Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:2076

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 13-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:2076, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/820415-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:2076:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/820415-18

ter berechting gevoegd parketnummer 18/820498-18vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18/820013-18 en 21/007345-14
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 mei 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],wonende te [woonplaats], thans gedetineerd te P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 april 2019.Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 22 oktober 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aantal blikken bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
2.hij op of omstreeks 19 oktober 2018 te Groningen, in/uit een in een parkeergarage geparkeerde auto, een tas met inhoud, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1], heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen tas met inhoud onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
3.hij op of omstreeks 20 oktober 2018 te Groningen, in/uit een in een parkeergarage geparkeerde auto, een koffer met inhoud, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen koffer onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
4.hij op of omstreeks 01 december 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aantal flessen shampoo, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte (feit uit gevoegd proces-verbaal met parketnummer 18-820498-18);
5.hij op of omstreeks 01 december 2018 te Groningen in het besloten lokaal [straatnaam], bij het winkelbedrijf [benadeelde partij], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruikwederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 22 oktober 2018 schriftelijk de toegang tot dat pand van de [benadeelde partij] ontzegd voor de duur van 1 jaar(feit uit gevoegd proces-verbaal met parketnummer 18-820498-18).
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de aangiften en de bekennende verklaringen van verdachte.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feiten 1, 2, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.Deze opgave luidt als volgt:
ten aanzien van feit 1

ten aanzien van feit 2

ten aanzien van feit 3

ten aanzien van feit 4

ten aanzien van feit 5

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 oktober 2018, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018280032 d.d. 23 oktober 2018, inhoudend de bekennende verklaring van verdachte;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 oktober 2018, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [medewerker 1];3. een schriftelijk bescheid, te weten een aangifteformulier winkeldiefstal van [benadeelde partij], gevestigd aan het [straatnaam] te Groningen, opgemaakt en ondertekend op 22 oktober 2018 door [medewerker 1], filiaalmanager, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier;
1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 oktober 2018, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de bekennende verklaring van verdachte;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 oktober 2018, los gevoegd bij voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1];
1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 oktober 2018, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de bekennende verklaring van verdachte;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 oktober 2018, los gevoegd bij voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2], mede namens [slachtoffer 3];
1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 december 2018, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018316090 d.d. 2 december 2018 (hierna dossier II), inhoudend de bekennende verklaring van verdachte;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 december 2018, opgenomen op pagina 17 e.v. van dossier II, inhoudend de verklaring van [medewerker 2] namens [benadeelde partij], [straatnaam] te Groningen;3. een schriftelijk bescheid, te weten een aangifteformulier winkeldiefstal van [benadeelde partij], gevestigd te Groningen, opgemaakt en ondertekend op 1 december 2018 door [medewerker 2], verkoopspecialist, opgenomen op pagina 19 van dossier II;
1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 december 2018, opgenomen op pagina 27 e.v. van dossier II, inhoudend de bekennende verklaring van verdachte;2. een aangifteformulier huisvredebreuk van [benadeelde partij], [straatnaam] te Groningen, opgemaakt en ondertekend op 1 december 2018 door [medewerker 2], verkoopspecialist, als bijlage gevoegd bij het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 december 2018, opgenomen op pagina 22 e.v. van dossier II;3. een schriftelijk bescheid, te weten een '[benadeelde partij] ontzegging', op 22 oktober 2018 uitgereikt aan verdachte en opgenomen op pagina 26 van dossier II.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1, 2, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.hij op 22 oktober 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal blikken bier, toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij];
2.hij op 19 oktober 2018 te Groningen uit een in een parkeergarage geparkeerde auto, een tas met inhoud, die aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
3.hij op 20 oktober 2018 te Groningen uit een in een parkeergarage geparkeerde auto, een koffer met inhoud, die aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3], heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
4.hij op 1 december 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal flessen shampoo, toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij];
5.hij op 1 december 2018 te Groningen in het besloten lokaal [straatnaam] bij het winkelbedrijf [benadeelde partij] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 22 oktober 2018 schriftelijk de toegang tot dat pand van de [benadeelde partij] ontzegd voor de duur van 1 jaar.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. diefstal;2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;3. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;4. diefstal;5. in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1, 2, 3, 4 en 5 wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD).
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde ISD-maatregel. Mocht de rechtbank deze maatregel opleggen, heeft de raadsvrouw verzocht om een tussentijdse toetsing als bedoeld in artikel 38n van het Wetboek van Strafrecht.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de rapportages van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN), het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen en twee autokraken. Dit zijn ergerlijke feiten, die naast materiële schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerden. Winkeliers moeten bovendien kosten maken ter beveiliging van hun zaak om dit soort feiten te voorkomen. Verdachte heeft met zijn handelen laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Daarnaast heeft verdachte een aan hem opgelegd winkelverbod overtreden.

Verdachte heeft een uitgebreid strafblad en is eerder meermalen onherroepelijk veroordeeld voor diefstal en andere vermogensdelicten. Verdachte liep bovendien ten tijde van de thans bewezen verklaarde feiten in twee proeftijden.

overwegingen

Motivering van de maatregel
De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. De rechtbank stelt vast dat de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de vijf jaren hieraan voorafgaand ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD-maatregel. Aan de eisen voor oplegging van de ISD-maatregel is dus voldaan.
De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het advies dat is uitgebracht door VNN in het rapport d.d. 29 maart 2019, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:Verdachte staat sinds 2012 op de veelplegerlijst van het openbaar ministerie. Hij kent een forse justitiële geschiedenis en een langdurige verslavingsproblematiek. Het gedrag van verdachte komt vooral voort uit zijn leefstijl en uit cognitieve tekorten als gevolg van het middelengebruik. Tot op heden hebben alle ingezette behandel- en begeleidingstrajecten niet tot blijvende positieve gedragsverandering en/of -vermindering van recidive geleid. Het lijkt erop dat de grootste kans van slagen gelegen is in een langdurig resocialisatie traject, die start vanuit een vrijheidsbeperkende maatregel. De ISD-maatregel genereert een langdurig justitieel kader, waarbinnen wij kunnen proberen te komen tot gedragsverandering. De reclassering durft te stellen dat elk alternatief plan gaat mislukken. De reclassering resteert geen ander alternatief dan te komen tot advisering van oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaar. Ter terechtzitting van 29 april 2019 heeft de als deskundige gehoorde reclasseringswerker dit advies bevestigd.
Gelet op een en ander acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van verdachte. De rechtbank zal de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel, zoals door de raadsvrouw verzocht.
Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:1. [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 125,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan; 2. [slachtoffer 3], tot een bedrag van € 1.636,50 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen kan worden. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw gesteld dat deze vordering niet is onderbouwd en dat daarom niet is te toetsen wat de waarde van de goederen is. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat een deel van de schade door de verzekering is vergoed. De vordering van [slachtoffer 3] moet daarom worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 oktober 2018.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die deze benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. De hoogte van de vordering is bovendien door de verdediging betwist. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling
()Bij onherroepelijk geworden vonnis van 6 augustus 2018, gewezen door de politierechter in deze rechtbank, is verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 51 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. De proeftijd is ingegaan op 21 augustus 2018.De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 28 maart 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.
()Bij onherroepelijk geworden arrest van 23 mei 2017, gewezen door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 7 juni 2017.De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 2 april 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld arrest voorwaardelijk opgelegde straf.
Ter terechtzitting van 29 april 2019 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de gevorderde ISD-maatregel, beide vorderingen moeten worden afgewezen. De raadsvrouw heeft zich bij dit standpunt aangesloten. Ook de reclassering heeft geadviseerd de vorderingen af te wijzen, zodat na afloop van de ISD de begeleiding van de reclassering nog een periode blijft doorlopen.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kunnen de vorderingen in beginsel worden toegewezen. Gelet echter op het feit dat de maatregel van ISD wordt opgelegd en hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van bovengenoemde voorwaardelijk opgelegde straffen niet proportioneel en zinvol. De rechtbank zal daarom beide vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57, 138, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Ten aanzien van 18/820415-18, feit 2:Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € (zegge: honderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2018.Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 125,- (zegge: honderdvijfentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/820415-18, feit 3:Bepaalt dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.
beslissing

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18/820013-18:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 6 augustus 2018.
beslissing

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
21/007345-14:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 mei 2017.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2019.Mr. Van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.