Uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2019:1022

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-03-2019. De uitspraak is gedaan door Rechtbank Noord-Nederland op 15-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:RBNNE:2019:1022, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/730424-15


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:RBNNE:2019:1022:DOC
nl

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730424-15ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/720147-17
vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] ,wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 maart 2019.De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd
- op of omstreeks 14 augustus 2008 een bedrag van 23.298 euro (overboeking naar belastingdienst, bijlage 26), en/of- op of omstreeks 13 september 2007 een bedrag van 133 euro (overboeking naar belastingdienst, bijlage 27), en/of;- op of omstreeks 17 september 2007 een bedrag van 19.116 euro (overboeking naar belastingdienst, bijlage 27), en/of- op of omstreeks 7 februari 2008 een bedrag van 2444,59 euro (overboeking naar [bedrijf 1] , bijlage 28), en/of- op of omstreeks 18 maart 2008 een bedrag van 342,72 euro (overboeking naar [bedrijf 1] , bijlage 28), en/of- op of omstreeks 6 februari 2008 een bedrag van 575,14 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29), en/of- op of omstreeks op of omstreeks 25 juni 2008 een bedrag van 1000,24 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29), en/of- op of omstreeks 11 december 2008 een bedrag van 880,50 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29), en/of- op of omstreeks 12 februari 2009 een bedrag van 1764,88 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29), en/of- op of omstreeks 17 april 2009 een bedrag van 1735,05 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29),zijnde in totaal 51.290,12 euro;
- op of omstreeks 14 augustus 2008 een bedrag van 23.298 euro (overboeking naar belastingdienst, bijlage 26), en/of- op of omstreeks 13 september 2007 een bedrag van 133 euro (overboeking naar belastingdienst, bijlage 27), en/of;- op of omstreeks 17 september 2007 een bedrag van 19.116 euro (overboeking naar belastingdienst, bijlage 27), en/of- op of omstreeks 7 februari 2008 een bedrag van 2444,59 euro (overboeking naar [bedrijf 1] , bijlage 28), en/of- op of omstreeks 18 maart 2008 een bedrag van 342,72 euro (overboeking naar [bedrijf 1] , bijlage 28), en/of- op of omstreeks 6 februari 2008 een bedrag van 575,14 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29), en/of- op of omstreeks op of omstreeks 25 juni 2008 een bedrag van 1000,24 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29), en/of- op of omstreeks 11 december 2008 een bedrag van 880,50 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29), en/of- op of omstreeks 12 februari 2009 een bedrag van 1764,88 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29), en/of- op of omstreeks 17 april 2009 een bedrag van 1735,05 euro (overboeking naar [bedrijf 2] , bijlage 29),
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en)/geld was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie dat/die voorwerp(en)/geld voorhanden heeft gehad, en/of- heeft overgedragen en/of omgezet, in elk geval gebruik heeft gemaakt,
- heimelijk en/of zonder (bestuurs)toestemming een of meer geldbedrag(en) van een spaarrekening van [benadeelde partij 1] te Ferwoude, althans (in beheer) van de [benadeelde partij 2] , overgeboekt naar een betaalrekening en/of naar andere rekening(en), en/of- ( vervolgens) een of meer geldbedrag(en) van die (dorpshuis)rekening(en) contant opgenomen en/of overgeboekt naar een of meer privérekening(en) van verdachte en/of besteed aan/voor (al dan niet bedrijfsmatige) privédoeleinden van verdachte, en/of- ( tevens) die (privé)overboeking(en) en/of onttrekking(en)/kasopname(s) door verdachte niet verantwoord op een of meer jaarrekening(en), die verdachte als penningmeester ten behoeve van die vereniging en/of [benadeelde partij 1] had opgemaakt of doen/laten opmaken,
2. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2016 te Ferwoude, gemeente Súdwest-Fryslân, en/of elders in Nederland, meermalen (op verschillende tijdstippen), althans eenmaal, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten (telkens) een jaarrekening, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,
- niet vermeld of doen/laten vermelden dat een bedrag van (in totaal) (ongeveer) 49.549 euro, althans (ongeveer) 36.500, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld, van de (spaar)rekening van [benadeelde partij 1] , en/of de (daarmee verbonden) [benadeelde partij 2] , was geleend en/of opgenomen door verdachte en/of was overgeboekt naar verdachtes bankrekening, en/of- privéonttrekking(en) door verdachte (telkens) niet op inzichtelijke wijze vermeld/geboekt op dat/die jaarrekening(en), in elk geval (aldus)- onjuiste financiële (kas/bank)gegevens op de balans vermeld of doen/laten vermelden, en/of- een onjuist financieel overzicht opgemaakt of doen/laten opmaken met betrekking tot het/ [benadeelde partij 1] te Ferwoude, en/of de (daarmee verbonden) [benadeelde partij 2] , over het/de jaar/jaren 2010 en/of 2011 en/of 2013 en/of 2015,met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
in de zaak met parketnummer 18/730424-15 dat:

hij in of omstreeks de periode van 13 september 2007 t/m 17 april 2009, althans de periode van 13 september 2007 t/m 29 januari 2014, te Ferwoude en/of Makkum en/of Bolsward, althans in de gemeente(n) Wonseradeel en/of Bolsward en/of Zuid-West Friesland en/of elders in het arrondissement Noord-Nederland, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een na te noemen hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep van/als gevolmachtigde van die [slachtoffer] en/of accountant en/of zaakwaarnemer van die [slachtoffer] of tegen geldelijke vergoeding, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,te weten
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 13 september 2007 t/m 17 april 2009, althans de periode van 13 september 2007 t/m 29 januari 2014, te Ferwoude en/of Makkum en/of Bolsward, althans in de gemeente(n) Wonseradeel en/of Bolsward en/of Zuid-West Friesland en/of elders in het arrondissement Noord-Nederland, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (telkens) een hoeveelheid geld, te weten

zijnde in totaal 51.290,12 euro,in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
en in de zaak met parketnummer 18/720147-17 dat:

1.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2016 te Ferwoude, gemeente Súdwest-Fryslân, en/of elders in Nederland, opzettelijk (in totaal) ongeveer 49.549 euro, althans (ongeveer) 36.500 euro, in elk geval (meermalen) een hoeveelheid geld/enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het [benadeelde partij 1] te Ferwoudeen/of de (daarmee verbonden) [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geld/goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als penningmeester van de beheerscommissie van [benadeelde partij 1] , althans bestuurslid, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2016 te Ferwoude, gemeente Súdwest-Fryslân, en/of elders in Nederland, (van) een voorwerp(en), te weten(in totaal) (ongeveer) 49.549 euro, althans (ongeveer) 36.500 euro, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld,
immers heeft verdachte

terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

immers heeft verdachte (telkens) valselijk op een jaarrekening [benadeelde partij 1] te Ferwoude over 2010 en/of 2011 en/of 2013 en/of 2015

Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair en het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde gevorderd.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat een bewezenverklaring kan volgen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde en dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft hij daartoe aangevoerd dat de wederrechtelijkheid ontbreekt, omdat verdachte een algehele volmacht had. Betalingen en overboekingen mochten gedaan worden door de gevolmachtigde en verdachte werd daarin niet beperkt. Ten tijde van het verlenen van de volmacht was [slachtoffer] volgens getuigen en naar inschatting van de notaris compos mentis. Of de handtekeningen van [slachtoffer] onder de door verdachte overlegde overzichten van ten behoeve van hem (verdachte) betaalde bedragen echt is, is gelet op de volmacht niet relevant.
Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 1 maart 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:Ik was adviseur bij [bedrijf 3]. [slachtoffer] werd als klant aan mij toegewezen. Ik deed alles wat te maken had met zijn administratie, jaarplan, aangifte, boekhouding en ik adviseerde bij aankopen en verkopen van roerend en onroerend goed. In juni 2007 is de algehele volmacht gekomen. Toen ik overging naar [verdachte] advies bleef ik in grote lijnen dezelfde werkzaamheden voor hem verrichten. De op de overzichten opgenomen bedragen betreffen betalingen voor mij.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 april 2014, opgenomen op pagina 10 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2014053699 d.d. 4 december 2015, inhoudende als verklaring van [naam 1] namens [slachtoffer] : Ik doe deze aangifte namens de heer [slachtoffer] in mijn hoedanigheid als bewindvoerder van de heer [slachtoffer] .
3. Een geschrift, inhoudende de bijlage bij de aangifte d.d. 10 april 2014, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam 1] : [verdachte] heeft jarenlang als accountant voor [slachtoffer] werkzaamheden verricht tijdens een loondienstverband met zijn voormalig werkgever, [bedrijf 3] , hierna te noemen: [bedrijf 3] . Eind 2009 heeft de Rabobank betalingen vanaf de bankrekening van [slachtoffer] stopgezet en telefonisch contact met mij opgenomen. De Rabobank vroeg mij om opheldering over de vele transacties die via de bankrekening van [slachtoffer] waren verlopen. Uit het bericht van de Rabobank van 16 augustus 2012 blijkt dat [verdachte] in ieder geval tot en met 24 november 2009 de mogelijkheid heeft gehad te beschikken over de bankrekeningen van [slachtoffer] . Dat [verdachte] kon beschikken over de bankrekeningen van [slachtoffer] kwam door de aan [verdachte] verleende volmacht. Op 6 juni 2007 heeft voormalig notaris mr. [getuige] een algehele volmacht opgesteld waarbij [verdachte] en de heer [naam 2] , een toenmalige medewerker van [getuige] , onherroepelijk werden gevolmachtigd. De volmacht strekte, onder andere, tot het beëindigen en vervreemden van het agrarisch bedrijf van [slachtoffer] , maar ook tot beheer en het voeren van administratie. Dit beheer en het voeren van administratie was zeer ruim omschreven en omvatte het beheer over nagenoeg alle financiën en eigendommen van [slachtoffer] . Mede door de door [slachtoffer] aan [verdachte] verstrekte volmacht kon [verdachte] misbruik maken van de bankrekeningen van [slachtoffer] . Op 14 augustus 2008 is € 23.298,00 betaald aan de Belastingdienst met als vermelding “ [vermelding] [fiscale nummer] ”. Het vermelde nummer [fiscale nummer] is het fiscale nummer van [verdachte] . Ook op 13 september 2007 is aan de Belastingdienst een bedrag van € 133,00 betaald met als vermelding daarbij het fiscale nummer van [verdachte] . Ditzelfde gebeurde op 17 september 2007 voor een bedrag van € 19.116,00. Tevens zijn betalingen aan [bedrijf 1] , zoals die hebben plaatsvonden op 7 februari 2008 voor een bedrag van € 2.444,59 en op 18 maart 2008 voor een bedrag van € 342,72, [slachtoffer] niet ten goede gekomen. [slachtoffer] heeft nooit gebruik gemaakt van de diensten van [bedrijf 1] . Ook betalingen aan [bedrijf 2] zijn niet ten goede gekomen aan [slachtoffer] . [slachtoffer] was, toen hij nog in het bezit was van zijn eigen agrarische bedrijf, klant van NUON. Hoe rekeningen van [bedrijf 2] , zelfs van data na het overdragen van zijn agrarische bedrijf, voor rekening van [slachtoffer] zouden moeten komen, is [slachtoffer] geheel onduidelijk. Op 6 februari 2008, 25 juni 2008, 11 december 2008, 12 februari 2009 en 17 april 2009 is er in totaal een bedrag van € 5.955,81 betaald aan [bedrijf 2] .
4. Een geschrift, inhoudende een algehele volmacht d.d. 6 juni 2007, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:Heden, zes juni tweeduizend zeven, verscheen voor mij, mr. [getuige] , notaris, de heer [slachtoffer] . De comparant, hierna ook te noemen "volmachtgever", verklaarde bij deze onherroepelijk aan te stellen tot zijn algemeen gevolmachtigden de heer [verdachte] en [naam 2] , zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk, aan wie hij alle nodige volmachten verleent, in het bijzonder om (onder meer):
I. BEHEER EN ADMINISTRATIEa. Bedragen, onverschillig of zij het karakter van inkomsten of van kapitaal dragen, te ontvangen en daarvoor kwijting te geven en om tegen betaling te bewilligen in het opheffen van elke zekerheid, welke dan ook.b. Bankrekeningen te openen en te voeren, bedragen te storten en op te nemen, chèques te trekken, te kwiteren en te endosseren, fondsen en waarden te deponeren en terug te nemen.
5. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 13 augustus 2008, opgenomen op pagina 186 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
6. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 13 september 2007, opgenomen op pagina 188 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
7. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 20 september 2007, opgenomen op pagina 189 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
8. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 6 februari 2008, opgenomen op pagina 191 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
9. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 17 maart 2008, opgenomen op pagina 192 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
10. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 6 juni 2008, opgenomen op pagina 194 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
11. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 26 juni 2008, opgenomen op pagina 195 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
12. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 11 december 2008, opgenomen op pagina 196 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
13. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 12 februari 2009, opgenomen op pagina 197 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
14. Een geschrift, inhoudende een gedetailleerd afschrift van bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [slachtoffer] d.d. 16 april 2009, opgenomen op pagina 198 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
15. Een geschrift, inhoudende een overzicht door [slachtoffer] betaalde bedragen ten behoeve van verdachte, opgenomen op pagina 238 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
16. Een geschrift, inhoudende een overzicht door [slachtoffer] betaalde bedragen ten behoeve van verdachte, opgenomen op pagina 240 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende: 06-02-2008 [bedrijf 2] 575,14
17. Een geschrift, inhoudende een overzicht door [slachtoffer] betaalde bedragen ten behoeve van verdachte, opgenomen op pagina 240 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende: 25-06-2008 [bedrijf 2] 1.000,24
18. Een geschrift, inhoudende een overzicht door [slachtoffer] betaalde bedragen ten behoeve van verdachte, opgenomen op pagina 241 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende: 13-08-2008 Belastingdienst IB 05 23.298,00
19. Een geschrift, inhoudende een overzicht door [slachtoffer] betaalde bedragen ten behoeve van verdachte, opgenomen op pagina 242 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende: 11-12-2008 [bedrijf 2] 880,50
20. Een geschrift, inhoudende een overzicht door [slachtoffer] betaalde bedragen ten behoeve van verdachte, opgenomen op pagina 243 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 maart 2019;2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 20 april 2016, opgenomen op pagina 4 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016097913 d.d. 17 januari 2017, inhoudende de verklaring van [naam 3] namens [benadeelde partij 2] ;3. Een geschrift, inhoudende jaarrekeningen van de jaren 2009, 2011, 2013 en 2015 van het [benadeelde partij 1] , opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier;4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 15 november 2016, opgenomen op pagina 30 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2017, inhoudende de verklaring van verbalisant.
Valutadatum: 14-08-08Omschr mut: [vermelding] [fiscale nummer]Bedrag: -23.298,00
Valutadatum: 13-09-07Omschr mut: [vermelding] [fiscale nummer]Bedrag: -133,00
Valutadatum: 17-09-07Omschr mut: [vermelding] [fiscale nummer]Bedrag: -19.116,00
Valutadatum: 07-02-08Omschr mut: [bedrijf 1] [declartienummer]Bedrag: -2.444,59
Valutadatum: 18-03-08Omschr mut: [bedrijf 1] [declartienummer]Bedrag: -342,72
Valutadatum: 06-02-08Omschr mut: [bedrijf 2] [declartienummer]Bedrag: -575,14
Valutadatum: 25-06-08Omschr mut: [bedrijf 2] [declartienummer]Bedrag: -1.000,24
Valutadatum: 11-12-08Omschr mut: [bedrijf 2] [declartienummer]Bedrag: -880,50
Valutadatum: 12-02-09Omschr mut: [bedrijf 2] [declartienummer]Bedrag: -1.764,88
Valutadatum: 17-04-09Omschr mut: [bedrijf 2] [declartienummer]Bedrag: -1.735,05
13-09-2007 133,0017-09-2007 Belasting IB 04 19.116,00
07-02-2008 [bedrijf 1] 2.444,5918-03-2008 [bedrijf 1] 342,72
12-02-2009 [bedrijf 2] 1.764,8817-04-2009 [bedrijf 2] 1.735,05
Overweging rechtbank ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair ten laste gelegde

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij diverse bedragen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep als gevolmachtigde van [slachtoffer] heeft verduisterd. Aan deze zaak ligt een uitgebreid dossier ten grondslag, waarin onder meer door aangever [naam 1] wordt verklaard dat sprake is van een benadelingsbedrag van meer dan € 120.000. De rechtbank stelt voorop dat de omvang van het rechtsgeding zich beperkt tot het verwijt dat verdachte in de tenlastelegging wordt gemaakt, inhoudende dat verdachte zich geld, toebehorende aan [slachtoffer] , wederrechtelijk heeft toegeëigend door betalingen ten behoeve van hemzelf te verrichten middels overboekingen van bedragen van de rekening van [slachtoffer] , voor een bedrag van in totaal € 51.290,12.
In de tenlastelegging is het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. HR 24 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8253, NJ 1990/256).

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als gevolmachtigde vanwege een aan hem verstrekte volmacht toegang had tot de rekening van [slachtoffer] en dat hij een groot aantal geldbedragen van die rekening heeft overgemaakt aan derden ter voldoening van zijn eigen betalingsverplichtingen aan die derden, waaronder de belastingdienst, een energiemaatschappij en een advocatenkantoor. Verdachte erkent dit ook. De rechtbank stelt voorop dat het handelen van verdachte zoals hiervoor omschreven naar de uiterlijke verschijningsvorm zonder meer duidt op verduistering.

De rechtbank is van oordeel dat uit de algemene volmacht niet kan volgen dat verdachte gerechtigd was voornoemde betalingen te doen. De rechtbank verwijst daarbij naar het civiele vonnis van deze rechtbank van de afdeling privaatrecht van 29 januari 2014 in de zaak van [naam 1] als bewindvoerder van [slachtoffer] tegen verdachte, waarin is overwogen dat de rechtsverhouding tussen gevolmachtigde en volmachtgever als regel zal meebrengen dat de vertegenwoordiger de belangen van de vertegenwoordigde behoort te behartigen. Gelet hierop kan het handelen van een gevolmachtigde in strijd met de belangen van de volmachtgever, waarvan in beginsel sprake is bij betalingen ten gunste van de gevolmachtigde, misbruik van vertegenwoordigingsbevoegdheid opleveren. In dit licht bezien kan aan het feit dat verdachte over een volmacht beschikte, niet de waarde worden gehecht die de verdediging daaraan toegekend wenst te zien. Het feit dat verdachte over een volmacht beschikte, maakt derhalve niet dat geen sprake kan zijn geweest van wederrechtelijke toe-eigening.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er in 2006 plannen bestonden om een maatschap aan te gaan met [slachtoffer] . [slachtoffer] ’s inbreng in de maatschap zou bestaan uit zijn bedrijf, de boerderij en de grond en verdachte zou zijn kennis, ervaring en arbeid inbrengen. De betalingen vinden volgens verdachte hun grondslag in een door [slachtoffer] aan verdachte te betalen schadevergoeding in verband met het niet doorgaan van die maatschap. Voorts heeft verdachte verklaard dat de betalingen eigenlijk een schenking betreffen waarmee [slachtoffer] hem na het niet doorgaan van de maatschap wilde helpen om een eigen adviesbedrijf op te starten. De betreffende betalingen heeft verdachte opgenomen in overzichten (opgenomen in bewijsmiddelen 15 tot en met 20) waarop het volgende is vermeld: 'Overzicht door [slachtoffer] betaalde bedragen ten behoeve van [verdachte] ; gevolge toezegging c.q. het mondeling overeengekomen is in de besprekingen van 22 en 29 januari 2007 wegens het niet doorgaan van een maatschap tussen [slachtoffer] en [verdachte] (afzien van voordeel gevolge het doorschuiven van het melkquotum en het in pacht verkrijgen van de onroerende goederen). (maximaal met kosten tot € 155.000).’

De rechtbank overweegt dat deze door verdachte geschetste achtergrond voor de door hem verrichte betalingen op zichzelf bevreemding wekt. Objectief bezien lijkt het onwaarschijnlijk dat [slachtoffer] besluit op dit moment in zijn leven (hij was op dat moment 75 jaar) en op deze manier een maatschap aan te gaan met verdachte, waarbij zijn inbreng in geen enkele verhouding staat tot de (marginale) inbreng van verdachte. De rechtbank acht het bovendien niet voor de hand liggend, dat, als er al sprake is geweest van een maatschap, het niet doorgaan van die maatschap [slachtoffer] aanleiding zou hebben gegeven verdachte een bedrag van € 155.000 euro te doen toekomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat verdachte geen duidelijke verklaring heeft kunnen geven waarom hij, terwijl hij alleen zijn kennis, ervaring en arbeid in zou brengen, een schade van deze omvang zou hebben geleden doordat de maatschap niet tot stand is gekomen.

De rechtbank overweegt dat verdachte wisselend heeft verklaard over de reden van het ontvangen van de € 155.000. In eerste instantie heeft verdachte verklaard dat het een schadevergoeding betrof, hetgeen aansluit bij de tekst van de door hem opgestelde overzichten, terwijl hij later heeft aangegeven dat het een schenking was. Deze wisselende verklaringen over de achtergrond van de betalingen doen naar het oordeel van de rechtbank afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat, behoudens met de door verdachte opgestelde overzichten, op geen enkele wijze is onderbouwd dat er plannen zijn geweest tot het aangaan van een maatschap. Getuigen, waaronder notaris [getuige] en de medegevolmachtigde medewerker van de notaris, [naam 2], hebben desgevraagd verklaard dat hen niet bekend was dat er op enig moment sprake van is geweest dat verdachte het boerenbedrijf van [slachtoffer] zou voortzetten. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij ook niet op enig moment aan zijn werkgever heeft gemeld welke plannen hij met [slachtoffer] had. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte toen nog in dienst was bij [bedrijf 3] en dat [slachtoffer] zijn klant was uit hoofde van die dienstbetrekking. Tegen die achtergrond bezien had het gelet op mogelijke conflicterende belangen wel op zijn weg gelegen eventuele plannen tot het aangaan van een maatschap met [slachtoffer] met zijn werkgever te bespreken.

De rechtbank stelt vast dat ook met betrekking tot de vaststelling van het bedrag van € 155.000 geen stukken, bijvoorbeeld berekeningen, zijn overgelegd. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij dit bedrag samen met [slachtoffer] heeft berekend. Dat zulke stukken er niet zijn roept vragen op nu het gaat om een groot bedrag en complexe materie. Verdachte is bovendien jarenlang werkzaam geweest in de financiële sector. Naar algemene ervaringsregels is het in deze sector voor een professional uiterst ongebruikelijk dergelijke afspraken niet te administreren. Overigens geldt ook hier dat verdachte ten tijde van de vaststelling van het bedrag, volgens de overzichten in januari 2007, in dienst was bij [bedrijf 3] . Gelet op dit dienstverband zou hij gehouden zijn zijn werkgever ervan op de hoogte te stellen dat er sprake was van een overeenkomst op grond waarvan hij van een cliënt € 155.000 zou ontvangen. Volgens de werkgever heeft hij dat niet gedaan.

Op grond van het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat het door verdachte geschetste scenario volstrekt ongeloofwaardig is. Dat verdachte gerechtigd was tot het doen van zijn privébetalingen van de rekening van [slachtoffer] , omdat sprake was van een overeengekomen schadevergoeding dan wel schenking zoals door de verdediging is betoogd, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Omdat de rechtbank in het geheel geen geloof hecht aan de door verdachte voorgestelde gang van zaken, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven of de overzichten met daarop de hiervoor genoemde tekst en handtekening met een valse handtekening zijn ondertekend, of dat verdachte [slachtoffer] de documenten met misbruik van vertrouwen, door misleiding of gebruik makend van een (mogelijk) verminderde geestelijke scherpte heeft laten tekenen, zonder dat [slachtoffer] in de gaten had dat er grote geldbedragen voor privé doeleinden van verdachte werden aangewend.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan in het feit dat verdachte over een volmacht beschikte ook geen rechtvaardiging worden gevonden voor de door hem verweten gedragingen. Op grond van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich door zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 onder 1. primair en 2. bewezen verklaarde, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:

Bewezenverklaring
De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair en het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
- op 14 augustus 2008 een bedrag van 23.298 euro, overboeking naar belastingdienst, en- op 13 september 2007 een bedrag van 133 euro, overboeking naar belastingdienst, en- op 17 september 2007 een bedrag van 19.116 euro, overboeking naar belastingdienst, en- op 7 februari 2008 een bedrag van 2444,59 euro, overboeking naar [bedrijf 1] , en- op 18 maart 2008 een bedrag van 342,72 euro, overboeking naar [bedrijf 1] , en- op 6 februari 2008 een bedrag van 575,14 euro, overboeking naar [bedrijf 2] , en- op 25 juni 2008 een bedrag van 1000,24 euro, overboeking naar [bedrijf 2] , en- op 11 december 2008 een bedrag van 880,50 euro, overboeking naar [bedrijf 2] , en- op 12 februari 2009 een bedrag van 1764,88 euro, overboeking naar [bedrijf 2] , en- op of omstreeks 17 april 2009 een bedrag van 1735,05 euro, overboeking naar [bedrijf 2] ,zijnde in totaal 51.290,12 euro.
1. primair.hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 maart 2016 te Ferwoude, gemeente Súdwest-Fryslân, opzettelijk, meermalen een hoeveelheid geld, geheel toebehorende aan het [benadeelde partij 1] te Ferwoude en de daarmee verbonden [benadeelde partij 2] en welk geld verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als penningmeester van de beheerscommissie van [benadeelde partij 1] , althans bestuurslid, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
2. hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2016 te Ferwoude, gemeente Súdwest-Fryslân of elders in Nederland, meermalen, op verschillende tijdstippen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten telkens een jaarrekening, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk op een jaarrekening [benadeelde partij 1] te Ferwoude over 2010 en 2011 en 2013 en 2015 - niet vermeld dat telkens een hoeveelheid geld, van de spaarrekening van [benadeelde partij 1] , en de daarmee verbonden [benadeelde partij 2] , was opgenomen door verdachte en was overgeboekt naar verdachtes bankrekening, en- privéonttrekkingen door verdachte telkens niet op inzichtelijke wijze vermeld op die jaarrekeningen, in elk geval aldus- onjuiste financiële kas/bankgegevens op de balans vermeld, en- een onjuist financieel overzicht opgemaakt met betrekking tot [benadeelde partij 1] te Ferwoude, en de daarmee verbonden [benadeelde partij 2] , over de jaren 2010 en 2011 en 2013 en 2015, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 ten laste gelegde

primair.hij in de periode van 13 september 2007 t/m 17 april 2009, te Ferwoude of Makkum of Bolsward, in elk geval in Nederland, meermalen, opzettelijk een na te noemen hoeveelheid geld, dat geheel toehoorde aan [slachtoffer] , en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als gevolmachtigde van die [slachtoffer] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, te weten
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 ten laste gelegde

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair. Verduistering, meermalen gepleegd.2. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 ten laste gelegde

primair. Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 ten laste gelegde

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
overwegingen

Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair en het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een taakstraf voor de duur van 120 uren. Indien de rechtbank ook ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 tot een bewezenverklaring komt heeft de raadsman bepleit ook voor dit feit een taakstraf voor de duur van 120 uren op te leggen.
Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verduistering, een verduistering in dienstbetrekking en aan valsheid in geschrifte. Door zijn handelwijze heeft verdachte de slachtoffers, een bejaarde man die hem gevolmachtigd had en een dorpsvereniging waarvan hij (waarnemend) penningmeester was, financieel ernstig gedupeerd. De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat hij in een periode van meerdere jaren telkens opnieuw de beslissing heeft genomen zich geld toe te eigenen, waarbij hij keer op keer het in hem gestelde vertrouwen heeft beschaamd. Verdachte heeft zijn persoonlijk gewin boven het belang van de gedupeerden gesteld en misbruik gemaakt van zijn vertrouwenspositie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt dient te zijn.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in fraudezaken als uitgangspunt genomen. In deze oriëntatiepunten voor straftoemeting wordt in het geval van een benadelingsbedrag van € 70.000 tot € 125.000, zoals in onderhavig geval, een gevangenisstraf voor de duur van vijf tot negen maanden, dan wel een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt gehanteerd.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte het verduisterde geld van de [benadeelde partij 2] heeft terugbetaald. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Ook houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18/730424-15 overweegt de rechtbank bovendien dat de redelijke termijn waarbinnen strafzaken in de regel dienen te worden afgedaan is geschonden. Dit alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet passend is.

De rechtbank is van oordeel dat een werkstraf van 240 uren, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren passend en oplegging daarvan geboden is.

Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair ten laste gelegde

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er al een uitvoerige civiele procedure aan de orde is.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit feit. Ook indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering een onredelijke belasting voor het strafproces vormt, omdat de vordering al in een civiele procedure aan de orde is. Daarnaast betreft het een complexe civiele zaak, waar de strafzaak zich niet voor leent.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, overweegt de rechtbank dat er, met betrekking tot de onderhavige zaak, een civiele procedure loopt. Daarnaast is de vordering dermate complex dat deze een onevenredige belasting vormt voor het strafgeding. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 onder 1. primair ten laste gelegde

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de schade, zoals genoemd op de tenlastelegging, al is vergoed. De discussie over de overige schade valt buiten de tenlastelegging.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het bedrag al door verdachte is terugbetaald. Voor wat betreft de overige bedragen heeft de raadsman, indien de rechtbank daar aan toekomt, aangevoerd dat deze onvoldoende onderbouwd zijn. De verdediging kan daar om die reden geen verweer op voeren.
Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte het in de tenlastelegging genoemde bedrag al heeft terugbetaald. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om over het meerdere gevorderde te kunnen oordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
1. [slachtoffer] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam 1] , heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 120.000 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en € 150.000 ter vergoeding van proceskosten.
2. [benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 83.295,08 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 225, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair en het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

En veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Benadeelde partijen
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730424-15 primair ten laste gelegde

Bepaalt dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/720147-17 onder 1. primair ten laste gelegde

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 maart 2019.Mr. Van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.