Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:2072

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 13-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:2072, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/820251-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:2072:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen

parketnummer 18/820251-18

ter berechting gevoegd parketnummer 18/820483-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 mei 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],wonende te [woonplaats], [straatnaam], thans gedetineerd in PI Leeuwarden.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 april 2019.Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Suurmeijer, advocaat te Stadskanaal. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1. hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2016 tot en met 25 juni 2018 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (xtc) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed), en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-FA (4-fluoramfetamine), en/ofeen hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), zijnde MDMA en/of Amfetamine en/of cocaïne 4-FA (4-fluoramfetamine) en/of 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
EN

hij op of omstreeks 25 juni 2018 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18,2 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA en/of ongeveer 4,87 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, ongeveer 5,71 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine, en/of ongeveer 38,02 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende 4-FA (4-fluoramfetamine), en/of ongeveer 5,46 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), zijnde MDMA, cocaïne, amfetamine, 4-FA (4-fluoramfetamine) en/of 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.(gevoegd parketnr. 18-820483-18) hij in of omstreeks 18 november 2018 te Groningen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, en/of een hoeveelheid, van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) zijnde cocaïne, MDMA, amfetamine, en/of 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
EN

hij op of omstreeks 18 november 2018 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,93 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 24,03 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA, en/of ongeveer 5,55 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine, en/of ongeveer 4,22 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), zijnde cocaïne, MDMA, amfetamine en/of 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode harddrugs heeft gedeald. Deze pleegperiode is onder meer gebaseerd op de verklaring van verdachte, dat hij is begonnen met dealen toen hij aan de [straatnaam] kwam te wonen en de meldingen die in september 2015 en maart 2016 bij de politie zijn binnengekomen met betrekking tot genoemd adres. Ten aanzien van de drugs die verdachte op 25 juni 2018 in zijn bezit had, heeft de officier van justitie gesteld dat de ten laste gelegde grammen MDMA, cocaïne en amfetamine niet worden gedekt door NFI-rapporten. Op basis van de bevindingen van het NFI kan worden bewezen dat verdachte op 25 juni 2018 16,94 gram MDMA, 1,85 gram cocaïne en 3,83 amfetamine in bezit heeft gehad. Het bezit van de ten laste gelegde hoeveelheden 4-FA en 2C-B kan eveneens worden bewezen.Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gesteld dat onder meer op basis van de berichten die in de telefoon van verdachte zijn aangetroffen, kan worden bewezen dat verdachte op 18 november 2018 aan het dealen was en de ten laste gelegde harddrugs in zijn bezit had. Op basis van de NFI-rapporten moet de hoeveelheid cocaïne en MDMA worden aangepast. Bewezen kan worden dat verdachte 7,14 gram cocaïne en 19,81 gram MDMA in bezit had.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat ten aanzien van het eerste deel, de drugshandel, de pleegperiode moet worden ingekort. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in maart/april 2017 met dealen is begonnen. Daarnaast is bij de politie op 13 april 2017 een MMA-melding binnengekomen dat er vanaf het adres van verdachte in verdovende middelen gehandeld zou worden, welke melding aansluit bij de verklaring van verdachte. Op basis daarvan kan worden bewezen dat verdachte vanaf april 2017 drugs heeft gedeald. Ten aanzien van de ten laste gelegde grammen die verdachte op 25 juni 2018 in zijn bezit heeft gehad, het tweede deel van feit 1, heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat kan worden bewezen dat verdachte op 18 november 2018 de ten laste gelegde drugs heeft vervoerd, wat samenvalt met het aanwezig hebben van de drugs. Ten aanzien van de ten laste gelegde hoeveelheden heeft de raadsman zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht met betrekking tot het eerste deel van feit 1 het medeplegen niet bewezen. Verdachte heeft verklaard dat hij alleen handelde en op basis van de stukken in het dossier is niet te bewijzen dat verdachte met iemand anders -nauw en bewust- samenwerkte. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat mede op grond van de verklaring die verdachte ter terechtzitting van 29 april 2019 heeft afgelegd, de begindatum van de pleegperiode op 1 april 2017 moet worden gesteld. Verdachte heeft weliswaar bij de politie verklaard dat hij met dealen is begonnen toen hij aan de [straatnaam] is komen te wonen, oftewel 4 maart 2016 blijkens de adresgegevens, maar ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij in april 2017 is begonnen. Dat er gehandeld is in verdovende middelen vanaf april 2017 vanaf het adres van verdachte vindt ondersteuning in een MMA melding van 13 april 2017. De meldingen van september 2015 en maart 2016, waarnaar de officier van justitie heeft gerefereerd, hebben de politie geen aanleiding gegeven tot nader onderzoek. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze meldingen niet kunnen bijdragen aan het bewijs dat verdachte reeds op 4 maart 2016 is begonnen met het dealen van de ten laste gelegde harddrugs.
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Deze opgave luidt als volgt:
ten aanzien van feit 1

ten aanzien van feit 2

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank met betrekking tot feit 1 bewezen dat verdachte in de periode van 1 april 2017 tot en met 25 juni 2018 in de gemeente Groningen de ten laste gelegde harddrugs opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en dat verdachte op 25 juni 2018 opzettelijk aanwezig heeft gehad 16,94 gram MDMA, 1,85 gram cocaïne, 3,83 gram amfetamine, en de ten laste gelegde hoeveelheden 4-FA en 2C-B.Met betrekking tot feit 2 acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 18 november 2018 opzettelijk de ten laste gelegde harddrugs heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, waarmee sprake is van een eendaadse samenloop. Voor het verkopen, afleveren of verstrekken van de drugs is geen wettig en overtuigend bewijs. De in de telefoon van verdachte aangetroffen berichten zien op de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde pleegdatum, te weten 17 oktober tot en met 16 november 2018. Met betrekking tot de ten laste gelegde hoeveelheden overweegt de rechtbank dat kan worden bewezen dat verdachte 7,14 gram cocaïne en 19,81 gram MDMA in zijn bezit had, alsmede de ten laste gelegde hoeveelheden amfetamine en 2C-B.
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 april 2019;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 4 maart 2019, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018299066 d.d. 4 maart 2019, inhoudend het relaas van verbalisant op pagina 5 met betrekking tot een MMA melding op 13 april 2017; 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 juni 2018, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 1];4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 juni 2018, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2];5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2018, opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 juni 2018 met als bijlage door verdachte opgemaakte weekstaten, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier;7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2018, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen d.d. 13 juli 2018, inhoudend het relaas van verbalisanten, met als bijlagen 2 deskundigenrapporten afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. respectievelijk 26 juli en 30 juli 2018, opgenomen op pagina 115 e.v. van voornoemd dossier;9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal NFiDENT d.d. 1 augustus 2018, inhoudend het relaas van verbalisant, met als bijlagen 4 deskundigenrapporten afkomstig van het NFI allen gedateerd 1 augustus 2018, opgenomen op pagina 132 e.v. van voornoemd dossier.
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 april 2019;2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aanhouding d.d. 18 november 2018, opgenomen op pagina 226 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;3. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 Wetboek van Strafvordering, opgenomen op pagina 255 van voornoemd dossier;4. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 256 e.v. van voornoemd dossier;5. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 258 e.v. van voornoemd dossier;6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal NFiDENT d.d. 4 december 2018, inhoudend het relaas van verbalisant, met als bijlagen 4 deskundigenrapporten afkomstig van het NFI d.d. respectievelijk 27 november, 4 december, 3 december en 4 december 2018, opgenomen op pagina 279 e.v. van voornoemd dossier;7. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2018.11.23.174, d.d. 6 december 2018, opgenomen op pagina 285 van voornoemd dossier en opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch-de Bruin op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
2.
hij in de periode van 1 april 2017 tot en met 25 juni 2018 in de gemeente Groningen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (xtc) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-FA (4-fluoramfetamine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), zijnde MDMA, amfetamine, cocaïne, 4-FA (4-fluoramfetamine) en 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
EN

hij op 25 juni 2018 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad 16,94 gram van een materiaal bevattende MDMA en 1,85 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 3,83 gram van een materiaal bevattende amfetamine en 38,02 gram van een materiaal bevattende 4-FA (4-fluoramfetamine) en 5,46 gram van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), zijnde MDMA, cocaïne, amfetamine, 4-FA (4-fluoramfetamine) en 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
hij op 18 november 2018 te Groningen opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), zijnde cocaïne, MDMA, amfetamine, en 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
EN

hij op 18 november 2018 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad 7,14 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 19,81 gram van een materiaal bevattende MDMA en 5,55 gram van een materiaal bevattende amfetamine en 4,22 gram van een materiaal bevattende 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine), zijnde cocaïne, MDMA, amfetamine en 2C-B (4-broom-2,5-dimethoxyfenethylamine) telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd2. de eendaadse samenloop van
enopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegdenopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest en daarnaast een voorwaardelijk deel, zodat zo spoedig mogelijk met de begeleiding door de reclassering kan worden begonnen. Verdachte is bereid zich aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te houden.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan het dealen van harddrugs en had bij zijn aanhouding op 25 juni 2018 tientallen grammen drugs in zijn bezit. Nadat hij op 28 juni 2018 is geschorst uit de voorlopige hechtenis, heeft hij op 18 november 2018 wederom harddrugs vervoerd en in zijn bezit gehad.De rechtbank overweegt dat de handel in verdovende middelen bij wet strafbaar is gesteld om de volksgezondheid te beschermen. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugs ernstige schade berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavings-problematiek. Bovendien gaan drugshandel en het gebruik van drugs vaak gepaard met andere vormen van (gewelds- en vermogens-) criminaliteit, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.
Verdachte heeft een blanco strafblad. Uit de rapporten die de reclassering in het kader van de voorlopige hechtenis heeft opgesteld komt naar voren dat verdachte functioneert op het niveau van moeilijk leren en dat hij als kwetsbaar en beïnvloedbaar kan worden gezien. Een financieel motief en de succeservaringen die verdachte opdeed bij het dealen lagen ten grondslag aan het delictgedrag voorafgaand aan zijn eerste aanhouding. Hoewel verdachte eerst niet openstond voor nader diagnostisch onderzoek, heeft hij, mede onder invloed van zijn partner en de gevolgen van zijn detentie, zijn houding veranderd. Verdachte heeft ook ter terechtzitting aangegeven dat de detentie hem zwaar valt. De reclassering schat het risico op herhaling als gemiddeld in, mede omdat verdachte in korte tijd twee maal is aangehouden voor een vergelijkbaar feit. De reclassering heeft de rechtbank geadviseerd verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, meewerken aan verdiepingsdiagnostiek, volgen van behandeling/begeleiding die vanuit de diagnostiek nodig blijkt en het hebben van een dagbesteding.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal de straf deels voorwaardelijk opleggen, enerzijds teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en anderzijds om daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden, zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 8 april 2019. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie, nu zij met betrekking tot feit 1 de pleegperiode met ruim een jaar heeft ingekort.

Inbeslaggenomen goederen
De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een mobiele telefoon van het merk Motorola, een prepaid kaart en een mastercard vatbaar voor verbeurdverklaring nu de feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan en deze toebehoren aan verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon van het merk Wiko, moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Gebleken is dat deze telefoon alleen voor privé-doeleinden is gebruikt.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
1. dat de veroordeelde zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van deze uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen op dinsdag of donderdag tussen 15:00 uur en 16:00 uur, en zich hierna blijft melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;2. dat de veroordeelde zijn medewerking verleent aan het afnemen van verdiepings-diagnostiek door Verslavingszorg Noord Nederland en eventuele behandeling of begeleiding volgt die vanuit de diagnostiek nodig blijkt, ook als dit inhoudt het opstellen van een delict scenario en/of het bespreken van jeugdervaringen die zorgen voor nare herinneringen;3. dat de veroordeelde een dagbesteding heeft van in ieder geval 30 uren per week en toestemming geeft voor het uitwisselen van informatie met zijn sociale netwerk, waaronder zijn partner, en zijn werkgever.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf , niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen
- mobiele telefoon, kleur zwart, Motorola (goednummer 1075165);- bankbescheiden, Maestro, prepaid kaart (goednummer 1074489);- bankbescheiden, mastercard Viabuy (goednummer 1074858).
Gelast de teruggave

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 mei 2019.Mr. Van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
_9b9ae184-03b2-4c2e-a7ee-4a8f4b930f5c
1

verdachte heeft ter zitting verklaard dat deze weekstaten 2017 betreffen en niet 2016, zoals in het proces-verbaal staat vermeld