de immaterieel gevorderde schade primair af te wijzen en subsidiair te matigen.
Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair bewezen verklaarde. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schade voldoende rechtstreeks verband houdt met hetgeen verdachte aangever heeft aangedaan. De schade die de benadeelde partij heeft geleden is door het gedrag van verdachte veroorzaakt. De vordering, waarvan de hoogte door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2018.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 300, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair en 2. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
1. dat de veroordeelde zich uiterlijk binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij de reclassering Verslavingszorg Noord Nederland, op het adres Oostergoweg 6 te Leeuwarden en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode, die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang die instelling dat noodzakelijk acht;2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, onder behandeling zal stellen van de polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling door de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, ook als dit inhoudt de inname van door de behandelaars in het kader van de behandeling voorgeschreven medicatie op de voorgeschreven wijze en de controle hierop en waarbij de veroordeelde, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, zal meewerken aan een indicatiestelling voor een klinische opname, waarbij de veroordeelde, indien een klinische opname wordt geïndiceerd, zich voor een maximale duur van zeven weken, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in een zorginstelling, zulks ter bepaling door de reclassering;3. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van drugs en alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats];5. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in de straat [straatnaam] te Drachten, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als (algemene) voorwaarden:

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € (zegge: duizend vijfhonderdvier euro en negenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2018.
Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 1.504,29 (zegge: duizend vijfhonderdvier euro en negenentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 420,29 aan materiële schade en € 1.084,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2019.Mr. E.P. van Sloten en J.Y.B. Jansen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.