Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:1546

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-04-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:1546, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is C/18/190326 / JE RK 19-125


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:1546:DOC
nl

beschikking
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/190326 / JE RK 19/125 en C/18/19115 / JE RK 19/213datum uitspraak: 12 april 2019
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

die in Groningen is gevestigd,en die hierna "de GI" wordt genoemd,
die betrekking heeft op

[minderjarige] ,
die op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] is geboren,en die hierna " [minderjarige] " wordt genoemd.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] ,
die in [woonplaats] woont,die hierna "de moeder" wordt genoemd,en voor wie als advocaat optreedt: mr. H.W. de Jong, die kantoor houdt in Leeuwarden,
en

[belanghebbende 2] ,
die in [woonplaats] woont,die hierna "de vader" wordt genoemd,en voor wie als advocaat optreedt: mr. A.R.H. Baas, die kantoor houdt in Groningen.
De procedure

De beide procedures zijn ingeleid met verzoekschriften van de GI, die de rechtbank heeft ontvangen respectievelijk op 19 februari 2019 en 1 april 2019. De GI verzoekt de kinderrechter, verkort weergegeven, de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor de duur van een jaar te verlengen. De GI verzoekt de kinderrechter bovendien haar de gedeeltelijke uitoefening van het gezag van de vader toe te kennen.

Op 12 april 2019 heeft de kinderrechter de beide zaak gelijktijdig ter zitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen en gehoord zijn mevrouw [naam] , die de GI vertegenwoordigt, de moeder, haar advocaat, de vader, zijn advocaat en de heer [naam] , die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna "de Raad") vertegenwoordigt.

Voorafgaand aan de zitting heeft de kinderrechter met [minderjarige] gesproken.

De feiten

De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten.

[minderjarige] is nu bijna veertien jaar oud. Zij is in januari 2014 onder toezicht gesteld van de GI in verband met de aanhoudende strijd tussen haar ouders en het vermeende seksueel misbruik van [minderjarige] door haar vader. [minderjarige] is op 15 mei 2017 met spoed uit huis geplaatst. Op dit moment verblijft [minderjarige] in een onderdeel van De Beukenhorst, een kleinschalige zorginstelling waar zorg wordt geboden aan jeugdigen en jongvolwassenen met sociaal emotionele problematiek, ADHD, PDD-nos en aanverwante stoornissen.

Op dit moment is het perspectief van [minderjarige] onduidelijk. De Raad heeft met een verzoekschrift, dat de rechtbank op 18 juli 2018 heeft ontvangen, verzocht om het gezag van de ouders van [minderjarige] te beëindigen. Het onderzoek van de Raad leidde tot de conclusie dat het onmogelijk is in samenwerking te komen met de moeder en stiefmoeder. Hierdoor kwam de benodigde hulpverlening niet van de grond en [minderjarige] werd nog steeds belast met de zaken die betrekking hebben op de strijd tussen de ouders en tussen de moeder en stiefmoeder en de GI. De GI meende toentertijd dat het perspectief van [minderjarige] evenmin bij haar vader lag, zodat haar perspectief kwam te liggen in een residentiële setting (gezinshuis) of in een pleeggezin.

De Raad heeft zijn verzoek gewijzigd met een brief die de rechtbank op 4 september 2018 heeft ontvangen. De Raad verzoekt in die brief alleen het gezag van de moeder te beëindigen. Nadat de zaak ter zitting van 28 september 2018 is behandeld, heeft de Raad zijn verzoek ingetrokken. De daartoe strekkende brief heeft de rechtbank op 21 januari 2019 ontvangen.

De Raad heeft aan de wijziging ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, dat op basis van nader onderzoek dat is verricht, de stellige wens van [minderjarige] dat haar moeder het gezag behoudt en gezien de leeftijd van [minderjarige] , het niet wenselijk is dat het gezag van de moeder wordt beëindigd.

Bij beschikking van de kinderrechter van 5 april 2018 zijn de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 20 mei 2018 verlengd en is de beslissing op de langer verzochte duur van de maatregelen aangehouden.

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 mei 2018 zijn beide maatregelen verlengd tot 20 april 2019.

De verzoeken

De GI stelt dat onder deze omstandigheden de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing moeten worden verlengd en dat een ouderschapsbeoordeling van de moeder en stiefmoeder noodzakelijk is om het perspectief van [minderjarige] te bepalen. De GI stelt dat dit onderzoek echter niet mogelijk is, omdat de vader geen toestemming geeft voor de ouderschapsbeoordeling door middel van een psychiatrische gezinsopname (GGZ Drenthe, de Stee Beilen). Moeder, stiefmoeder en [minderjarige] zijn gemotiveerd, vader weigert. De GI verzoekt de kinderrechter daarom om op grond van art. 265e lid 1 sub b BW te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk, namelijk voor zover het de toestemming voor een medische behandeling betreft waaronder de GI vorenbedoelde opname schaart, wordt toegekend aan de GI.

De standpunten van de belanghebbenden

Het standpunt van de vader

De vader meent dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing moeten worden verlengd en het verzoek van de GI dat strekt de ouderschapsbeoordeling in de Stee mogelijk te maken, af te wijzen.
Het standpunt van de stiefmoeder

De moeder meent dat alle verzoeken moeten worden toegewezen, maar dat als de ouderschapsbeoordeling niet mogelijk wordt gemaakt, de machtiging tot verlening van de uithuisplaatsing moet worden beperkt tot zes maanden.
Het standpunt van de Raad

De Raad heeft de kinderrechter geadviseerd maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te verlengen voor de verzochte duur van een jaar. De Raad heeft ten aanzien van het verzoek van de GI om toekenning van het gedeeltelijke gezag zich gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter over de juridische haalbaarheid van dat verzoek en benadrukt dat het belang van [minderjarige] met zich brengt dat aan de hand van die ouderschapsbeoordeling haar perspectief komt vast te staan.

overwegingen

De beoordeling


Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven, om de vraag of de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing moeten worden verlengd en, in samenhang daarmee, of de uitoefening van het gezag over [minderjarige] voor het geven van toestemming voor een medische behandeling aan de GI moet worden overgedragen, een en ander zoals bedoeld in respectievelijk de artikelen 1:255, 1:265c lid 2 en 1:265e lid 1 sub b BW.

Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de zorgen over de ontwikkelingsbedreiging niet zijn weggenomen. Dit heeft aanvankelijk, gelet op de aanvaardbare termijn, geleid tot een verzoek van de Raad, om het gezag van beide ouders en vervolgens het gezag van de moeder te beëindigen, zodat de ingezette hulpverlening was gericht op het perspectief van [minderjarige] in een gezinshuis of pleeggezin. Doordat het verzoek van de Raad uiteindelijk is ingetrokken, is het perspectief van [minderjarige] op dit moment onduidelijk. [minderjarige] kan op dit moment niet thuis - dat wil zeggen bij haar vader of haar moeder - worden geplaatst.

[minderjarige] wordt nog steeds in haar ontwikkeling bedreigd door de strijd tussen haar ouders, het niet hebben van onbelast contact met haar beide ouders en de onduidelijkheid over haar (woon)perspectief. Aan deze bedreigingen moet worden gewerkt en dat kan niet buiten het kader van een ondertoezichtstelling. Het verzoek van de GI tot verlenging van die maatregel zal daarom worden toegewezen. Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] , in het belang van haar verzorging en opvoeding, noodzakelijk.

Vervolgens staat te beoordelen of ook het verzoek van de GI om op grond van art. 1:265e lid 1 sub b BW te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gedeeltelijk, voor zover het de toestemming voor een medische behandeling van [minderjarige] betreft, aan de GI wordt toegekend, moet worden toegewezen.

Dat verzoek is ingegeven door het intrekken van het verzoek tot gezagsbeëindiging door de Raad. Er moet daarom (opnieuw) onderzoek worden gedaan naar het perspectief van [minderjarige] . De GI wil via een psychiatrische gezinsopname (GGZ Drenthe, De Stee in Beilen) hierover duidelijkheid krijgen. [minderjarige] , haar moeder en stiefmoeder zijn gemotiveerd voor deze opname. Haar vader vindt echter dat het voldoende duidelijk is dat [minderjarige] niet bij haar moeder kan wonen en geeft daarom geen toestemming voor de gezinsopname. De vader ervaart dat die opname bovendien de therapeutische behandeling van [minderjarige] door Accare onderbreekt. De vader meent dat het belangrijk is dat die behandeling juist wordt voortgezet.

Uit het voorgaande volgt dat tussen de beide ouders, die samen het gezag over [minderjarige] uitoefenen, een geschil bestaat. Eén van hen geeft toestemming voor de opname, de ander wil die toestemming niet geven.

De GI kan voor zover het gaat om een medische behandeling van een minderjarige die noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden, en de gezagsouder(s) die toestemming niet geven, vervangende toestemming vragen aan de kinderrechter op de voet van art. 1:265h BW. In deze zaak zou een op art. 1:265h BW gebaseerd verzoek waarschijnlijk niet met succes kunnen worden gedaan. Daarvoor is redengevend dat een klinische opname gericht op een ouderschapsbeoordeling in het algemeen niet noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid af te wenden, zoals op grond van dit artikel wel is vereist. Dat hetgeen dat in het algemeen geldt in de zaak van [minderjarige] anders ligt, is gesteld noch gebleken.

De GI heeft haar verzoek ook niet gebaseerd op art. 1:265h BW, maar op art. 1:265e lid 1 sub b BW. Die bepaling maakt het mogelijk dat de kinderrechter bepaalt dat het gezag over een minderjarige gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dat in het door de GI bedoelde geval doen als blijkt dat het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder, die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Voor zover bij de toepassing van dit artikel al kan worden aangenomen dat de klinische opname een medische behandeling betreft, geldt dat [minderjarige] ouder is dan twaalf jaar en wel in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen bij de opname, zoals de GI ook met zoveel woorden ter zitting heeft bevestigd. De GI baseert zich ook op die waardering: [minderjarige] wil de opname graag.

Mede gelet op de inbreuk die de toepassing van art. 1:265e lid 1 sub b BW met zich mee brengt op het recht op gezinsleven zoals art. 8 EVRM dat beschermt, kan in een zodanig geval geen vervangende toestemming worden gegeven.

De ouders zullen in een zodanig geval op de voet van art. 1:253a BW zich tot de rechtbank moeten wenden om hun geschil aan de rechtbank voor te leggen.

Het voorgaande betekent dat de kinderrechter niet anders kan dan het verzoek van de GI om het gezag gedeeltelijk te mogen uitoefenen, af te wijzen.

Ter zitting is door alle betrokkenen onderkend dat die beslissing zich niet verhoudt met het belang van [minderjarige] dat zo snel mogelijk duidelijk wordt waar haar perspectief ligt en of in dat verband juist wel of wellicht niet een opname in de Stee passend en geboden is.

Daarom is afgesproken dat de advocaten maandag 15 september a.s. namens de ouders de rechtbank schriftelijk zullen verzoeken - onder verwijzing naar deze procedure en met vermelding van de afspraak dat hun verzoeken gevoegd zullen worden behandeld met deze procedure - op de voet van art. 1:253a BW een beslissing te nemen op het voorliggende geschil over de opname en ouderschapsbeoordeling. De advocaten worden verzocht hun verhinderdata voor de komende drie weken door te geven, zodat voor zover mogelijk een behandeling ter zitting kan worden bepaald binnen deze korte termijn van drie weken.

De kinderrechter zal gelet op al het voorgaande in het dictum van deze beschikking nog geen definitieve beslissingen nemen. De kinderrechter zal voorlopig totdat nader is beslist - ervan uitgaande dat de voortgezette behandeling in tijdsbestek van enkele weken zal plaatsvinden - de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengen en iedere verdere beslissing aanhouden.

beslissing

De beslissing

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 april 2019.
verlengt en daarom totdat nader is beslist de ondertoezichtstelling van tot uiterlijk 20 juni 2019,

verlengt en daarom totdat nader is beslist de machtiging tot uithuisplaatsing van in een 24-uurs voorziening tot 20 juni 2019,

houdt iedere verdere beslissing aan.

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing