Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:2450

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:2450, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/19/126142 / HA RK 19-12


Bron: Rechtspraak

center
100
81e359fb-b996-437f-bd25-6fcada1f9d38
2
13
image/png

center
100
ff81e874-0510-4a9c-81d1-bb78628229fe
2
523
image/png


RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrechtLocatie Assen
zaaknummer / rekestnummer: C/19/126142 / HA RK 19-12

Beschikking van 11 juni 2019

in de zaak van

MAN ENERGY SOLUTIONS SCHWEIZ AG

statutair gevestigd en kantoorhoudende te 8005 Zürich, Zwitserland, Hardstrasse 319,verzoekster,advocaat mr. E.J.E. Zweers te Amsterdam
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AQUAINTANCE B.V. IN LIQUIDATIE

laatstelijk statutair gevestigd te Assen en kantoorhoudende te Borger, Lemmerstraat 7,verweerster,advocaat mr. P.J. Fousert te Groningen
en

de besloten vennootschap de besloten vennootschap , de besloten vennootschap , belanghebbenden,advocaat mr. M.C. Leijten.
verzoekster zal hierna Man worden genoemd. Verweerster zal Aquaintance worden genoemd en belanghebbenden zullen hierna respectievelijk Engie, Bilfinger en Hak worden genoemd.

ECLI:NL:RBNNE:2019:2450:DOC
nl

center
100
81e359fb-b996-437f-bd25-6fcada1f9d38
2
13
image/png

center
100
ff81e874-0510-4a9c-81d1-bb78628229fe
2
523
image/png


RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrechtLocatie Assen
zaaknummer / rekestnummer: C/19/126142 / HA RK 19-12

Beschikking van 11 juni 2019

in de zaak van

MAN ENERGY SOLUTIONS SCHWEIZ AG

statutair gevestigd en kantoorhoudende te 8005 Zürich, Zwitserland, Hardstrasse 319,verzoekster,advocaat mr. E.J.E. Zweers te Amsterdam
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AQUAINTANCE B.V. IN LIQUIDATIE

laatstelijk statutair gevestigd te Assen en kantoorhoudende te Borger, Lemmerstraat 7,verweerster,advocaat mr. P.J. Fousert te Groningen
en

de besloten vennootschap de besloten vennootschap , de besloten vennootschap , belanghebbenden,advocaat mr. M.C. Leijten.
verzoekster zal hierna Man worden genoemd. Verweerster zal Aquaintance worden genoemd en belanghebbenden zullen hierna respectievelijk Engie, Bilfinger en Hak worden genoemd.

1

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 6 maart 2019,

de mondelinge behandeling, gehouden op 6 mei 2019, waarvan proces-verbaal.

1.2.
Bij brief van 10 april 2019 zijn verzoekster, de vereffenaars van verweerster en alle bij de Rechtbank Noord Nederland bekende belanghebbenden, te weten: Engie, Bilfinger, Hak en de Belastingdienst, opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 6 mei 2019.

1.3.
Bij de mondelinge behandeling van de zaak is namens Man verschenen: mr. E.J.E. Zweers en mr. P.F.J. Velthoven. Namens Aquaintance zijn verschenen: de heer [naam 1] en de heer [naam 2] , beiden voormalig bestuurder van Aquaintance en vereffenaar, tezamen met hun advocaat mr. P.J. Fousert. Verder is verschenen de heer [naam 3] namens Aquaintance en mevrouw [naam 4] als vertegenwoordiger namens de belanghebbenden, tezamen met de advocaat mr. M.C. Leijten,
1.4.
Beschikking is bepaald op heden.
2

2.1.
Op 23 april 2015 is tussen Man en Aquaintance een koopovereenkomst gesloten die betrekking had op de levering en installatie van een compressor.
2.2.
Aquaintance is per 16 november 2018 door middel van een ontbindingsbesluit ontbonden.
2.3.
Op 9 januari 2019 is door Aquaintance een plan van verdeling bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd. De vordering van Man op Aquaintance is opgenomen in het plan van verdeling.
2.4.
Op 6 maart 2019 is door Man een verzoekschrift houdende verzet als bedoeld in artikel 2:23b lid 5 BW ingediend.
2.5.
Op 12 maart 2019 is per abuis een verklaring non verzet afgegeven door de griffie van de rechtbank Noord Nederland. Man heeft een brief gestuurd aan Aquaintance, gedateerd 21 maart 2019, waarin zij Aquaintance in kennis stelt van het door haar ingestelde verzet. Het verzoekschrift is op 4 april 2019 door de rechtbank Noord Nederland verzonden aan statutaire adres van Aquaintance (Lemmerstraat 7 te Borger). Dat sprake was van een abusievelijk verstrekte verklaring non verzet, is partijen tot slot medegedeeld op 10 april 2019, wederom onder toezending van het verzoekschrift houdende verzet.
2.6.
Ter zitting van 6 mei 2019 heeft de heer [naam 2] aangegeven, hoewel het adres wel zijn huisadres is, niet bekend te zijn met de brief van de rechtbank Noord Nederland van 4 april 2019.
3

3.1.
Man heeft, bij verzoekschrift, de rechtbank verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar verzet tegen het Plan van Verdeling ex artikel 2:23b lid 5 gegrond te verklaren. Daarnaast vraagt Man de rechtbank Aquaintance te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Aquaintance stelt zich primair op het standpunt dat Man niet kan worden ontvangen in haar verzoek nu de door de rechtbank afgegeven akte dwingend bewijs is van het feit dat geen verzet is ingesteld. Na ontvangst van de akte van non-verzet is de vereffening voortgezet en geëindigd in de zin van artikel 2:23b lid 9 BW. Bovendien kan verzet alleen worden gedaan door schuldeisers en gerechtigden in een (eventueel) vereffeningsoverschot. Man heeft haar (restant) vordering (na verrekening) betaald gekregen en is geen schuldeiser meer. Man heeft immers in de verrekening berust, aldus Aquaintance. Indien de rechtbank van mening is dat Man wel ontvankelijk is in haar verzoek stelt Aquaintance zich op het standpunt dat het verzet ongegrond is. De vordering van Man is in het plan van verdeling juist vastgesteld. De vordering van Aquaintance op Man is al in december 2017 verrekend met de vordering van Man op Aquaintance. De van Man ontvangen facturen zijn tijdig door Aquaintance betwist. Tegen deze betwisting heeft Man zich niet verzet. Gelet hierop is Aquaintance van mening dat het verzet voor afwijzing gereed ligt.
3.3.
Belanghebbenden hebben zich aangesloten bij het verweer van Aquaintance. In aanvulling daarop hebben Belanghebbenden nog het volgende aangegeven. Man heeft een jaar lang niets inhoudelijk laten horen nadat Aquaintance meerdere malen had aangegeven hoe de kwestie zou worden afgerond. Bovendien heeft Man reeds het bedrag van € 160.000,00 uitgekeerd gekregen. Noch de rekening en verantwoording noch het plan van verdeling heeft aanpassing nodig. Belanghebbenden zijn met Aquaintance van mening dat het verzoek voor afwijzing gereed ligt.
overwegingen

4

4.1.
Aquaintance heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat Man niet ontvankelijk is in haar verzoek omdat - kort gezegd - een verklaring van non-verzet was afgegeven door de rechtbank, waarmee de verdeling reeds definitief was geworden. Het moet er echter voor worden gehouden dat deze akte van non-verzet abusievelijk is afgegeven. In dat verband is Aquaintance meerdere keren duidelijk geworden dat sprake was van een vergissing, kort na ontvangst van de verklaring van non-verzet. Aquaintance wist, althans kon weten als gevolg van de berichten van 21 maart 2019 en 4 april 2019 van het ingediende verzet en wist, althans kon weten, op 10 april 2019 dat sprake was van een vergissing. Het enkele feit dat door de rechtbank abusievelijk een verklaring non-verzet is afgeven, heeft niet tot gevolg dat het verzet van Man - dat onweersproken tijdig is gedaan - niet ontvankelijk is (vgl. Rechtbank Amsterdam, 27 augustus 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BD5733). Dat zou anders kunnen liggen als de verklaring van non-verzet het gevolg was van gedragingen aan de zijde van Man, die bij Aquaintance het gerechtvaardigd vertrouwen hadden opgewekt dat geen verzet zou worden ingesteld. Daarvan is echter niet gebleken.
4.2.
Ten aanzien van hetgeen Man vervolgens stelt, geldt dat niet uit te sluiten valt dat er een aanspraak bestaat op Aquaintance. Man heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij nog een vordering heeft op Aquaintance. Aquaintance betwist het bestaan van de vordering weliswaar, echter zij was er ook mee bekend dat Man aanspraak maakte op meer dan thans is uitgekeerd. Dat Man de vordering zou hebben erkend (na verrekening) zoals deze thans is uitgekeerd, valt niet uit de stukken af te leiden zoals door Aquaintance in het geding gebracht. Bovendien staat vast dat in de contractuele verhouding tussen partijen een geschillenregeling is overeengekomen in geval van eventuele conflicten. Een dergelijke procedure is tussen partijen (nog) niet gevoerd. Of de aanspraak van Man inderdaad valide is, kan niet worden beoordeeld in deze procedure, maar moet worden beoordeeld in een bodemprocedure (of in voorkomende gevallen: een arbitrageprocedure). Totdat op deze aanspraken is geoordeeld, kan het resterende actief niet worden uitgekeerd overeenkomstig de staat van verdeling (vgl. in die zin ook Rb. Midden-Nederland 18 maart 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1059). Het voorgaande heeft tot gevolg dat het verzet gegrond is en dat het betoog van de vereffenaars en belanghebbenden niet gevolgd wordt. Het voorgaande heeft voorts tot gevolg dat de uitgekeerde activa aan gerechtigden (anders dan schuldeisers), teruggestort moeten worden in afwachting van de (definitieve) verdeling. Het al dan niet terecht feitelijk betaalde bedrag aan schuldeiser (Man), kan niet op grond van artikel 2:23b BW worden beoordeeld. Dienaangaande is immers geen sprake van een verdeling van een batig saldo. In een eventuele bodemprocedure zal beoordeeld moeten worden of al dan niet verschuldigd voldaan is aan Man.
4.3.
Ten aanzien van de kosten, oordeelt de rechtbank als volgt. Vereffenaars zullen enerzijds ongegronde vorderingen moeten betwisten. Anderzijds stond het vereffenaars niet vrij uit te keren terwijl zij kennis hebben van een gepretendeerde vordering, waarvoor partijen - ter definitieve beslechting van dergelijke vorderingen - contractueel een geschillenregeling hebben afgesproken. Deze enigszins tegenstrijdige uitgangspunten en het feit dat een specifieke wettelijke regeling omtrent het voldoen van schulden van een ontbonden rechtspersoon voorafgaand aan het verdelen van een eventueel batig saldo, in wezen niet bestaat (vgl. Asser/Maeijer & Kroeze 2-I 2015, nr. 421), is aanleiding voor de rechtbank om de kosten van procedure te verdelen in die zin dat partijen de eigen kosten dragen.
beslissing

5

De rechtbank
verklaart het verzet tegen het Plan van verdeling ex artikel 2:23b lid 5 BW gegrond,

bepaalt dat reeds gedane uitkeringen (zoals aan de aandeelhouders) ten laste van het resterende batige saldo, gerestitueerd moeten worden,

compenseert de proceskosten aldus tussen partijen dat iedere partij de eigen kosten draagt,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

_c20f75e3-455e-43c6-9003-5c90c4184c69
1

type:491/jwkcoll: